Wetsontwerp bodemsanering in strijd met rechtsstaat

Begin februari van dit jaar wees de Hoge Raad zijn eerste arrest in de procedures van de staat tegen bedrijven voor verhaal van kosten van bodemsanering. In door het ministerie van VROM uitgegeven persberichten toonde de Staat zich toen bijzonder opgetogen over dit arrest. De positie van de staat zou daardoor een stuk sterker zijn geworden. Veel juristen menen echter dat dit niet het geval is.

Ook ik heb daarover geschreven, in deze krant op 20 februari 1990 onder de kop: Staat verliest slag om bodemsanering.

Inmiddels is de staat kennelijk tot bezinning gekomen. Verontrust over de juridische gevolgen van dit arrest, heeft de staat in mei een wetsvoorstel ingediend waarbij de uitspraak van de Hoge Raad om zeep wordt geholpen. Deze indiening heeft nogal tersluiks plaatsgehad en ook is daar geen advies van de Raad van State over gevraagd.

Het arrest bepaalde, dat het voor het slagen van een actie tot verhaal van de kosten van bodemsanering noodzakelijk is dat het vervuilen van de bodem op het moment van de handeling onrechtmatig was tegenover de staat. Daarvan zou volgens de Hoge Raad pas sprake zijn als de overheid zich destijds met de sanering van de vervuilde bodem bezighield, of duidelijk was dat dit zou gaan gebeuren. Dit is het zogenoemde relativiteitsvereiste.

Een belangrijk argument om tot dit oordeel te komen, was voor de Hoge Raad gelegen in de rechtszekerheid. Wie vandaag bepaalde handelingen verricht, moet ervan uit kunnen gaan dat deze, ook veel later, op hun rechtmatigheid worden beoordeeld naar de normen van dit moment.

Het ernstige bezwaar tegen het nu ingediende wetsvoorstel is dat het een eis voor aansprakelijkheid terzijde wil stellen met werking in het verleden, zelfs in zaken waarin al gerechtelijke procedures lopen. Dit terwijl algemeen is aanvaard dat aansprakelijkheid alleen met werking voor de toekomst kan worden uitgebreid. De reden daarvan ligt voor de hand: niemand mag achteraf met een aansprakelijkheid worden belast, waarmee hij op het moment van handelen geen rekening hoefde te houden.

Het is bedenkelijk dat de staat dit beginsel met voeten wenst te treden. Een al even bedenkelijke kant van deze zaak is de dubbelrol die de staat hier speelt, namelijk die van procespartij en mede-wetgever. Over niet al te lange tijd komt deze zaak in de Tweede Kamer aan de orde. Het is te hopen dat de volksvertegenwoordigers hun verantwoordelijkheid tegenover de rechtsstaat beter kennen. Zij zouden de betrokken wetsbepaling zonder meer moeten verwerpen.

    • G. J. Niezen