Verdeeldheid over opzet van instituut voor vormgeving

ROTTERDAM, 18 sept. Het plan van het ministerie van WVC voor een nieuw op te richten instituut voor vormgeving wordt met terughoudendheid ontvangen. Vorige week stuurde minister d'Ancona (WVC) een nota naar de Raad voor de Kunst en naar de Tweede Kamer, waarin zij pleitte voor zo'n instituut. Dit zou zich moeten bezighouden met documentatie, tentoonstellingen en publicaties over vormgeving in Nederland. Vooral over de voorgestelde deelname van het ministerie van economische zaken (EZ) heerst echter verdeeldheid; het 'beroepsveld' vindt het verontrustend dat de twee ministeries over de financiering nog geen overeenstemming hebben bereikt. In de nota wordt gesteld dat EZ evenals WVC een bedrag van omstreeks 1,4 miljoen gulden zou moeten bijdragen. De Bond van Nederlandse Ontwerpers (BNO) is volgens directeur Rob Huisman bereid deel uit te maken van een nieuw instituut. 'De tijd is er rijp voor, ook met een EZ-poot. Maar er mag bij de oprichting niet te veel tijd en geloofwaardigheid verloren gaan met zoeken naar een taakverdeling. Subsidie uitsluitend door WVC zou een te wankele basis zijn. Bovendien zou dat een deel van onze leden niet aanspreken, want je hoeft dan niet te verwachten dat het belang van de promotie richting bedrijfsleven daarin groot zal zijn.' De Stichting Dutch Form is volgens voorzitter Reinier Sinaasappel blij met het verschijnen van de nota, 'al was het omdat de Raad voor de Kunst pas dan over de subsidieaanvraag van Dutch Form wil adviseren'.

Dutch Form organiseert sinds anderhalf jaar met incidentele subsidies van diverse ministeries internationale manifestaties om de markt voor en de bekendheid van vrije vormgevingsprodukten uit Nederland te vergroten. Dutch Form wil graag deel uitmaken van het nieuwe instituut, maar, zegt Sinaasappel, 'het zal niet eenvoudig zijn alle partijen op een lijn te krijgen. De ondersteuning van Economische Zaken is daarvoor van groot belang.' Hoofdredacteur Hester Wolters van het vormgevingstijdschrift Items daarentegen ziet liever een duidelijke scheiding tussen cultuur en economie bij het oprichten van een nieuw instituut. 'Na alle echecs die er in Nederland met deze constructie zijn geweest zou ik zeggen: scheidt ze maar. WVC vertegenwoordigt de vormgever en EZ de industrie. Als je de een bedient, bedien je de ander niet.' 'Persoonlijk vind ik dat zo'n instituut veel kleiner zou moeten beginnen. De overheid moet niet een meteen een waterhoofd maken waar toch geen goeie mensen voor te vinden zijn. Later kun je nog altijd zien hoe je het wilt uitbreiden.' Het instituut zou tentoonstellingen aan musea moeten overlaten, vindt Wolters. 'Er is vooral behoefte aan een goed documentatiecentrum waar opdrachtgevers en ontwerpers met elkaar in contact worden gebracht. WVC moet een eigen instituut oprichten dat er echt voor de vormgevers is. Economische Zaken en Onderwijs kunnen een meer commercieel ingesteld instituut verbinden aan het European Design Centre in Eindhoven, dat een tweede fase-opleiding voor industriele vormgeving moet worden.' Het European Design Centre moet volgens initiatiefnemer Jan Lucassen een tweede fase-opleiding combineren met een 'kenniscentrum' op het gebied van het industrieel ontwerpen (materialen, milieuconsequenties, computer-aided design) en contract research voor het bedrijfsleven. Het voorstel hiertoe is voorgelegd aan de ministeries van onderwijs en EZ; Lucassen hoopt dat het Centre volgend jaar kan beginnen. Evenals Hester Wolters ziet hij meer in twee aparte instituten, eventueel met een overkoepelende stichting, waarbij het marktgerichte onderdeel op termijn kostendekkend kan werken. 'Met het afdwingen van een samenwerking tussen WVC en EZ wordt het inhoudelijke en financiele faillissement van het nieuwe instituut al voorbereid. Het uitgangspunt van het ministerie van economische zaken, is juist: deelname, liefst voor vijftig procent, van het bedrijfsleven en geen structurele subsidies.'

'Helaas herhaalt de geschiedenis zich, ' zegt Lucassen. 'Er is in Nederland al vaker geprobeerd het onverenigbare te verenigen en dat is nooit gelukt. Ik ken ook geen enkel voorbeeld in het buitenland waar het wel lukt om de culturele en de marktgerichte benadering in een instituut te verenigen.'

Volgens Rogier de la Rive Box, oprichter van de thans in staat van ontbinding verkerende Stichting Industrieel Ontwerpen Nederland (ioN) hebben de verschillen in mentaliteit en benadering van de twee ministeries deze stichting de das omgedaan. 'Wij wilden ons helemaal op EZ en het bedrijfsleven baseren, maar WVC wilde juist zelf bij de ioN financieel betrokken zijn om het aspect van de vormgeving tot zijn recht te laten komen. Het industrieel ontwerpen omvat per definitie een culturele en een economische component. In principe moeten dan ook beide ministeries bij een dergelijk instituut betrokken zijn, maar in de praktijk blijkt dat ongelooflijk lastig.' De Raad voor de Kunst zegt pas eind dit jaar commentaar op de nota te kunnen geven.