DE WESTERSE ZIEKTEN

Nederland ziek? Als we de onlangs op hoge leeftijd overleden psycholoog Skinner mogen geloven is het nog veel erger dan premier Lubbers denkt en kampt de hele Westerse wereld met ernstige ziekteverschijnselen. Bij voorbeeld met libertas nervosa en caritas nervosa. Zelfs de minste inperkingen van onze vrijheid vinden we moeilijk te verdragen (' We not only resist the constraints imposed by tirannical governments and religions, we resist seat belts, hard hats, and no-smoking signs.') In allerlei opzichten kunnen we niet meer voor onszelf zorgen en zijn we aangewezen op hulp, vooral van de overheid, van wie wij vanzelfsprekend allerlei voorzieningen verwachten. (' Helping people with something they could do alone deprives them of the reinforcing consequences that would shape and maintain more useful behavior.')Nu niet denken dat Skinner een nurkse reactionair moet zijn geweest. In het artikel waaruit bovenstaand citaat afkomstig is, legt hij juist heel beminnelijk uit hoe onvermijdelijk het is dat de samenleving zo geworden is en waarom fundamentele veranderingen op korte termijn niet kunnen worden verwacht, al zijn kleine ingrepen wel mogelijk.

In de mooie necrologie die hoogleraar Crombag voor deze krant schreef bij het overlijden van Skinner stond dat hij tot kort voor zijn dood nog regelmatig artikelen schreef voor de American Psychologist. Een daarvan, uit 1986, met als titel What Is Wrong With Daily Life in the Western World heb ik indertijd bewaard met de aantekening 'leuk voor NRC'. Het kwam er echter nooit van. Maar nu Nederland toch nog vrij onverwacht ziek verklaard is, kan Skinners diagnose wellicht helpen bij het zoeken naar remedies.

Als behaviorist gaat Skinner er vanuit dat menselijk gedrag afhankelijk is van de effecten die het heeft. Dat is naast het biologisch selectiemechanisme een belangrijke kracht geweest in de evolutie: het wezen deed 'zo maar' iets, merkte de gunstige, ongunstige of geen gevolgen en daarmee werd de kans op herhaling en vestiging van dat gedrag versterkt of niet. Op die basis ontwikkelde zich in de loop der tijden een steeds uitgebreider gedragsrepertoir. De gevolgen hadden betrekking op de omgeving: door het gedrag werd daar een bepaalde verandering teweeg gebracht, die voor het organisme positief of negatief uitpakte.

Essentieel hierbij was dat er steeds een onmiddellijk verband was tussen gedrag en gevolg en dat specifiek gedrag leidde tot een specifiek gevolg, zodat organisme en omgeving voortdurend op elkaar afgestemd konden blijven. Dit gedragsmechanisme ligt nog steeds in de menselijke genen verankerd. Het is het oerprincipe van waaruit wij opereren. Men moet volgens Skinner goed onderscheid maken tussen reinforcement door versteviging van gedrag ('strengthening' effect) en door een eventueel prettig gevoel bij het individu ('pleasing' effect). Het eerste is essentieel, het tweede kan erbij komen, maar is niet wezenlijk. Integendeel, want als gedragseffect alleen bestaat uit een vorm van genot, treedt eerderverzadiging op dan herhaling van het gedrag.

Fundamenteel is dat de omgeving verandert door het eigen gedrag, waardoor sommige aspecten van de omstandigheden afhankelijk worden van de acties van het individu. Daardoor neemt de kans toe dat zo'n handeling zich versterkt in het gedragsrepertoir vestigd. Dit proces van operante (al doende) conditionering heeft vanaf een bepaald punt in de evolutie geleid tot het ontwikkelen van spraak en taal. Talige communicatie maakte in de loop der tijden ingewikkelde sociale structuren en culturen mogelijk, uitmondend in de onoverzichtelijke wereld die wij kennen, waarin het directe verband tussen wat een mens doet en de gevolgen voor zijn levensomstandigheden voor een belangrijk deel is verbroken.

Het centrale euvel is dus dat wij nog steeds een gedragsprincipe hebben dat op zo'n verband is ingesteld, terwijl we leven in omstandigheden die daar mijlen ver aan zijn ontgroeid. Ons ingebouwde programma is ingesteld op eigen handelingsbekwaamheid, maar in het huidige bestaan is dat ontoereikend. Anders gezegd: de cultuur is op een holletje de evolutie gepasseerd.

