En toch heeft Nederland iets met Vlaanderen, en omgekeerd

Het thema 'Vlaams-Nederlandse culturele relaties' bezit niet meer de frisheid van de jeugd, er is in de loop van de eeuwen oneindig veel over gepraat en geschreven. Waarom blijft het thema generatie na generatie de gemoederen bezighouden? Gaat het hier om een principieel probleem dat nog geen principiele oplossing heeft gevonden? Als we daarvan uitgaan, moet worden beslist of er een algemeen-Nederlandse cultuur of identiteit bestaat, die als gevolg van noodlottige incidenten van eeuwen her nooit de kans heeft gekregen zich staatkundig te verwerkelijken. Doordat zo is de voorstelling militair-politieke factoren het Zuiden en het Noorden in de zestiende eeuw van elkaar verwijderden, werd de algemeen-Nederlandse cultuur door de meerderheid van de bevolking lange tijd niet meer herkend als grondslag van alles wat er in het Noorden en in het Zuiden feitelijk tot stand werd gebracht. Met andere woorden, uit die blijvende, als het ware biologische gegeven pan-Nederlandse cultuur van de late Middeleeuwen groeiden, toen de Nederlanden tijdens de Opstand tegen Spanje van de zestiende eeuw in een vrij noordelijk, en een Spaans zuidelijk deel gespleten werden, twee verschillende verschijningsvormen van die gemeenschappelijke beschaving op. Het diep ongelukkige was echter dat deze niet gelijkwaardig werden.

Dank zij de buitengewoon voorspoedige omstandigheden van de zeventiende eeuw en de emigratie van veel hooggetalenteerde Zuiderlingen naar het Noorden, kon zich in Nederland een variant van de pan-Nederlandse cultuur ontwikkelen die superieur was aan de Vlaamse variant, want die verdorde onder de zware druk van de teruglopende welvaart, de buitenlandse heerschappij en de groeiende invloed van het Frans. Het heeft tot de invoering van de democratie in Belgie aan het einde van de negentiende eeuw geduurd voordat de Nederlandstalige provincies, waar de meerderheid van de Belgische bevolking en dus van de kiezers woonde, de gelegenheid kregen hun achterstand op Nederland in te lopen.

Pas toen het evenwicht hersteld begon te worden, kwam de principiele oplossing in zicht: het Nederlandstalige deel van Belgie en van Nederland moesten er zich opnieuw van bewust worden dat zij niet alleen een taal maar ook een historische cultuur deelden. Wat bijeenhoorde maar door incidenten eeuwenlang gescheiden was, diende opnieuw, zei men, te worden samengebracht, zo niet in een politieke, dan toch ten minste in een taalunie en een culturele unie. En zolang dat niet is gebeurd, praten Vlamingen en Nederlanders met elkaar over hun relaties.

Groot-Nederland

Men weet dat de zojuist geschetste voorstelling van zaken de Groot-Nederlandse gedachte is, die tegengesteld is aan de eveneens principiele Belgicistische en de Klein-Nederlandse. Volgens deze heeft zich in de loop van de eeuwen aan de ene kant een Zuidnederlandse, Belgische nationaliteit gevormd die pas laat, in 1830, een zelfstandige staat heeft gecreeerd, en daarnaast een Noordnederlandse, die al in de jaren 1580 in de Nederlandse Republiek ook politiek vorm kreeg.

Beide landen werden door een eigen oeroude, al in de Middeleeuwen herkenbare volksaard gekenmerkt en bezaten een eigen nationale cultuur. Van de Belgicistische opvatting is echter niet veel meer over. Het is immers de vraag of Belgie heden ten dage nog als een natie beschouwd kan worden. En Vlaanderen? Wel, het is Vlaanderen geweest dat de voor een belangrijk deel Franstalige poging tot Belgische natievorming heeft doen mislukken met een beroep op eigen nationaliteit. Nog altijd is de Vlaamse gedachte zo eigenzinnig en zozeer met de Vlaamse volksaard verbonden, dat we er zo gaat deze redenering goed aan doen het bestaan van een Vlaamse cultuur te erkennen, verwant aan, maar fundamenteel toch gescheiden van de Nederlandse.

