Viskweek in Noordzee biedt perspectief vooral voorkabeljauw

Het kweken van zeevis en schelpdieren in grote kooien of op rekken biedt perspectief om vangstbeperkingen te ontduiken en de handel van een constante aanvoer te verzekeren. Dat blijkt uit een haalbaarheidsstudie van het TNO Laboratorium voor Marien Onderzoek in Den Helder.

Elf jaar geleden werden de kansen van viskweek voor de Nederlandse kust in een studie van het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek (RIVO) laag ingeschat. Maar sindsdien zijn de omstandigheden drastisch veranderd, door de toegenomen vangstbeperkingen en de sanering van de vissersvloot enerzijds en de ontwikkeling van nieuwe kweektechnieken anderszijds.

TNO richtte het onderzoek op vier vissoorten waar een 'brede, stabiele' markt voor bestaat en die geschikt zijn voor industriele verwerking, namelijk kabeljauw, tarbot, tong en heilbot. Zalm werd buiten beschouwing gelaten omdat die in Noorwegen al overvloedig wordt gekweekt.

Heilbot viel al snel af. Deze soort heeft koud water nodig, groeit langzaam, heeft een lage voedselconversie en is gevoelig voor ziekten. Ook tong blijkt ziektegevoelig, bovendien blijkt deze vis een zeer kieskeurige eter te zijn, waarvoor speciale voedseldieren moeten worden gekweekt, hetgeen de nodige expertise vereist. Verder verlangt deze vis een zandbodem, dat wil zeggen, kweek in kostbare bassins in plaats van in goedkope draadkooien. Tarbot heeft warm water nodig en de opkomende tarbot cultuur in Spanje zet de prijzen onder druk. Blijft over de kabeljauw.

Voor kabeljauw lijken de perspectieve zowel in biologisch, economisch als technisch opzicht gunstig. Een jonge kabeljauw van 200 gram kan in jaar tijd een gewicht van drie en in drie jaar tijd zelfs van 15 kilo halen. Het voedselgedrag is opportunistisch, de voedselconversie hoog en de ziektegevoeligheid laag. Een bedrijf met tien kooien van elk 25 bij 25 meter groot en 15 meter diep zou zo'n 3000 ton kabeljauw per jaar kunnen produceren.

De pootvisjes, die nu nog uit Noorwegen moeten komen, zouden in plastic zakken in het water kunnen worden gekweekt. Als afval uit de visverwerkende industrie wordt gebruikt, kan de kweekprijs omlaag van 3 gulden naar f1.50 per kilo gekweekte kabeljauw. Van de schelpdieren zijn zowel kokkels als mosselen onderzocht. Kokkels zouden volgens TNO in een jaar tijd de gewenste consumptiegrootte kunnen bereiken. Onder natuurlijke omstandigheden duurt dat twee jaar en bovendien sterven veel dieren in de winter af. Daar staat tegenover, dat de kokkels in kostbare bassins gekweekt moeten worden en met speciaal gekweekte algen gevoerd. Daarom lijkt het voorlopig niet haalbaar. Mosselen, die nu in Zeeland al tamelijk extensief op mosselbanken worden gekweekt, kunnen een hogere produktie bereiken door kweek op rekken. In het heldere, turbulente Noordzeewater zouden ze binnen twee jaar (in plaats van drie tot vier jaar) consumptierijp zijn. Bovendien is het verwateren (uitspoelen van het opgenomen zand, een arbeidsintensief karweitje) in de Noordzee niet nodig.

Voordat met kabeljauwkweek kan worden begonnen is in ieder geval vergunning nodig van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. (TNO-Toegepaste Wetenschap, september 1990)