Beproefde formule van de Filmdagen

UTRECHT, 19 sept. In 1981, toen het optimisme over de bloei van een Nederlandse filmcultuur nog geen grenzen kende, organiseerden filmmaker Jos Stelling en een handvol enthousiaste vrijwilligers voor het eerst een kleinschalig evenement met de weidse benaming Nederlandse Filmdagen.

Het doel was niet alleen collectieve promotie onder meer door de uitreiking van Gouden Kalveren voor de beste films van het afgelopen jaar maar vooral het creeren van 'een ontmoetingsplek' voor makers en publiek en een platform voor het vertonen van korte films en documentaires, het ondergeschoven kindje van de nationale produktie.

De Nederlandse Filmdagen dijden elk jaar een beetje verder uit en vieren vanaf morgen de tiende editie met een programma van recordomvang in vier theaters met elf doeken. Tegelijkertijd stagneerde de kwalitatieve en kwantitatieve groei van met name de speelfilmproduktie gedurende het laatste decennium. De discrepantie tussen de groei van het festival en de economische en artistieke problemen van de Nederlandse speelfilm was misschien wel de belangrijkste oorzaak van de vorig jaar uitgebroken crisis. Het toenmalige bestuur onder aanvoering van Wim Verstappen en Matthijs van Heyningen moest aftreden na een ongelukkig verlopen directeursbenoeming. Beiden hadden echter ook plannen om de Nederlandse Filmdagen te transformeren tot een internationaal georienteerd, Europees festival. Vooral oprichter Jos Stelling had het daar moeilijk mee en wist het nieuwe bestuur onder voorzitterschap van Rinus Haks weer op het spoor te krijgen van de nadruk op de normaliter moeilijk vertoonbare films van eigen bodem.

De oude succesformule is dus ongewijzigd gebleven: een scheutje glamour op het slotgala, veel talkshows, forumdiscussies en dorpsruzies, en een niet aflatende stroom van animatiewerk, documentaires, opdrachtfilms en experimentele produkties die in de festivalcontext ineens wel een publiek weten te bereiken. De kracht van de programmering ligt vooral in de stringente eis dat elke film iets met Nederland te maken moet hebben, al is het maar omdat een Nederlandse cameraman of actrice eraan heeft meegewerkt. Ongeacht de kwaliteit heeft elke Nederlandse film een meerwaarde, omdat er een stukje Nederlandse cultuur en samenleving mee wordt gedocumenteerd.

Wie nu bij voorbeeld in het aan Willeke van Ammelrooy gewijde retrospectief een speelfilm uit de jaren zeventig bekijkt, bijvoorbeeld Het jaar van de kreeft of Mijn nachten met Susan, Olga, Albert, Julie, Piet en Sandra, zal misschien niet achterover vallen van de filmische kwaliteiten, maar wel ademloos noteren hoe Nederland veranderd is: mode, haardracht, woninginrichting, taalgebruik, de topografie van de Amsterdamse binnenstad worden voor de eeuwigheid vastgelegd in speelfilms die zo onbedoeld een historische en amusementsfunctie vervullen.

Dat betekent nog niet dat het oeuvre van Willeke van Ammelrooy, de eerste naoorlogse Nederlandse filmster, geen andere waarde zou vertegenwoordigen. Er valt moeilijk een Nederlandse acteur of actrice te bedenken met een zo gevarieerde en interessante filmografie: van een debuut in Joris Ivens' documentaire Rotterdam Europoort (1966), via de doorbraak met Fons Rademakers' Mira, naar curiosa als een reeks pornofilms in Frankrijk van Jean-Marie Pallardy en rollen in Raul Ruiz' Het dak van de walvis en Egardo Cozarinsky's Volle Zee. Die laatste film uit 1983 beleeft zelfs een onverwachte wereldpremiere, op video, in Utrecht: de in Frankrijk wonende Argentijn Cozarinsky nam de fantasie over een Zwitserse verzekeringsagent (Andrzej Seweryn) en diens obsessie voor de vrouwelijke kapitein van een spookschip in de haven van Rotterdam, maar om de een of andere reden hebben de Nederlandse producenten Kees Kasander en Monica Galer het eindresultaat nooit eerder willen vertonen, zodat Volle Zee zelf een soort spookfilm werd.

Een keer kruiste het pad van Van Ammelrooy dat van Frans Zwartjes, het andere object van een retrospectief tijdens de Filmdagen, als hoofdrolspeelster van It's Me (1976). Zwartjes maakte drie andere lange speelfilms, maar werd in de jaren zestig vooral beroemd door een reeks soms schandaalverwekkende underground-films, eigenlijk meer home movies met zijn vrouw Trix en favoriete diva Moniek Toebosch. Dit retrospectief is een ideale gelegenheid voor nieuwe generaties om ermee kennis te maken. Ook de groep van filmers die op de Haagse Vrije Academie 'Psychopolis' onder invloed van Zwartjes stond, krijgt tijdens de Filmdagen eindelijk eens systematisch aandacht. Van die zogenaamde 'Haagse school', in het laatste nummer van Skrien 'de alchemisten' gedoopt, lijkt Paul de Nooijer de grootste kans te maken op bredere erkenning. De Nooijers experimenten met fotografie, animatietechnieken en film zijn geestige zelfportretten (al poseert zijn broer Menno vaak voor de camera), vol provocerende en relativerende uitspraken over het medium. Ze culmineerden in een voorlopig meesterwerk, A Fortified City, waarin 'statements' van regisseurs als Atom Egoyan, Patricia Rozema en Pierre Hebert op speelse wijze verbeeld en in stukjes gehakt worden.

De Nederlandse Filmdagen; van 20 t/m 28/9 in vier Utrechtse bioscopen.

    • Hans Beerekamp