Indien ik het goed heb, is dit het standpunt van het Nederlandse ministerie van cultuur. Toen deze mening namens minister d'Ancona in het openbaar werd uiteengezet, zijn velen daarover zeer verontwaardigd geweest. Dat is begrijpelijk, omdat het zekere onaangename praktische consequenties heeft. Het is niet begrijpelijk, wanneer men naar de gronden ervan kijkt. De Klein-Nederlandse interpretatie van de geschiedenis is op zichzelf noch moreel noch wetenschappelijk verwerpelijk. Toch ben ik het met de critici van de minister eens: de opvatting is niet meer aanvaardbaar. Dat komt doordat wij haar uitgangspunten ongeloofwaardig vinden.

Maar precies om dezelfde reden waarom wij deze Klein-Nederlandse gedachte nu geneigd zijn af te wijzen, zouden wij aan de betekenis van de Groot-Nederlandse gedachte moeten twijfelen. Beide wortelen immers in romantische voorstellingen over taal, volk, natie voorstellingen, die zeer beslist op bepaalde ogenblikken in de geschiedenis een grote waardigheid, ja, noblesse hebben bezeten, maar ons nu toch niet meer bevredigen.

Vlaamse Beweging

Men kan er niet genoeg de nadruk op leggen dat enigszins gearticuleerde uitspraken over volksaard, nationale identiteit, nationale cultuur, meestal voortkomen uit, en nog steeds in verband staan met, zekere interpretaties van de geschiedenis, ja, met bepaalde geschiedfilosofieen. Het zijn geen louter empirische constateringen.

Wie meent in staat te zijn empirisch vast te stellen of Vlaanderen nu wel of niet een eigen nationale cultuur bezit, houdt zichzelf voor de gek. Wanneer de Vlaamse Beweging niet anderhalve eeuw lang de noodzaak van de Vlaamse emancipatie in de Franstalige eenheidsstaat Belgie had afgeleid uit voorstellingen over de eigenheid, de identiteit van het totaal der Nederlandstaligen in Belgie, zou de moderne onderzoeker niet op het idee hebben kunnen komen deze al dan niet bestaande Vlaamse cultuur te gaan bestuderen.

Trouwens, is Vlaanderen in de moderne zin van het woord uberhaupt een vanouds in de concrete werkelijkheid gegeven feit? Nee, het is een negentiende-eeuws idee: de gedachte namelijk dat alle mensen in de oude gewesten ten noorden van de taalgrens en ten zuiden van de staatsgrens met Nederland die een Nederduits dialect spraken of dat nu in Vlaanderen, in Brabant of in Limburg was fundamenteel bijeenhoorden in een eenheid waarop men het stempel Vlaanderen drukte. En wat een enorm succes heeft deze inventie gehad! Zo is het trouwens ook met Wallonie gegaan en daar kan men de datum van de uitvinding nog scherper bepalen: het woord Wallonie werd in 1858 voor het eerst gebruikt.

Welnu, dat deze innovaties beheerst werden door romantische gedachten over de samenhang van taal, volksziel, volksgeest en natie behoeft geen betoog. Tezelfder tijd werd het romantisch gekleurde nationale besef ook over Noord-Nederland vaardig. Dat was Klein-Nederlands, dat wil zeggen, het betrof de tot natie verheven bevolking, wonende binnen de staatsgrenzen van het Oranje-koninkrijk van na 1830. Al zijn op elke generalisatie talrijke tegenwerpingen mogelijk en noodzakelijk, men mag toch wel stellen dat de Noordnederlanders zich de hele negentiende eeuw door slechts weinig hebben aangetrokken van de Vlaamse Beweging en die niet hebben beschouwd als iets dat hun zelf werkelijk aanging. Nederland heeft de Vlaamse Beweging en de Vlaamse emancipatie nauwelijks steun gegeven en is slechts in een opzicht maar dat was dan ook wel fundamenteel van belang voor Vlaanderen geweest: het had de Nederlandse taal in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw tot een veel fijner en aan moderne behoeften beter aangepast instrument ontwikkeld dan in Zuid-Nederland in die tijd gebeurd was. Daardoor was in Vlaanderen het moeizame werk dat in andere gevallen het Iers, Baskisch, Bretons, Tsjechisch, enzovoorts zoveel inspanning vereiste, namelijk de nieuwe uitrusting van verwaarloosde talen, nauwelijks meer nodig. Het Nederlands bleek in de negentiende eeuw voldoende rijp om zelfs als taal van de moderne wetenschap te dienen. Men onderschatte het belang daarvan niet.