Skinner geeft hiermee aan het sociologische begrip 'vervreemding' een psychologische onderbouwing. In de westerse wereld is men voor een belangrijk deel de greep op eigen levenscondities kwijt, doordat de zorg daarvoor is uitbesteed aan maatschappelijke organen van hoger orde dan een menselijk individu. Dat kan ook niet anders in een complexe samenleving als de onze, maar het betekent wel dat men veel gedragsbekrachtigers moet ontberen, waarop men van nature wel is ingesteld, gezien de genetische bagage, die nog steeds gebaseerd is op zorg voor het eigen voortbestaan.

Skinner beschrijft enkele consequenties. Bij voorbeeld: waar invloed op de omstandigheden als bekrachtiger ontbreekt, krijgt plezierigheid als gedragsbepalend principe de overhand. Prettig of onprettig, dat is de kwestie. Interessant, mooi, lekker, amusant, opwindend zijn de moderne reinforcers. Een probleem daarvan is dat zij niet afhankelijk zijn van gedrag dat nodig is voor het voortbestaan. Men kan ze passief ondergaan. Een ander probleem is dat prettige gevoelens onderhevig zijn aan verzadiging, zodat iedere keer weer iets nieuws moet worden verzonnen om mensen in actie te houden: ' When the strengthening consequences of behavior were sacrified for the sake of pleasing, behavior simply grew weak.' Bovendien is hierdoor de tolerantie voor onlust verlaagd: ' We escape not only from painful extremes of temperature and exhausting work, but also from the mildest discomforts and annoyances', met de eerder genoemde libertas nervosa als gevolg.

Een andere consequentie van het wegvallen van het directe en specifieke verband tussen menselijk handelen en levensomstandigheden is dat er een algemene, intermediaire reinforcement is ontstaan in de vorm van geld. Geld is een belangrijke motor achter menselijk handelen geworden. Skinner beschrijft dat niet als moreel probleem, maar louter als nadeel in het licht van de behavioristische psychologie. Geld is veel te ongedifferentieerd je kunt er zo veel verschillende dingen mee doen dan dat het geschikt is om een genuanceerd operant conditioneringsproces vorm te geven, waarmee men weer invloed op eigen levensomstandigheden kan terugkrijgen.

Hoewel Skinner daar niet expliciet over schrijft zal wat opgaat voor geld als beloning, ook van toepassing zijn op geld als straf. Geldboetes zijn veel te ongedifferentieerd om menselijk gedrag in wenselijke richting te sturen. Hoge bekeuringen voor automobilisten die zich niet houden aan de regels van zorgvuldig verkeer zijn niet effectief. Het effect moet specifiek zijn voor het gedrag. Bij voorbeeld niet meer kunnen rijden omdat de auto in beslag genomen is.

In het algemeen is het, gezien de recente discussies over normvervaging en strafmaat, verstandig eens te denken aan de Skinneriaanse opvatting die Crombag kernachtig weergaf. Wie menselijk gedrag wil veranderen moet niet aankomen met mentaliteitsverandering, maar moet de omstandigheden zo inrichten dat het gewenste gedrag ook voor het individu het meest bekrachtigend is. Met als een na beste strategie het zorgen voor omstandigheden die zodanig zijn dat ongewenst gedrag geen enkel effect heeft. Campagnes waarmee men vandalisme in het algemeen en grafitti in het bijzonder wil bestrijden door in te spelen op hart en geweten van de jonge klein-crimineel zijn zinloos. Het is trouwens al zo vaak tevergeefs geopperd: het enige dat helpt is zorgen dat er geen effect is, doordat iedere schade en ieder geklieder onmiddellijk worden verwijderd.

Skinner schrijft letterlijk dat de kwaliteit van leven in het westen niet het belangrijkste wereldprobleem is (en de ziekte van Nederland is waarschijnlijk niet meer dan een stevige verkoudheid). Maar omdat het westerse bestaan het ideaal is van veel arme landen, zouden we ons best moeten doen om een fraaier voorbeeld te zijn. B. F. Skinner: What Is Wrong With Daily Life in the Western World? American Psychologist, mei 1986. H. F. M. Crombag: de mythe van de innerlijke drijfveer. NRC Handelsblad, 28-8-1990.

    • Rita Kohnstamm