Zelf antieke potten bakken

De notie dat klei in de buurt van vuur hard wordt, zal al wel langer hebben bestaan, maar rond 7000 voor Christus verscheen in het Nabije Oosten het eerste werkelijke aardewerk, waarschijnlijk door stammen in de 'Vruchtbare Halve Maan' die hun mobiele leven van jagen en verzamelen inruilden voor een sedentair boerend bestaan.

Aardewerk verspreidde zich in twee millennia over het gehele Nabije Oosten, het Mediterrane gebied en Midden- en Noord-West Europa. Het werd een alomtegenwoordig, dagelijks gebruiksgoed, het als grafgift bijgezet en waarin ook de as van doden werd begraven.

Omdat aardewerk goed bewaard blijft, is het zo'n beetje de grootste archeologische vondstcategorie geworden. Systematische bestudering begon in het begin van deze eeuw toen onderzoekers hun schatgraversneigingen aflegden en de archeologie zich als serieuze wetenschap ontwikkelde. Sindsdien zijn er voor veel soorten aardewerk min of meer complete catalogi ontwikkeld waarin classificaties naar uiterlijk staan vermeld, verspreidingsgebieden en dateringen. Daarmee is het in principe een koud kunstje het merendeel van gevonden potten en scherven te identificeren.

Nog niet zo lang geleden was deze identificatie de standaardbehandeling van opgegraven aardewerk en in een nog smallere beschouwing werden scherven soms tot niet meer dan 'gidsfossielen' voor de lagen waarin men ze aantrof. Mooie en makkelijk te restaureren potten kwamen in museumvitrines terecht en de rest verdween in depots of archieven om vervolgens door iedereen te worden vergeten. Er bestond wel wat onvrede over deze gang van zaken, maar daarbij bleef het.

Pioniers

Begin jaren zestig bracht een initiatief van prof. dr. H. J. Franken verandering in deze situatie. Hij was verbonden aan de vakgroep Palestijnse Oudheden van de Rijksuniversiteit Leiden en bezig met opgravingen op de Tell (ruine-heuvel) Deir Alla te Jordanie. Franken wilde niet langer genoegen nemen met alleen typering en datering van het aardewerk, maar hij besefte ook dat wat hij nog meer wilde weten buiten de competentie van de archeologie lag.

Hij zocht contact met de professionele pottenbakker J. Kalsbeek en samen begonnen ze een onderzoek, waarin drie vragen centraal stonden: Welke grondstoffen werden voor het aardewerk gebruikt? Hoe werd het vervaardigd? Waarom werd dat zo gedaan? Franken en Kalsbeek haalden met deze benadering voor het eerst de mensen achter de scherven, de makers en gebruikers op de voorgrond. De resultaten die ze met hun inspanningen boekten, trokken de aandacht van collega's en leverden tal van verzoeken om hulp op zowel uit binnen- als uit buitenland. Verdere ontwikkeling van methoden en groei van het aantal opdrachten rechtvaardigden in 1980 de oprichting van het 'zelfstandige' Instituut voor Aardewerktechnologie (Department of Pottery Technology). Het IAT wordt op dit ogenblik bemand door twee archeologen, een keramicus, een laborant en een tekenaar. Franken is inmiddels met emeritaat maar nog wel actief. Met co-auteur L. M. Steiner publiceerde hij onlangs: 'Excavations in Jeruzalem 1961-1967'. Hij is als directeur van het IAT opgevolgd door dr. A. van As. Pottenbakker J. Kalsbeek is met pensioen en zijn werk wordt voortgezet door L. Jacobs. Aardewerktechnologie is inmiddels in de studie archeologie een verplicht vak.

