Kunstenaar maakt ontwerp spiraalvormige grafheuvel; Begravenin bebouwde kom

'Het is opvallend hoeveel straatnamen er in de Utrechtse binnenstad verwijzen naar een kerkhof, zoals Janskerkhof, Pieterskerkhof. Toch is er in het centrum geen begraafplaats meer te bekennen.'

Beeldend kunstenaar Marius Boender (1948) vindt het niet gezond dat wij onze doden tegenwoordig ver buiten de bebouwde kom begraven. Daarom ontwierp hij een spiraalvormige grafheuvel die in de stad zou moeten verrijzen. Zou moeten, want zijn Pietras is een 'imaginair project', net als de veertien andere kunstwerken die de gemeente Utrecht eerder dit jaar liet maken. 'Vroeger was de dood onder de mensen. Kerk en begraafplaats stonden midden in de stad', zegt de kunstenaar in zijn atelier in Breda. Hij zet de kartonnen bouwplaat van zijn Pietras overeind. 'Ze stonden voor de wieg en voor het graf, twee uitersten in het leven. Daar werd je als inwoner elke dag terloops een paar keer aan herinnerd. Dat hoorde bij je cultuurgoed, je wist niet beter.'

Wij hebben de doden echter uit ons leven gebannen, vindt Boender. We stoppen ze weg, niet alleen hygienische overwegingen, maar ook om er zo min mogelijk langs te hoeven komen. Rouwrituelen zijn gedegradeerd tot hap-snap-verdriet dat ten hoogste twee weken mag duren. Niet zeuren, het leven gaat verder. Boender denkt dat het door de secularisatie komt. 'De christelijke rituelen lieten we vallen, maar daar kwam niks voor in de plaats. Psychiaters hebben hun handen nu vol aan onverwerkte sterfgevallen.'

De kunstenaar vermoedt dat mensen weer behoefte hebben aan een 'meditatiepunt' binnen de bebouwde kom. De Pietras laat zich het best omschrijven als een naar binnen draaiende muur van grafzerken. In de windingen van die spiraal ligt het zand waarin kan worden begraven. Een Rotterdamse Paperclip, maar dan voor de doden. De spiraal, die in het begin plat op de grond ligt, moet in het midden sneller worden opgehoogd dan aan de buitenkant. Zo ontstaat na verloop van tijd een toren van 50 meter hoog. 'Een toren', zegt hij peinzend, 'die je moeizaam beklimt en die je lichtvoetig weer afdaalt.'

Door stenen zerken te gebruiken, die voor de stevigheid van de constructie dezelfde maat moeten hebben (75 bij 150 cm), houdt Boender vast aan de bijbelse traditie van de rechtopstaande steen op de berg. Ook gecremeerden vinden op de heuvel een laatste rustplaats. Een eeuwige, want hier hoeft nooit te worden 'geschut'. De kunstenaar geeft zelfs een suggestie voor een betonnen zerk met fossiele friemeltjes erin, die zich in vloeibare staat met de as laat vermengen. Ook voor gietsels met gemalen natuursteen, glasgruis of uitgespaarde kaarsjes houdt hij zich aanbevolen. Hoe origineler de componenten, hoe mooier de muur.

Voorwerpjes

Tot dusver klinkt het redelijk Hollands. Maar Boender weet zijn spiraal tot in de verste culturen kloppend te krijgen. 'Het idee ging volledig met mij op de loop', zegt hij verontschuldigend. Hij wijst op een stapel boeken en knipselmappen die hij over het onderwerp verzamelde. Zo liet hij zich inspireren door Afrikaanse begrafenisrituelen. Hij trekt een la open, vol stenen voorwerpjes en verroeste kettingen, die de leden van de Dogon-stam in Mali hun doden bij de begrafenis meegeven om niet met lege handen in de andere wereld aan te komen. Op zich een bekend gebruik: zo tekenen de Chinezen kartonnen kleuren-tv's en bankbiljetten als echte ontbreken. Boender legt zijn kleinodien behoedzaam terug. 'De Dogon', zo vertelt hij ernstig, 'rouwen in etappes. Ze kennen twee begrafenissen. De eerste is een fysiek afscheid. Er wordt geschreeuwd, er is eten, er zijn cadeaus. Na die chaos begint de rouw. Pas als iedereen aan het echte afscheid toe is, wordt de dode voor de tweede keer begraven. Symbolisch. Het kan weken, soms maanden duren voor het zover is. Maar dan ben je er wel overheen.' Die tweeledigheid zit ook in de grafheuvel: je ziet elke steen twee keer. Een keer van de binnenkant, direct na de begrafenis. En na een jaar of tien word je er nog eens mee geconfronteerd, van de andere kant, als de volgende ring van de spiraal op hoogte komt. Bij een 'gematigd' tempo van een begrafenis per dag, zo rekende de kunstenaar alvast uit, staan de meeste stenen vijftig jaar aan het daglicht bloot. Ook dit tijdvak weet hij moeiteloos te schragen: vierden de joden niet om de halve eeuw het jubeljaar om op alle fronten schoon schip te maken? Ligt de ideale levenscyclus van de Dogon niet ook rond de vijftig jaar? Dat Boender in een ander boek de tempel van de Azteekse god Quetzalcouatl tegenkwam, kon geen toeval meer zijn: die placht iedere 52 jaar met een nieuwe mantel op aarde terug te komen. Boender was er zelf beduusd van.

Fluistert: 'Weet je hoe? In de gedaante van een opgerolde slang. De spiraalvorm!' In historische monumenten trof hij die vorm, hoe hard hij ook zocht, slechts eenmaal aan: in de minaret van Samarra in Irak. 'En dan ook nog eens rechtsdraaiend', verzucht de kunstenaar, die ervan overtuigd is dat de natuur daar een voorkeur voor heeft. Overbodig te zeggen dat zijn Pietras die kant op draait. 'En over natuur gesproken, spiraalvormige bouwsels hebben de eigenschap dat ze de wind naar boven afvoeren. Zo zou het op de grafheuvel windstil zijn.' Een uiterst prettige bijkomstigheid, zeker. Toch ging de gemeente Utrecht er niet voor door de knieen. Zij heeft andere bestemmingen voor de plek waarop Boender zijn heuvel het liefst zou zien: het door gif en politieke ruzies versukkelde Griftpark. De kunstenaar vindt het niet zo erg. 'Ik hoop dat een andere stad hem wil hebben. Maar dan moet hij wel Pietras heten. Want 'De Toren van Boender', dat lijkt mij een verschrikking.' De Pietras: een naar binnen draaiende muur van grafzerken