Literaire Tijdschriften

Gekken verkwikken

Het vorige nummer van het Gronings historisch tijdschrift Groniek ging over genialiteit, het nieuwe, als vanzelfsprekend, over waanzin. 'Foucault stelt immers dat een samenleving zich bij uitstek karakteriseert door hetgeen ze marginaliseert of uitstoot en ongelijk heeft hij daar natuurlijk niet in.' Neerlandicus Herman Pleij schreef een beschouwing over narren en zotten in de middeleeuwen, en Margriet Westerhof onderzocht de krankzinnigheid bij Jan Arends. Andere bijdragen gaan over bij voorbeeld de functie van het gesticht, godsdienst en geestesziekte, Van Gogh, de krankzinnige jurist Paul Schreber, en Foucault.

In de vijftiende en zestiende eeuw vervulde de zot een bijzonder belangrijke maatschappelijke functie, niet alleen aan het hof maar in alle milieus, stelt Pleij vast. 'Daarbij kan het gaan om bevrijdende compensaties voor actuele benauwenissen, gezond verstand, waarschuwende moraliseringen, aantrekkelijk en nostalgisch geladen primitivisme, maar ook om modellen van onmenselijke domheid en weerzinwekkendheid, alweer gemeten naar de maat van de milieus die zulke zotten exploiteerden.'

Sebastiaan Brants Narrenschiff uit 1494 werd overal vertaald en nagevolgd, wat in Pleij's woorden een keur aan 'aanstekelijke teksten' opgeleverd heeft. De zot, de beroeps- of gelegenheidsnar mocht ongestraft burgerij, adel en geestelijkheid belachelijk maken, maar waarom eigenlijk? Pleij: 'Hoe pijnlijk zulke parodieen ook geweest kunnen zijn voor de gekozen doelwitten, ze zijn allerminst bedreigend voor de werkelijke macht en waarde van de aangegrepen instituten. Integendeel, ze versterken die juist door een Niemandsland te creeren waarin de bestaande verhoudingen op hun kop gezet zijn. En naast de tijdelijke verkwikking in de aldus geschapen chaos wordt tevens duidelijk gemaakt hoe noodzakelijk de bestaande orde wel is.'

In onze tijd bestaat er niet een equivalent voor zot, hij kan al het werk allang niet meer in zijn eentje aan.

Westerhof beschrijft goed en bondig de geschiedenis van het literaire taboe 'gekte' dat ontstond bij de intrede van het christendom en volgens haar pas doorbroken werd in de Romantiek en later vooral door de Naturalisten. Abnormalen werden in de twintigste eeuw gemeengoed, min of meer tijdelijk psychisch gestoorde schrijvers ook. Over Jan Arends: wie hem leest moet onbewust een beetje huilen.

Groniek 'Waanzin', 117 blz. fl. 15,95 op gironr. 1496758 van Groniek, Groningen o. v.v. Waanzin.

Als de dood voor positieve discriminatie

Een heel dubbelnummer van De Gids over de Nederlandse Antillen! Slaan we de politieke stukken (zeven) hier over, dan zijn er nog twee artikelen over taal, vijf over literatuur, een paar over andere aspecten als muziek, architectuur, Willemstad; er zijn enkele gedichten en een kort vergaal. Een inleiding werd niet nodig gevonden.

Een paar sociale gegevens (i.c. van Curacao) om ook bij de literatuur in het achterhoofd te houden: negentig procent van de eilandbewoners is katholiek, op elke twee babies is er een onwettig, roddelen is een voorname vorm van communicatie, en, wat bekender zal zijn, de ver(latijns-)amerikanisering neemt in de voormalige Nederlandse kolonien sterk toe.

Wim Rutgers vraagt zich af of er wel zoiets bestaat als Antiliaanse literatuur. Hij zondert de Arubaanse er nog eens van af, om te zien of daar sprake is van een literaire status aparte. Tot in de jaren zestig was er geen Arubaanse literatuur, hooguit weleens 'schrijfprodukten'. Daarna werd het niet noemenswaardig beter, er zijn kortom al even wanhopig weinig Arubaanse boeken als lezers. J. J. Oversteegen droeg een artikel bij over Cola Debrot, Aart G. Broek bestudeerde voor zijn proefschrift de literatuur in het Papiamento, en Jos de Roo sprak met Tip Marugg. Als aankomend biograaf van Debrot is Oversteegen in De Gids buitengewoon zuinig. Hij beperkt zich tot de polemiek over 'romantisch rationalisme' die in de jaren dertig in Criterium werd gevoerd, waarbij hij tegenover onder anderen de katholieke Knuvelder kwam te staan. Oversteegen verklaart Debrots literatuuropvatting kort gezegd: kunst kan de tegenstellingen van het menselijk bestaan niet verzoenen uit zijn ingewikkelde afkomst; Debrot onderging Spaanse, Zwitserse, Afrikaanse, Indiaanse en Nederlandse invloeden. 'Om dit leven zo compleet mogelijk te leven, moeten wij onze diepste innerlijke tegenstrijdigheden aanvaarden, en niet daavoor op de loop gaan door weg te vluchten in een onmenselijke metafysica van de harmonie', zo interpreteert Oversteegen Debrots door tegenstanders nooit goed begrepen standpunt.

