Dr. G. M. J. Veldkmap (1921-1990); Doortastend politicus

Dr. G. J. M. Veldkamp, minister van sociale zaken van 1961-1967, was een van de architecten van ons sociale zekerheidsstelsel. Deze KVP-politicus trad in de voetsporen van een rooms-katholieke voorganger als P. J. M. Aalberse, die de grondslag legde voor de Ziekte- en Ongevallenwet. Veldkamp zag zichzelf als de man die als taak had het na de oorlog opgebouwde stelsel te voltooien. Dat blijkt uit zijn adviesaanvraag aan de Sociaal-Economische Raad in 1962 over de ontwikkeling van de sociale zekerheid op langere termijn.

Deze adviesaanvraag stuurde aan op afronding van het stelsel. Het ging daarbij om drie vraagstukken: ten eerste het optrekken van de AOW tot een sociaal minimum, ten tweede het tot stand brengen van een volksverzekering tegen zware geneeskundige risico's en ten derde het vraagstuk van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor anderen dan loontrekkenden. In 1967, het jaar waarin Veldkamps grootste werkstuk, de WAO, in werking trad, liet hij een adviesaanvraag volgen over de vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisatie van sociale verzekeringen op langere termijn. Veldkamp had heel duidelijk de contouren voor ogen van een stelsel dat weliswaar volledige dekking bood tegen risico's, maar dat toch niet zou ontaarden in een bureaucratische moloch. Hij koesterde denkbeelden over een soepel en goed beheersbaar systeem dat alomvattend was, maar toch dicht bij de mensen stond dank zij een regionale opzet waarin de clienten niet van het ene loket naar het andere werden verwezen, maar terecht konden in 'sociale supermarkten'. Na zijn aftreden als minister kreeg hij opdracht de sociale wetten te vereenvoudigen en opnieuw te codificeren, een karwei waarmee hij meer dan tien jaar bezig is geweest zonder het te kunnen afronden. Zijn codificatie-arbeid is blijven steken in een paar deelontwerpen die nooit zijn samengevoegd tot het sociale wetboek dat hem voor ogen stond. Veldkamp heeft de teloorgang van de sociale zekerheid in de jaren van de grote economische depressie met lede ogen aangezien. Hij zag wel degelijk in dat het zo niet verder kon, zoals hij in zijn boek over de crisis in het sociale verzekeringsstelsel concludeerde. Naar zijn mening hadden de politieke partijen te weinig visie op een stelsel dat zij zelf in het leven hadden geroepen, maar waarop zij hun controle en overzicht allang hadden verloren.

Hij verzette zich echter tegen de opeenvolgende ombuigingsmaatregelen die ten slotte zouden uitmonden in de stelselwijziging onder het kabinet-Lubbers II. Veldkamps grootste bezwaar was dat al deze ingrepen, die ten doel hadden de onbeheersbaarheid van de groei te bestrijden, de samenhang van het geheel van sociale zekerheid zouden doorbreken. Hij beval tijdelijke ombuigingen aan zolang de economische crisis zou voortduren. Veldkamp heeft na zijn politieke loopbaan de sociale zekerheid tot onderwerp van wetenschappelijke studie gemaakt. Hij was de eerste hoogleraar in dit vak aan de Rijksuniversiteit te Leiden, later kreeg hij zijn eigen leerstoel aan de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg. Veldkamp was behalve een doortastende politicus, die veel van zijn ideeen in wetgeving heeft weten om te zetten, ook een belangrijk theoreticus die het denken over de sociale zekerheid een wetenschappelijke basis heeft gegeven.

Niet alleen zou het gewicht van de SER - ook bij afspraken met een loonpolitiek karakter - weer groter worden, ook het centrale overleg wint aan betekenis wanneer de gemaakte afspraken algemeen bindend worden voor de achterban van werkgevers- en werknemersorganisaties.

    • A. F. van Zweeden