'Na het college is de stof niemand duidelijk en de meestenvolkomen onduidelijk'; Kwaliteitsbeoordeling van onderwijs komt op gang

'Het college wordt als uitermate saai ervaren, is slecht opgebouwd en na afloop is de stof aan niemand echt duidelijk en aan de meesten zelfs volkomen onduidelijk. Een veel gehoorde klacht is dat de literatuur door de docent op het bord wordt gekopieerd. (...) Daarnaast zijn de studenten van mening dat het boek waarmee ze werken kwalitatief lees inhoudelijk onvoldoende is.' ' De colleges van de docent zijn erg chaotisch. Veel eerstejaarsstudenten begrijpen de structuur van de colleges niet en vinden ze bovendien te abstract. Ook over de presentatie zijn ze niet te spreken. Voeg daarbij de microfoon die het bij ieder college weer begaf in een zaal met vierhonderd studenten en de cirkel is rond.' Het volgen van colleges analytische algebra of inleiding in de algemene politicologie aan de Universiteit van Amsterdam is voor eerstejaarsstudenten kennelijk niet erg inspirerend. In de 'Alles over onderwijs gids', een uitgave van het Comite Beter Onderwijs van de Amsterdamse studentenvakbond ASVA, zijn meer van dit soort constateringen te vinden. Uiteraard staan er ook vakken in vermeld die zo worden gedoceerd dat het smullen is, uitdagend en inspirerend: colleges die je graag voor je genoegen zou willen volgen.

De tweede editie van deze consumentengids voor studenten biedt een door de betrokkenen zelf geregistreerd beeld van onderwijs. Veel docenten zijn slordig en slechts enkelen echt inspirerend, zo blijkt. Toch geven de meesten van deze didactisch vaak ongeschoolde docenten redelijk tot goed onderwijs.

Het is maar een bescheiden zicht dat de gids op het onderwijs aan de hoofdstedelijke universiteit biedt. De 'Alles over onderwijs gids' staat nog in de kinderschoenen en in deze tweede editie wordt maar een beperkt aantal studierichtingen (acht) besproken, waarvan slechts enkele eerste- en tweedejaarscolleges. De oordelen over de colleges zijn op zeer uiteenlopende wijze tot stand gekomen: door enquetes en groepsdiscussies, de ene keer met vijf studenten, een andere keer met tachtig.

De waarde van de gids moet dus worden gerelativeerd, maar het begin is er. Ook aan andere universiteiten publiceren studentenorganisaties consumentengidsen. Delft vervult hierbij al jarenlang een pioniersrol.

Niet zo vreemd

De verhoogde staat van paraatheid van de lokale studentenbonden is niet zo vreemd nu de kwaliteit van onderwijs en onderzoek geleidelijk aan een belangrijk onderwerp van discussie wordt. Voor een deel is die belangstelling het onvermijdelijke gevolg van de koerswijziging die oud-minister Deetman in 1983 aankondigde. De overheid zou voortaan minder door allerlei regels het gedrag van universiteiten en hogescholen voorschrijven. Of het hoger onderwijs deze vrijheid waar kon maken, zou moeten blijken uit hun prestaties op het gebied van onderwijs en onderzoek. Voor het onderwijs gaat minister Ritzen nog een stapje verder: hij wil in de toekomst opleidingen pas betalen als zij voldoende presteren om in een 'centraal register' te mogen worden opgenomen.

April 1986 besloten de universiteiten en hogescholen in overleg met de minister dat zij zelf een stelsel van kwaliteitsbewaking zouden opzetten en dat de minister via zijn inspectie op een en ander zou toezien. Wel kozen de universiteiten en hogescholen voor een verschillende koers. De hogescholen nog midden in hun fusieproces wilden de afzonderlijke instellingen door laten lichten. De universteiten kozen voor beoordeling van steeds een volledige studierichting, over de grenzen van de afzonderlijke instellingen heen.

Dat de hogescholen kozen voor een aanpak per instelling, was om tijd te winnen. Door een dergelijke vorm van kwaliteitsbewaking zouden de hogescholen intern orde op zaken kunnen stellen. Ze zouden de docenten van de nieuwe, veel grotere instellingen voor hoger beroepsonderwijs gevoelig kunnen maken voor het belang van goed onderwijs.

De afgelopen jaren werd aan veel hogescholen over opleidingen geoordeeld. Dit gebeurde door bedrijfsleven en vertegenwoordigers van het betreffende beroepenveld, maar niet systematisch. Toch is er binnen de hogescholen 'inmiddels een cultuur ontstaan waarin de zorg over de kwaliteit van het onderwijs min of meer vanzelfsprekend is', zo constateren J. J. B. Nijeboer en A. M. J. L. Feryn in de onlangs verschenen bundel 'Kwaliteitszorg waarborg voor kwaliteit in het hoger onderwijs'. Nu de docenten binnen de verschillende instellingen min of meer op een lijn zitten, is vorig jaar besloten het over een andere boeg te gooien. Voortaan wordt het onderwijs net als aan de universiteiten per studierichting beoordeeld: al het nautisch onderwijs of alle lerarenopleidingen voor het basisonderwijs. Aan de universiteiten hebben sinds 1988 negen groepen van externe deskundigen (visitatiecommissies) onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het onderwijs en daarover gerapporteerd. Hun oordeel was gebaseerd op een bezoek aan de faculteit en op een zogeheten zelfevaluatie van de opleidingen.

