Opheffing adviesraden is nog geen sanering

'Ach, beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, zullen we maar denken.'

Veelzeggend ontweek het Tweede Kamerlid T. Netelenbos (PvdA)gisteren met deze volkswijsheid de vraag of haar partijgenoot de minister van onderwijs J. M. M. Ritzen niet had kunnen voorzien dat de Kamer tegen opheffing van de belangrijkste beleidsvoorbereidende adviesraden zou zijn. De brief waarin de minister twee maanden geleden de opheffing aankondigde was geen plotselinge bevlieging. Al in december, vlak na zijn aantreden, verkondigde hij in Vrij Nederland dat hij 'zeer, zeer kritisch' zou kijken naar de overleg- en adviesstructuur in het onderwijs. In maart trok hij bovendien het wetsvoorstel in dat de adviesraden voor het basisonderwijs, voor het voortgezet en voor het hoger onderwijs, een wettelijke basis zou geven. Begin juni gaf de minister aan welke koers hij wilde volgen toen hij uitgebreid met de drie raden sprak over hun opheffing. Voor de minister stond onomstotelijk vast dat hij ze niet meer nodig had. Voor alternatieven, zoals integratie, was hij niet gevoelig.

De minister had kunnen weten dat de Tweede Kamer moeite zou hebben met de opheffing: als hij de memorie van toelichting bij zijn eigen ingetrokken wetsvoorstel goed had gelezen was hij op de hoogte geweest van de gevoeligheden. Daarin werd immers gemeld dat de Kamer niet alleen op de hoogte wilde zijn van door de regering gevraagde adviezen (en dat is onvermijdelijk als, zoals Ritzen wilde, alleen ad hoc-commissies adviseren), maar af en toe ook eens ongevraagde adviezen van deskundigen op tafel wenste te vinden. Permanente raden derhalve die ook de Kamer zou kunnen raadplegen. De uitkomst opheffing of integratie is hier evenwel minder belangrijk dan de manier waarop de minister te werk gaat. Deze operatie is voor hem vooral een vingeroefening. Ritzen wil immers ook ook de overlegstructuur (het 'middenveld') saneren. Deze heeft in het primaire en secundaire onderwijs groteske vormen aangenomen. Ingrijpen daar is hard nodig en niet alleen omdat vele honderden mensen zichzelf en elkaar ten koste van vele miljoenen guldens bezighouden met veelvuldig vergaderen en het behartigen van deelbelangen. Als de minister een flexibeler onderwijs bestel wil, waarin scholen, hogescholen en universiteiten autonomer opereren en daarvoor zelf verantwoordelijkheid dragen is een directer overleg met de instellingen een voorwaarde.

Het kortwieken van het 'middenveld' is echt niet zo simpel als het wegsnijden van wat adviesraden. Als dit laatste al zo rafelig gebeurt, hoe zal het echte werk dan worden uitgevoerd? Als dat op dezelfde manier gaat dan wordt de operatie niet alleen voor de minister zelf een fiasco, ook het onderwijs zal daardoor voor een lange tijd opgescheept blijven zitten met een structuur die dringend veranderd moet worden. Dit zal toch niet de bedoeling van Ritzen zijn. Of is dat misschien strategie?

    • Quirien van Koolwijk