MINISTER VAN STAATSSCHULD

Een foto van een zorgeloos spelend kind in een frisse nieuwbouwwijk siert het omslag van de Miljoenennota 1991 die gisteren door het kabinet is aangeboden aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer. De inhoud van deze 'Nota over de toestand van 's Rijks financien' geeft weinig aanleiding tot vrolijkheid.

Nederland is het bezuinigen moe. Dat geldt voor de burgers, maar blijkbaar ook voor de nog zo verse regeringsploeg van Lubbers III. In Elsevier deelde minister van Economische Zaken Andriessen verleden week mee: 'We hebben er in het kabinet dit jaar drie dagen over gedaan om een miljard bij elkaar te sprokkelen. Er is echt geen onzinnig gevecht geleverd, maar het was wel de laatste rib uit het lijf.'

Als zelfs een in het bedrijfsleven geharde minister als Andriessen dat vindt... Het Rijk krijgt uit belastingen en andere ontvangsten (bij voorbeeld aardgaswinst) niet genoeg geld binnen om zijn uitgaven te kunnen betalen. Uit de Miljoenennota blijkt dat het kabinet er, met veel kunst en vliegwerk, in is geslaagd het tekort van de overheid voor komend jaar te beperken tot iets minder dan vijf procent van het nationaal inkomen. Tussen uitgaven en ontvangsten zit voor 1991 een gat van 22,5 miljard gulden, het financieringstekort. Dat geld moet worden geleend van binnen- en buitenlandse beleggers. Als gevolg van (nog grotere) financieringstekorten uit het verleden heeft het Rijk al een schuld opgebouwd van 315 miljard gulden. Volgend jaar is de staatsschuld dus 337,5 miljard gulden. De staatsschuldquote, dat is de staatschuld als percentage van het nationaal inkomen, loopt daardoor op van zeventig procent tot 71 procent.

Beangstigend

Over die groeiende staatsschuld moet jaarlijks rente en aflossing worden betaald. Voor 1991 gaat het daarbij om een bedrag van bijna vijftig miljard gulden (ongeveer 25 miljard gulden aan rente en 25 miljard aan aflossing). Die vijftig miljard gulden legt beslag op 23 procent van de totale uitgaven van het Rijk en is daarmee veruit de grootste uitgavenpost. Om te vergelijken: de minister van sociale zaken en werkgelegenheid moet het voor 1991 stellen met ruim 36 miljard gulden en onderwijsminister Ritzen moet zien uit te komen met nog geen 31 miljard gulden.

De post 'Nationale schuld' is de afgelopen jaren in een beangstigend tempo gegroeid. In 1982 gaven we nog maar vijftien miljard uit aan rente en aflossing (twaalf procent van de rijksuitgaven). Onze zuinige oud-minister van Financien Ruding en zijn niet minder oppassende opvolger Kok hebben dus niet kunnen verhinderen dat er steeds minder ruimte is voor de andere uitgaven.

Laten we aan de hand van wat cijfertjes eens kijken hoe de financien van het Rijk zich zouden ontwikkelen als we nu een punt zouden zetten achter het bezuinigingsbeleid. We gaan er daarbij vanuit dat het overheidtekort blijft steken op de huidige vijf procent van het nationaal inkomen. Verder nemen we aan dat het nationaal inkomen in de komende jaren steeds reeel (dat wil zeggen in hoeveelheid) met 2,75 procent toeneemt en dat de prijzen jaarlijks gemiddeld met 2,5 procent stijgen. Van die cijfers gaat ook het kabinet uit voor 1991. Figuur 1 laat zien hoe de staatsschuldquote zich onder die veronderstellingen ontwikkelt. Na tien jaar is de staatsschuldquote al gestegen tot tachtig procent. En daarbij blijft het niet. Nog tien jaar later bedraagt de staatsschuld, die dan intussen is opgelopen tot het schrikbarende bedrag van 1.079 miljard gulden, maar liefst 86 procent van het nationaal inkomen.

Claim

Op zichzelf hoeft een grote schuld niet zo'n ramp te zijn. Zolang je de rente en aflossing kunt betalen uit je lopende inkomen, is er weinig reden tot paniek. Maar daar zit 'm de kneep. Rente en aflossing leggen een steeds zwaardere claim op het overheidsbudget. Die ontwikkeling vind je in figuur 2. Daarbij is verondersteld dat jaarlijks tien procent van de staatsschuld moet worden afgelost en dat het Rijk gemiddeld acht procent rente betaalt over zijn schuld. In het jaar 2000 slokken rente en aflossing ruim 31 procent op van de begroting en in 2010 is dat percentage opgelopen tot 34 procent. Bij dit alles moet je bovendien nog bedenken dat ik nog niet eens het meest sombere scenario schets. Als de reele inkomensgroei lager uitvalt dan de veronderstelde 2,75 procent, en dat is niet onwaarschijnlijk, of als de rente hoger mocht blijken te liggen dan acht procent, ziet het geheel er nog minder rooskleurig uit.

Het is dan ook volkomen terecht dat het kabinet erop hamert dat het financieringstekort in de komende jaren drastisch omlaag moet. Om te verhinderen dat de staatsschuldquote steeds maar blijft toenemen zou het tekort geen vijf procent maar maximaal 3,5 procent mogen zijn. Daarvoor is heel wat meer nodig dan bij voorbeeld het verminderen van een aantal subsidies met een procent of het sneller innen van de winstbelasting bij bedrijven. Degenenen die bezuinigingsmoe zijn, moeten wel beseffen hoe Nederland er voor komt te staan als we het ministerie van Staatsschuld verder laten uitdijen.

    • Jan Pleus