Kleimonsters

Van As: ' Om erachter te komen waarvan het aardewerk is gemaakt, offeren we een scherf of een deel daarvan op en proberen de samenstelling te achterhalen. Als de mogelijkheid bestaat nemen we kleimonsters in de buurt van de vindplaats en vergelijken de samenstelling met die van het aardewerk. Zo kun je uitzoeken of en welke grondstoffen er aan de klei werden toegevoegd en krijg je eventueel ook een eerste aanwijzing over de herkomst: is het locaal fabricaat of import? Je moet dan nog wel met zaken als bakprocede, gebruik en verblijf in de grond rekening houden. Analyseren kun je optisch door slijpplaatjes onder de microscoop te leggen. Maar de laatste jaren, als het nodig is, ook met geavanceerde natuurwetenschappelijke technieken.'

Experimenten

Onderzoek naar fabricagesporen op het aardewerk geeft een deel van het antwoord op de vraag hoe het werd gemaakt. Of er mallen werden gebruikt, of de pot uit de losse hand werd gevormd of werd gedraaid op een pottenbakkersschijf, voor het geoefende oog is dat allemaal aan de buitenkant te herkennen. De rest van het antwoord moet komen uit experimenteel onderzoek met de grondstoffen.

Van As: ' De keramicus Jacobs is hierbij de sleutelfiguur. Los van de archeologie moet hij laten zien wat je met die en die grondstoffen in relatie tot de beoogde functie kunt doen en ook hoe dat dient te gebeuren.' In dit verband wordt een hele serie experimenten afgewerkt met klei en toevoegingen. Het gaat daarbij om de precieze meting van de effecten van die toevoegingen. Om een aantal redenen werden organische of minerale stoffen door de klei gemengd. Dat deed men om de stevigheid te verhogen van grote objecten die anders bij de vorming al onder hun eigen gewicht in elkaar zouden zakken, om de krimp bij drogen en bakken te verminderen, om barsten te voorkomen, om de pot of kruik poreus te maken zodat de inhoud door verdamping koeler bleef, of om de pot voor gebruik op het vuur geschikt te maken. En de klei bestemd voor waterkruiken kreeg soms zelfs een bepaalde samenstelling om de kwaliteit van de inhoud te verbeteren.

Verder onderzoekt Jacobs soorten klei op verwerkbaarheid; ook de kleimonsters waar hierboven sprake van was. Hij maakt aardewerkprodukten na via veronderstelde werkwijzen en met identieke of vergelijkbare grondstoffen (verificatie-experimenten) en probeert technieken van versiering en kleuring te achterhalen.

Van As: ' Het gaat hier dus ook heel duidelijk om de relatie tussen het hoe van de produktie en de functie die het aardewerk moest gaan vervullen. Maar bij alles blijft het ambachtelijke aspect vooropstaan. Dus doen we wel uitspraken over de techniek van decoreren, maar we laten het esthetische aspect of de betekenis van de versiering buiten beschouwing. Dat is aan de archeoloog.'

Etno-archeologie

Etno-archeologie is de derde onderzoeksmethode die het IAT hanteert. Nog bestaande traditionele pottenbakkersactiviteiten worden bestudeerd. Daarbij komt ook de wisselwerking aan bod van factoren die op het produktieproces van invloed zijn: de beschikbaarheid van grondstoffen, lokale behoeften, handel, introductie van nieuwe werkwijzen, enzovoorts.

Van As: ' De etno-archeologie is nog maar net de kinderschoenen ontgroeid. Het probleem is natuurlijk altijd de vertaling van dat wat je nu ziet naar het verleden. In hoeverre is zoiets analoog, biedt het een verklaringsmodel. Maar evengoed heeft deze methode ons al een goed inzicht gegeven in de vervaardiging van aardewerk in traditionele settingen.' Mevrouw dr. M. B. Annis doet onderzoek bij pottenbakkers op Sardinie. Haast moet worden gemaakt met de verzameling van gegevens, want pottenbakkers die nog traditioneel werken en in de behoefte van dorp of streek voorzien zijn ook op dit eiland in snel tempo aan het verdwijnen. Annis, zelf afkomstig van Sardinie, kan haar werkterrein in de tijd terugleggen tot de twintiger jaren. Tot zover gaat de herinnering van nog levende pottenbakkers direct of indirect terug.