In Belgie werd door de intellectuele elite, ook die in Vlaanderen, de hele negentiende en een deel van de twintigste eeuw steeds weer herhaald dat het Frans veel beter dan het geisoleerde Vlaams als wetenschapstaal kon fungeren: wetenschap immers was universeel. De eerste Nobelprijzen in de exacte wetenschappen gingen echter niet naar Belgische professoren die in het Frans doceerden en schreven, maar naar Nederlanders die hun colleges en hun handboeken in het Nederlands stelden. Met andere woorden: de Vlamingen hadden het apparaat waarmee zij wilden werken direct in geperfectioneerde vorm ter beschikking. Zouden zij, indien dat niet het geval was geweest, zo'n immens succes hebben gehad?

Geyl

De romantische theorieen over de eigen nationale aard van de Vlamingen aan de ene, en van de Nederlanders aan de andere kant hebben altijd een breder draagvlak gehad dan de eveneens romantische Groot-Nederlandse theorie over de fundamentele culturele eenheid van Vlaanderen en Nederland. Er heeft buiten een kleine groep Vlaamse en Nederlandse intellectuelen nooit een pan-Nederlands nationaal gevoel bestaan. Men mag dat betreuren zoveel men wil, men kan er weinig aan veranderen.

In de geschiedschrijving heeft de Groot-Nederlandse gedachte in de jaren '20 en '30 van deze eeuw triomfen gevierd. Men denke aan het indrukwekkende oeuvre van Geyl. Er is nu, voor zover ik weet, geen enkele historicus meer die de theses van Geyl volledig zou willen onderschrijven. Integendeel. Gedurende de laatste jaren treden in Nederland nogal wat historici van dertig, veertig jaar naar voren die de Nederlandse en dan bedoel ik de Noordnederlandse geschiedenis als uniek beschouwen, afwijkend van alles wat in de rest van Europa gebeurde, een Sondergang. In zo'n opvatting is voor Groot-Nederland en voor Vlaanderen geen enkele plaats.

De Klein-Nederlandse opvatting is in de geschiedschrijving springlevend gebleven. En dit is merkwaardigerwijs niet strijdig met het feit dat er sinds 1945 en dank zij mensen als Geyl tussen Nederlandse en Vlaamse historici vriendschap en samenwerking bestaan. De redacties van de grote historische tijdschriften zijn uit Vlamingen en Nederlanders samengesteld. Men helpt en steunt elkaar waar nodig. Er is geen rivaliteit en geen irritatie. Maar men inspireert (en men leest) elkaar niet of nauwelijks. De in elke cultuurbeoefening nodige impulsen voor vernieuwing zoekt men niet bij elkaar maar in Frankrijk, Engeland, de Verenigde Staten en Duitsland en er is bepaald geen aanleiding te verwachten dat het spoedig anders zal worden. De oudere generatie zowel in Vlaanderen als in Nederland is meer geneigd tot gezamenlijk werk dan de jongere.

Toekomstvisioenen

Ik heb hierboven twee mogelijkheden gesteld: of men benadert het probleem van de Vlaams-Nederlandse culturele relaties uit een principieel standpunt, of men zoekt een andere methode. Tot nu toe heb ik de principes behandeld en ik moet zeggen: ik ben niet gelukkig met de uitkomsten. Het Groot-Nederlandse principe, hoe nobel ook, werkt niet en heeft dat eigenlijk nooit gedaan. Het Belgicistische principe de gedachte dat Belgie een oeroude natie vormt is nooit werkelijk tot leven gekomen en al is de Belgische staat nog sterk aanwezig, van een Belgische natie in de pregnante, romantische zin van het woord zullen niet velen meer willen spreken. Heeft dus alleen de gedachte dat Vlaanderen en Nederland elk een eigen nationaal-culturele identiteit bezitten nog betekenis? Men zou die conclusie moeten trekken.

