De historicus als copywriter

Francis Fukuyama, auteur van het essay Het einde van de geschiedenis? waarmee de geschiedenis hem het vorig jaar op zijn wenken heeft bediend, heeft voor de tweede keer zijn kritici geantwoord. Met 'het einde van de geschiedenis' bedoelt hij zeer in het kort en ongeveer dat de strijd tussen de ideologieen aan het einde van deze eeuw voorgoed is beslecht in het voordeel van de liberale democratie. In zijn eigen woorden: 'De val van de Berlijnse Muur en de omverwerping van het communisme door de volken van Oost-Europa bevestigen slechts mijn visie dat de liberale democratie de enig overgebleven legitieme ideologie ter wereld is'.

(Ik gebruik de vertaling van Martin Sommer, verschenen in de Volkskrant van 8 september). Fukuyama beklaagt zich. Nadat het Amerikaanse tijdschrift The National Interest vorig jaar met enige ophef zijn essay had gepubliceerd, is de hele wetenschappelijke politiek-journalistieke wereld over hem heen gevallen. Schrijver dezes heeft er nog een kiezelsteentje toe bijgedragen. De Amerikaan voelt zich verkeerd begrepen; hij vergelijkt zich met Jean-Jacques Rousseau die tegen het einde van zijn leven zelfs zo leed onder het wanbegrip dat hij zich het slachtoffer van een algemene samenzwering ging voelen. Galilei was ook een goed voorbeeld geweest. Maar het is voorbarig. Hij is wereldberoemd en de bewijzen voor zijn theorie worden van overal pasklaar geleverd zolang we natuurlijk denken dat de theorie goed is.

Afgezien van de vraag of Fukuyama het bij het rechte eind heeft, moeten we toegeven dat het in ieder geval een verfrissing is, weer eens iemand te zien optreden met een alomvattende greep op de ontwikkeling van de westerse politieke beschaving. George Orwell heeft het gedaan met zijn 1984, J. J. Servan Schreiber heeft eens een aanloop genomen met Le defi americain, op een eigenaardige manier is de Club van Rome op dit terrein werkzaam geweest en Amalrik heeft er met zijn Haalt de Sovjet Unie 1984 toe bijgedragen. Wie een nieuw idee heeft en daaruit een aanvaardbare theorie weet te ontwikkelen die bovendien uitdaagt tot tegenspraak, heeft nieuws veroorzaakt, mits hij er de formulering bij vindt die even verrassend is als het idee zelf. Met zijn formulering is Fukuyama op het nippertje. Daniel Bell heeft zich al gevestigd met Het einde van de ideologie, waarna er niet veel anders kon worden afgekondigd dan het einde van de geschiedenis. Was hij even bekend geworden als hij zijn essay De triomf van het westers liberalisme had genoemd, of Over de superioriteit van de liberale democratie? In ieder geval is hierna een ware inflatie in einden losgebroken. Het doet denken aan een jaar of zes geleden toen de titel van Amalriks essay op een dergelijke manier school maakte. De historicus en de politieke essayist zijn hun eigen copywriter, en hoe beter ze in die hoedanigheid zijn, des te talrijker de plagiators.

Fukuyama heeft nog meer dat hem als essayist aantrekkelijk maakt. Behalve de grote greep bevat zijn redenering een zekere wetmatigheid. Wat zich na 'het einde van de geschiedenis' nog aan conflicten ontwikkelt, heeft andere kenmerken, hoort tot een andere categorie. Liberale democratieen vallen elkaar in het algemeen niet aan, constateert hij. In de Golf 'is men in feite bezig, een troep zestiende-eeuwse condottieri af te zetten om het rijk van een veertiende eeuwse kerkelijke familie te beschermen'.

Het klinkt verhelderend. 'Als Irak en Koeweit moderne samenlevingen waren geweest met moderne democratische instellingen, dan zou de invasie waarschijnlijk nooit hebben plaatsgevonden'. Ook dat hoort tot een goede theorie: het is altijd een soort hocuspocus met de hoge hoed. Wat men er heeft ingestopt, komt er vanzelf weer uit mits men de truc kent. Een theorie is ook een systeem van trucs.

Tenslotte heeft Fukuyama, zoals dat een theoreticus past, zijn eigen terminologie ontwikkeld. De wereld wordt bij hem niet meer verdeeld in Oost en West of Noord en Zuid, maar historisch en post-historisch. Door deze verdeling kunnen we de conflicten volgens nieuwe maatstaven, overzichtelijker definieren. Aan het einde van al die conflicten gloort datgene wat aan het begin is beloofd: de triomf van de liberale democratie en de vrije markt.

Een verdienste vam Fukuyama staat in ieder geval vast: hij prikkelt, en nadat hij zich een beetje zelfbeklag heeft veroorloofd, laat hij zien dat hij in de zondvloed van tegenspraak niet is verdronken.

Het kan haast niet anders of voortgaande kritiek zal hem ertoe willen brengen, zich nader over de innerlijke kracht van de liberale democratieen te verklaren. Wat zal hij ervan denken dat in de liberale democratieen langzaam maar zeker een onderklasse van permanent werklozen, analfabeten en half-alfabeten groeit? Is het niet in tegenstelling met de door hem gepropageerde beginselen van vrijheid en gelijkheid dat zich aan de bovenkant van de liberale democratieen een elite ontwikkelt, een politiek-economische bovenkaste die het beleid bepaalt zonder dat de onderkaste en een groot deel van de rest daarop nog een aanwijsbare invloed heeft? Deze ontwikkeling voltrekt zich nu overal in het geindustrialiseerde Westen. Het proces zal worden versneld, juist door het succes van de liberale democratie zoals dat door Fukuyama wordt beschreven. Hij voorziet zelf grootscheepse migratie. Zullen al die min of meer voorspelbare veranderingen bijelkaar niet een historisch loden gewicht op het post-historisch tijdvak leggen waardoor het zal eindigen voor het goed en wel is begonnen?

    • H. J. A. Hofland