Nederland in den vreemde

Men zal het zich herinneren: enkele jaren geleden besloot het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur degeen die ooit bedacht heeft die drie bij elkaar te brengen moet in elk geval van cultuur niets begrepen hebben zijn op het buitenland gerichte culturele activiteiten enige jaren op Texas te concentreren. Met veel fanfare werd een Nederlandse tentoonstelling daar geopend door de gouverneur van die Amerikaanse staat, die minister Brinkman begroette als 'the minister of Belgium'. Groot leedvermaak bij al degenen die het hele project toch al krankjorum vonden, en in strijd met het spreekwoord dat wil dat wie het laatst lacht het best lacht, kregen ze ook nog gelijk, want na ongeveer een jaar staakte WVC het project, dat het tegen althans zonder de raad van ministeries die het buitenland beter kennen, was begonnen.

WVC schijnt te excelleren in het staken van kostbare projecten, want onlangs moesten we horen dat, na ongeveer twee jaar, het Engelstalige culturele tijdschrift Dutch Heights, een uitgave van het ministerie, zou ophouden te verschijnen. Ook dat was indertijd onder het hoofdschudden van omstanders van wal gestoken.

Kort tevoren immers had de Nederlands-Vlaamse stichting Ons Erfdeel, dat sinds 1969, respectievelijk 1972 de tijdschriften Ons Erfdeel en Septentrion (revue de culture neerlandaise) uitgeeft, het voorstel gedaan ook een Engelstalig tijdschrift over Nederlandse cultuur uit te geven. De stichting had een onderzoek naar het debiet van zo'n tijdschrift in de Angelsaksische wereld laten verrichten en was tot de conclusie gekomen dat het levensvatbaar zou zijn.

De Vlaamse regering zegde subsidie toe, en ook Buitenlandse Zaken in Den Haag was wel genegen Ons Erfdeel te steunen, maar WVC, dat over veel meer geldmiddelen beschikt dan BZ, zei neen, en dus kwam er niets van het plan van Ons Erfdeel.

Het argument waarop WVC zijn weigering baseerde, was merkwaardig: het gaf de voorkeur aan 'Holland Promotion'. Met andere woorden: de culturele banden met de Vlamingen werden afgesneden, en die met de commercie aangehaald. Het was de tijd dat minister Brinkman sprak van cultuur als 'glijmiddel' voor de export. (Waarschijnlijk had de arme man nog nooit van dat woord gehoord en hadden zijn minder gereformeerde ambtenaren het hem in de mond gelegd.)Nu dit experiment van WVC ook al mislukt is, is er misschien weer een kans voor het oude plan van Ons Erfdeel. WVC zou het weer eens uit de la kunnen halen en het met de onvermoeibare directeur-hoofdredacteur, Jozef Deleu, kunnen bespreken. We mogen aannemen dat de Vlaamse regering en BZ er onveranderd sympathiek tegenover staan.

Natuurlijk zouden de ambtenaren van WVC hun bekende weerzin tegen samenwerking met Vlamingen moeten overwinnen, maar misschien heeft hier minister d'Ancona met de niet door haar uitgesproken rede te Brussel, die nog geheel van deze klein-Hollandse geest vervuld was, onbedoeld katalyserend gewerkt. Die rede heeft zoveel deining veroorzaakt, dat ze wel gedwongen is geweest water in haar wijn te doen. Sindsdien is ze althans opmerkelijk liever tegen de Vlamingen geworden.

Maar sinds WVC het plan van Ons Erfdeel in de kiem smoorde, is de wereld veranderd. Moet de eerste prioriteit nog wel uitgaan naar de uitgave van een Engelstalig tijdschrift? Is voor Nederland en voor Vlaanderen niet Duitsland, dat binnenkort bijna 80 miljoen inwoners zal hebben, veel belangrijker geworden? In elk geval is Duitsland we kunnen dat leuk vinden of niet veel belangrijker voor ons dan Engeland. Bovendien ligt het veel dichter bij ons dan de Verenigde Staten. We zullen er altijd aan blijven grenzen, terwijl het de vraag is hoe lang de belangstelling van de Verenigde Staten voor Europa en dus potentieel voor de Nederlandse cultuur zal blijven bestaan.

Mij lijkt het belangrijker de grote buurman in kennis te stellen van onze identiteit dan de verre vriend, te meer omdat Maarten Mourik, die jarenlang cultureel attache in de Bondsrepubliek is geweest, wordt niet moe ons eraan te herinneren vele Duitsers, in alle onschuld, nog altijd aan Nederland denken als ze eraan denken als aan een afgevallen appel die niet ver van de Duitse stam ligt, en aan onze taal als aan een van de vele Duitse dialecten.

Ten slotte zou voor onze contacten met Oost-Europa een Duitstalig tijdschrift wel eens belangrijker kunnen worden en in sommige landen nu al zijn dan een Engelstalig. Naarmate Duitsland daar, bij verstek van de andere mogendheden, meer de dominerende macht zal worden, zal de betekenis van het Duits als lingua franca toenemen. Nogmaals: we kunnen dat leuk vinden of niet het is een realiteit.

We zijn zo lang gewend aan de Angelsaksische hegemonie in politiek, economie, cultuur en taal, dat het moeilijk voor ons is zich voor te stellen dat daar wel eens verandering in zou kunnen komen of al is gekomen. Prioriteiten echter moeten nooit zo maar uit het verleden afgeleid, maar altijd herzien worden.

    • J. L. Heldring
    • Dezer Dagen