Een van de redenen voor de universiteiten om vanaf het begin voor deze aanpak te kiezen, was dat al vanaf 1983 een groot deel van het universitaire onderzoek regelmatig per discipline wordt beoordeeld. Dit is het resultaat van de invoering van een stelsel waarbij onderzoek alleen wordt gefinancierd als het aan een zekere kwaliteit voldoet, de zogeheten voorwaardelijke financiering van onderzoek.

In elkaar schuiven

Het ligt voor de hand de beoordelingsstelsels van onderwijs en onderzoek in elkaar te schuiven. ' Daar is van het begin af ook aan gedacht, maar voorlopig zie ik dat nog niet gebeuren', zegt A. I. Vroeijenstijn die voor de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) de visitatiecommissies coordineert en begeleidt.

Hoewel tijdens een onlangs gehouden studiebijeenkomst werd betoogd dat kwaliteit van onderwijs mede wordt bepaald door die van onderzoek, werd ook duidelijk dat integratie voorlopig niet wenselijk is. Bij de beoordeling van onderwijs en onderzoek wordt met andersoortige gegevens gewerkt. Bovendien is de kwaliteitsbewaking van het onderwijs nog niet 'voldragen'. Een derde reden is dat bij scheiding van onderwijs en onderzoek de waardering van en voor het onderwijs niet wegvalt tegen het binnen de universiteiten nog steeds prestigieuzere onderzoek.

In feite koestert de VSNU de kwaliteitsbeoordeling van het onderwijs nog als een kasplantje. Slechts geleidelijk aan verdwijnt het vertrouwelijke karakter van de bevindingen van de commissies en worden de rapportages duidelijker. Van Vroeijenstijn: ' Ik verwacht dat in de volgende ronde de commissies zeer helder zullen formuleren wat waar beter kan'. Bij de VSNU blijft voorop staan dat het stelsel de universiteiten moet stimuleren zelf de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Als de rapportages aanleiding geven tot maatregelen mogen alleen de universiteiten die nemen. Op dat punt is de gevoeligheid zeer groot.

Tot dusver schreven de commissies hun rapporten met het sterke gevoel dat de minister over hun schouder mee keek en was terughoudendheid gewenst om hem geen materiaal te leveren voor maatregelen die de universiteiten geld zouden kosten. ' De commissie stelt zich collegiaal op en niet als een inquisiteur', constateerde een van de voorzitters op tijdens de eerder genoemde studiebijeenkomst. Maar de minister heeft niet ingegrepen en de terughoudendheid wordt minder.

Andere oogmerken dan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs heeft de VSNU met de kwaliteitsbewaking (nog) niet. Verantwoording voor geleverde prestaties, kwaliteitsvergelijking en voorlichting aan (aankomende) studenten zouden die belangrijkste doelstelling kunnen frustreren, zo verwoordt Van Vroeijenstijn het standpunt van de VSNU. Het is ook het antwoord dat Ritzen steeds krijgt als hij de universiteiten vraagt de kwaliteitsbewaking zo op te zetten dat studenten er informatie aan kunnen ontlenen voor een goede studiekeuze.

Liever geen studenten

De VSNU (maar ook Ritzen) ziet eigenlijk geen plaats voor studenten in de visitatiecommissies. Dezen moeten toch vooral 'inhoudelijke' deskundigen tellen (Al is dat geen garantie voor een adequate beoordeling, zoals dit voorjaar bleek bij de beoordeling van de niet-westerse talen. De voorzitter en de rest van de commissie verschilden dusdanig van mening over de ontwikkeling van het wetenschapsgebied dat de voorzitter het rapport niet voor zijn rekening wenste te nemen). De studenten en de VSNU zullen daarom apart moeten optrekken, en dat zou wel eens blijvend een gescheiden mars kunnen worden. De studenten verwachten van docenten dat zij aangeven wat de betekenis is van het vak binnen de studie. Volgens de 'Alles over onderwijs gids' gebeurt dit vaak niet en misschien is dit terecht. Studenten, met name jongerejaars, lijken niet de eerst aangewezenen om vast te stellen of hun een evenwichtig en adequaat onderwijsprogramma wordt aangeboden. Dat is bij uitstek een terrein voor deskundigen die ook buiten de grenzen van het vak weten wat er te koop is. Maar van hen kan niet worden verwacht dat zij een goed oordeel hebben over de kwaliteit van het onderwijs in het leslokaal. De studenten zelf zijn op dat terrein de deskundige beoordelaars bij uitstek zoals uit de verschillende 'consumentengidsen' ook blijkt.

Voorlopig moesten ze daarom maar doorgaan met hun gidsen, al zou daarbij enige standaardisatie niet misstaan. Het kan de Landelijke Studentenvakbond helpen bij het opzetten van een landelijke gids. Want zo'n gids helpt de student pas echt bij zijn keuze welk vak waar te studeren.

    • Quirien van Koolwijk