Lastige leerlingen

In het Engeland van vorige eeuwen moesten rumoerige scholieren soms door legeringrijpen weer tot de orde worden gebracht. Over achttiende eeuwse Nederlandse dorpsscholen klaagde een tijdgenoot dat al op vrij grote afstand het lawaai van kinderen duidelijk maakte dat er een school in de buurt stond.

Het is dan ook niet om aan te tonen dat er steeds meer lastige leerlingen komen dat dr. C. van Liere vorige week op het onderwerp promoveerde. Van Liere wilde weten waarom sommige kinderen zich in de klas minder goed gedragen dan andere: wat is de invloed op hun gedrag van leraren, ouders en leeftijdgenoten? Wel is het volgens Van Liere zo dat lastige leerlingen minder in de belangstelling staan dan mogelijk, omdat leraren er liever niet voor uitkomen dat zij ordeproblemen hebben en ouders zich pas ongerust maken als hun kind onvoldoendes haalt.

Ander onderzoek, vooral in het buitenland, laat zien dat er nogal wat lastige leerlingen zijn. Al naar gelang de definitie van 'gedragsstoornissen' varieert het percentage volgens deze onderzoeken van zo'n 20 tot soms wel 50 procent van de leerlingen. Het onderzoek dat uitkwam op dat laatste percentage rekent ook nervositeit, dagdromen, nagelbijten en duimzuigen mee. Bij alle onderzoeken scoort gebrek aan concentratievermogen het hoogst en wordt onderscheid gemaakt tussen te passieve, verlegen en teruggetrokken leerlingen (meestal meisjes) en te actieve, agressieve, ongehoorzame en slordige leerlingen (jongens). Van Liere heeft voor 'Lastige leerlingen, een empirisch onderzoek naar sociale oorzaken van probleemgedrag op basisscholen' de ouders en leraren van 573 kinderen tussen 10 en 13 verzocht een vragenlijst in te vullen en een interview toe te staan. De ouders vroeg hij onder meer naar hun opleiding, hun werk, het soort opvoeding dat zij dachten te geven en het gedrag van hun kind thuis. Ook uit het onderzoek van Van Liere bleek weer eens dat mensen met hogere inkomens hun kind vaker naar het bijzonder onderwijs sturen omdat zij vermoeden dat dit beter is, en dat ouders uit de laagste inkomensgroepen hun kind meestal op een openbare school doen. Leraren werd gevraagd naar hun opvattingen over orde in de klas en naar het gedrag van de betrokken leerlingen.

De reactie van leraren op lastige leerlingen is, zo bleek, afhankelijk van het aantal kinderen in de klas uit lagere sociale milieus. Hoe meer dat er zijn, hoe strenger de leraar is. Van Liere legt een verband tussen goed gedrag en prestaties, een verband dat sterk zou zijn bij leerlingen uit lagere milieus en zwak bij leerlingen uit hogere sociale klassen. Volgens Van Liere beseffen leraren dat orde belangrijker is voor klassen met veel kinderen uit lagere milieus.

Overigens bleek goed gedrag in de klas altijd een positieve uitwerking op prestaties te hebben, en daarmee op het soort school waar kinderen na de basisschool naar toe gaan. Omdat meisjes, zoals ook uit Van Lieres onderzoek naar voren kwam, zich oplettender en volgzamer gedragen dan jongens zou men mogen verwachten dat zij het vaakst naar HAVO of atheneum gaan. Dat dit niet zo is, is een fenomeen waar al meer onderzoekers zich het hoofd over hebben gebroken. Ook Van Liere komt er niet uit. Hij wijdt er wel een stelling aan: 'Sexe-gelijkheid bij doorverwijzing naar vervolgonderwijs komt tot stand door positieve discriminatie van jongens'. Uit de bevindingen van de leraren kwam verder nog naar voren dat lastige, slecht presterende kinderen hun 'sociale waardering' van lieverlee zoeken bij hun gelijken. Omdat kinderen uit lagere inkomensgroepen het vaakst moeite hebben met de standaarden op school, zijn zij het sterkst betrokken bij wat Van Liere 'peergroups' noemt. Na schooltijd doen zij het meest met verboden dingen mee.

Wat de gezinsomstandigheden betreft, bleek dat jongens met maar een ouder vaker lastig zijn in de klas dan meisjes. Beiden zijn lastig als hun moeder meer dan 30 uur per week werkt. Jongste kinderen zijn lastiger naarmate het gezin waar zij uitkomen groter is. Kinderen die enig kind zijn, gedragen zich niet lastiger dan gemiddeld maar zijn wel minder populair bij hun medeleerlingen, waarschijnlijk door gebrek aan sociale vaardigheid.

Maar een groot deel van het al dan niet lastig zijn kon worden toegeschreven aan wat kinderen van huis uit is aangeleerd. Daarmee zijn sexe en opvoeding nog steeds de belangrijkste verklaringen voor goed gedrag.