Irak

Een groot project is de opbouw van een corpus (catalogus) Mesopotamisch aardewerk uit het tweede millennium voor Christus, een samenwerkingsverband met de Belgian Archaeological Expedition to Iraq, de universiteit van Munchen en het Oriental Institute te Chicago. Deze instellingen verrichten archeologisch onderzoek in Irak. Het resultaat moet het eerste volledige corpus zijn waarbinnen de classificatie is gebaseerd op vorm en uiterlijk, en op het technische aspect.

Van As: ' Maar hoe het nu verder moet met het archeologische onderzoek in Irak? Wie zal het zeggen? Ik weet ook niet of er archeologen werkten toen het begon. Een Zwitserse collega die ik onlangs sprak, Gasche, meende dat er een paar Engelse onderzoekers bezig waren. Ikzelf zou volgend voorjaar weer naar Irak gaan, maar die afspraak heb ik maar van mijn agenda geschrapt.'

Ceramotheek

Een kleiner project is de zogenaamde ceramotheek. In samenwerking met de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel wordt de verzameling aardewerk van Franken aangevuld en omgevormd tot een toegankelijke studiecollectie.

Instrumentarium en methoden dienen echter niet alleen de wetenschappelijke projecten van het IAT zelf. Ze worden ook als dienstverlening aangeboden en ingezet. Te Ilipinar in Turkije bijvoorbeeld waar Roodenburg, direkteur van het Nederlands Historisch en Archeologisch Instituut van Istanboel, onderzoek verricht naar de verspreiding van de neolithische kenmerken: aardewerk en boerenbedrijf, in de richting van Europa. Of in Tell Hamman et-Turkman, Syrie. Hier vonden Van Loon (Universiteit van Amsterdam) en Meijer (Rijksuniversiteit Leiden) kleitabletten. Bakken is de beste manier om deze tabletten te conserveren, maar ze konden en mochten niet worden vervoerd. Dus moest dat in het veld gebeuren... waar geen oven voorhanden was. Jacobs reisde af met alleen wat eenvoudige meet- en regelapparatuur in zijn bagage. Hij bouwde ter plekke een veldoven van tichels, blokken gedroogde klei, en gebruikte voor het bakken butaangas, dat overal in Syrie te koop is.

Het accent van onderzoek ligt op het Mediterrane gebied en het Nabije Oosten. Van As: ' Dat is historisch zo gegroeid. Het instituut is ook voortgekomen uit de afdeling Palestijnse Oudheden. En onze opleidingen zitten in dezelfde hoek. Mevrouw Annis is klassiek archeologe en ik ben als prehistoricus op het Nabije Oosten gespecialiseerd. Wat allemaal niet wil zeggen dat we niet op verzoeken om hulp uit eigen land, of ergens anders vandaan, zouden ingaan.' Wat zijn de bijdragen van de aardewerktechnologie? Enkele voorbeelden. Veel archeologen menen dat de herkomst van aardewerk simpelweg kan worden vastgesteld door een vergelijking van zijn minerale samenstelling met de geologie van mogelijke oorsprongsgebieden. Maar de 'oude pottenbakkers' blijken zeer kieskeurig te zijn geweest bij het samenstellen van de klei waarmee werd gewerkt. Ook hebben ze in hun omgeving schaarse of zelfs geimporteerde grondstoffen en toevoegingen gebruikt om redenen die met vorm of functie samenhingen. Daarnaast is ontdekt dat het bakken de karakteristieken van sommige mineralen zodanig verandert dat ze bij analyse niet meer herkenbaar zijn. En tenslotte kunnen er veranderingen in de samenstelling van aardewerk optreden door het gebruik en door het (langdurige) verblijf in de bodem. Het doen van uitspraken die zijn gebaseerd op vergelijkingen van gemiddelde samenstellingen is dus riskant.