Maar men hoeft zich er niet bij neer te leggen. Men kan de zaak van de Vlaams-Nederlandse culturele relaties ook van de principiele opvattingen losmaken en er is alle reden dat te doen. Wij hebben het, als we over de nationale principes spreken, namelijk niet over empirische feiten, natuurlijk niet, wij hebben het over de door negentiende-eeuwse auteurs en politici opgestelde programma's, we hebben het over wensen, dromen, toekomstvisioenen.

De zogenaamde nationale bewustwording van Vlaanderen en van Nederland in de negentiende eeuw kreeg de vorm van een beschouwing over geschiedenis; maar zij was gericht op de toekomst. Op grond van de interpretatie van het verleden verklaarde men hoe de bevolkingen in de toekomst zouden moeten denken, voelen en handelen. De zogenaamde nationale bewustwording betekent niet dat men zich bewust werd van wat er geweest was en nog was; zij was veeleer de vorm waarin men de wensen en hoop die men voor de toekomst had, uitdrukte.

Al klinkt het misschien veel te kras, helemaal onwaar is het toch niet om te beweren dat de naties die in de negentiende eeuw werden ontdekt, verzinsels zijn. Sommige van die verzinsels hadden succes in de zin dat zij door vele mensen gedurende lange perioden werden geloofd en van generatie naar generatie werden doorgegeven: dat was het geval met Vlaanderen en met Nederland. Andere hadden veel minder succes en die verdwenen na enige tijd, zoals de idee van de Belgische, of die van de Groot-Nederlandse natie.

Nuchter

Men moet er bij elke discussie over nationale en culturele identiteit dus steeds de nadruk op leggen dat het hier nooit kan gaan om feitelijke, uit de geschiedenis noodzakelijk voortkomende, gegevens die de grondslag van principiele opvattingen kunnen vormen. Laten we aan de ene kant de realiteit van een zeker gevoel van culturele identiteit in Vlaanderen en een parallel sentiment in Nederland niet ontkennen. Laten we daar echter geen principiele consequenties uit afleiden.

Onze politici moeten niet doen of dit soort nationaal-culturele bewustzijn hun handelen behoort te besturen. Zij mogen het uiteraard niet veronachtzamen, maar zij behoren er zich niet door te laten leiden en er zich niet mee te identificeren. Ook als brede steun bij de bevolking voor het pan-Nederlandse cultuurideaal niet valt te constateren en in de voorzienbare toekomst ook wel niet zal ontstaan, toch is en blijft een gemeenschappelijke Vlaams-Nederlandse bevordering en presentatie van deze cultuur of culturen volkomen natuurlijk.

Hoe weinig het pan-Nederlandse bewustzijn ook voorstelt, dat Vlaanderen met Nederland en Nederland met Vlaanderen dank zij de taal nauwer gelieerd is dan met andere landen en culturen in Europa spreekt langzamerhand toch eigenlijk vanzelf. Wat anders dan administratieve complicaties en de verwarring van historische interpretaties met historische realiteiten verhinderen de politici krachtig, nuchter, zonder romantische visioenen, de ontwikkeling van deze culturen die zich van hetzelfde instrument bedienen, gezamenlijk te steunen, eenvoudig omdat dit beide, en beide gemeenschappelijk versterkt? Hoe zinloos de Nederlandse terughoudendheid op dit terrein is, blijkt als men de kwaliteit van het uit Vlaams particulier initiatief ontsproten Ons Erfdeel (en Septentrion) vergelijkt met die van het door het Nederlandse ministerie betaalde Dutch Heights. Wat is het goed dat het ministerie nu erkent geen bevredigend blad te kunnen produceren. En wat zou het goed zijn als het nu terugkwam van zijn weigering van een paar jaar geleden om samen met Vlaanderen een Engelstalige versie van Ons Erfdeel mogelijk te maken.

Daar is geen principiele cultuurhistorische theorie voor nodig, maar de eenvoudige praktische zin waar wij, nu het probleem van de Vlaams-Nederlandse culturele relaties sterk door de zogenaamde eenwording van Europa wordt beinvloed, meer baat van zullen hebben.