Financieringstekort overheid omlaag naar 4,75 procent

Het financieringstekort van het rijk daalt in 1991 tot 4,75 procent van het nationaal inkomen. Daarmee houdt het kabinet zich precies aan de afspraak in het regeerakkoord om het tekort elk jaar met een half procent terug te brengen.

De rijksuitgaven komen volgend jaar uit op 197,1 miljard gulden, terwijl de ontvangsten 174,7 miljard bedragen. Minister Kok onderstreept in de Miljoenennota dat al snel beleidsbijstellingen nodig kunnen zijn, gezien de vooral door de Golfcrisis onzekere internationale economische ontwikkeling.

De collectieve lastendruk (som van belastingen en premies als percentage van het nationaal inkomen) komt volgend jaar uit op 52,9 procent, dat is 0,7 procent onder de doelstelling van het regeerakkoord. De lagere belastingdruk (door tegenvallende belastingen) en hogere druk van premies en niet-belastingontvangsten (hogere aardgasopbrengst) compenseren elkaar vrijwel. De collectieve uitgavenquote komt in 1991 uit op 61,7 procent, tegen 62,5 procent in 1990. De daling wordt vrijwel geheel veroorzaakt doordat het kabinet de rijksbijdrage aan het kinderbijslagfonds reeds in 1990 betaalt.

Na het aantreden van het kabinet in november vorig jaar is de minister van financien geconfronteerd met een belastingtegenvaller in 1991 van per saldo twee miljard gulden; vooral de opbrengst van inkomsten- en vennootschapsbelasting valt tegen. Daarnaast doen zich volgend jaar tegenvallers voor in de uitgaven en niet-belastingontvangsten van per saldo 2,7 miljard. De aardgasopbrengsten vertonen een meevaller van 900 miljoen.

De verslechtering in het budgettaire beeld maakte een pakket ombuigingen noodzakelijk ten bedrage van bijna 7 miljard gulden, waarvan 6,6 miljard ten gunste komt van de rijksbegroting. Hiermee moest ook een reeds bekende financiele 'hobbel' worden gecompenseerd, die in 1991 ontstaat doordat sommige maatregelen van het vorige kabinet slechts een tijdelijk effect hebben.

Van het bedrag van 7 miljard gulden heeft 2,7 miljard betrekking op een structurele uitgavenbeperking. Ruim de helft (1,4 miljard) brengen de departementen op door het achterwege laten van de prijscompensatie voor materiele uitgaven. De rest komt onder meer uit een korting op de subsidies en de defensie-uitgaven. Fiscale maatregelen in de sfeer van de BTW moeten 140 miljoen gulden opbrengen. Diensten van advocaten en procureurs worden overgebracht van het verlaagde naar het algemene BTW-tarief. Voor de diensten van notarissen en gerechtsdeurwaarders vervalt de BTW-vrijstelling en gaat het algemene tarief gelden.

Een pakket maatregelen met eenmalig karakter brengt 4,1 miljard gulden in het laatje: verhoging van de voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting; verkoop staatsdeelnemingen; verschuiving betaling rijksbijdragen kinderbijslagfonds; achterwege laten prijsindexering rijksbijdrage AAW/AWW. In de begroting van volgend jaar is voor 9,9 miljard gulden aan ruimte gecreeerd voor nieuwe beleidsprioriteiten. Daarvan is 5,2 miljard bestemd voor de koppeling van lonen en uitkeringen en de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector.

Minister Kok onderstreept in de Miljoenennota dat de investeringsuitgaven van het rijk als percentage van het nationaal inkomen niet langer zullen dalen. Dit is het gevolg van de groeiende overheidsinvesteringen in onder andere infrastructuur en milieu. Na enige tijd zal volgens Kok dan ook een eind komen aan de 'uitholling' van het netto vermogen van de rijksoverheid, die is ontstaan door staatsleningen vrijwel uitsluitend voor consumptieve uitgaven aan te wenden.

In de Miljoenennota is voor het eerst ook een meerjarenraming van de belastingopbrengsten opgenomen. Uit deze cijfers en de meerjarenramingen van de uitgaven blijkt dat het financieringstekort na 1991 telkens een procent (ruim vier miljard gulden) boven het in het regeerakkoord afgesproken schema uitkomt.

Bij de zogenoemde midterm-review begin volgend jaar gaat het kabinet aan de hand van geactualiseerde cijfers bekijken of nadere maatregelen nodig zijn. In de huidige veronderstellingen gaat het kabinet ervan uit dat de rente na 1991 weer op het niveau van 6 procent komt. Indien de rentevoet zich evenwel blijvend op de voor 1991 geraamde 8,75 procent stabiliseert, groeien de rente-uitgaven tussen 1991 en 1995 met 7 miljard in plaats van 3 miljard gulden. Zowel voor de uitgaven als de inkomsten bevatten de meerjarencijfers volgens de Miljoenennota dan ook 'forse risico's'.