Jos de Roo, een goede kennis van Marugg, schreef jaren voordat de schrijver De morgen loeit weer aan klaar had voor de krant Amigoe een halfverzonnen interview met de schrijver. Marugg wilde niet dat het geplaatst werd. Een uitspraak die hem ongetwijfeld met reden in de mond werd gelegd: 'Zouden ze ons in het buitenland niet lezen met de gedachte: gut, wat leuk dat ze op zo'n eiland ook kunnen schrijven? Ik ben als de dood voor positieve discriminatie.'

De Roo heeft Marugg precies die ironische toon gegeven die lezers gemakkelijk zal aanspreken. Over zijn jonge jaren: 'We speelden het leven en dat leverde nog literatuur op ook. Daarna speelt het leven met jou en ook dat levert literatuur op.'

Over het schrijfproces: 'Van tijd tot tijd houd ik een snipperdag, dan versnipper ik alle aantekeningen.' De Antilliaanse literatuur komt in dit dubbelnummer toch niet veel verder dan de marge, maar daar kan De Gids waarschijnlijk niks aan doen. Wel dat dit Antillen-nummer uiteindelijk zo'n verschikkelijk sloom geheel geworden is.

De Gids, 153ste jrg., nr. 7/8. Uitg. Meulenhoff, 194 blz., fl.24,50.

Ierse vrouwen in dwangbuis

Het halfjaarlijkse Krino is een van de rijkste Ierse literaire tijdschriften (het andere is Poetry Ireland Review). Vooral poezie tiert welig in het land van Joyce, Beckett, Swift, Shaw en Yeats. Geen wonder dat menig auteur er ondertussen schoon genoeg van heeft om voortdurend afgemeten te worden aan werken van langgeleden gestorven landgenoten. Vrouwen voorop.

In een beschouwing over 'Women en Fiction' van 1985 tot 1990 stelt Eva Patten vast dat de vrouwenletteren in Ierland een 'abnormaal lange adolescentie' doormaken. Een eigen stem vorm of taal is nog niet gevonden, gewoon realistisch proza over maatschappelijke en seksuele problemen overheerst. 'Our troubles are too raw to be denied and there is so much personal history still to be recorded', citeert Patten; 'Confessional realism is a necessity, not a choice.'

Hiermee suggereert ze enigszins ten onrechte dat Ierse schrijfsters met haar allen zijn blijven steken in het autobiografische bekentenisproza. Niettemin loopt het land, en dus ook zijn literatuur (vooral de geengageerde natuurlijk), in veel opzichten vijftig jaar achter bij de rest van West-Europa.

Patten moppert dan ook dat te veel schrijfsters zich vrijwillig laten insnoeren in het dwangbuis van het per proza zoeken naar de heilige en vervloekte 'eigen identiteit'. Voorlopig ziet de politiek er, ook bij vrouwen, in den brede zo uit: 'Divorce no, abortion no, a job no, no-go, no. Head down, feet together, mouth shut and whatever you say, say nothing.'

Ierse seksuele onderdrukking is onderhand 'komisch leesvoer' voor het Engelse lezerspubliek geworden, luidt een bittere conclusie. Nogal wanhopig roept Patten een halt toe aan vrouwenliteratuur die 'stilistisch doorzichtig is, reactionair, anti-intelectueel, anti-filosofisch, en vlak realistisch'.'Molly in Moscow' is de meest verrassende en geestige bijdrage in dit nummer van Krino. Het is, uit Inostrannaia literatura, de introduktie van vertaler Sergei Khoruzhii bij de langverbeide Russische versie van Molly's monoloog. Ulysses verscheen in 1989 in afleveringen van dit tijdschrift, en volgend jaar in boekvorm. 'Opnieuw een gewaagd Sovjet-experiment', zegt de vertaler droogjes, 'en de kansberekening leert ons dat, waar zoveel andere gefaald hebben, Fortuna ons ditmaal moet toelachen.'

Molly's vloeiende en geile gedachtenstroom is toch beslist een vorm van sociaal realisme, spot hij: 'By ousting all trace of punctuation and giving pride of place to copulation, Joyce, contrary to his petty-bourgeois social origins, is urging us, one and all, to strive for that monolithic cohesion, that union of people, which was and still is the tireless concern of our Party and every member of it. I sincerely hope that the prickly preaching of the great Irishman will help each and every one of us to struggle all the harder.'

Kan dit echt in een Russisch tijdschrift worden afgedrukt? Krino nr. 8/9. 140 blz. (L)3,95. Glenrevagh, Corrandulla, County Galway, Ireland.

    • Margot Engelen