Beheerste loonontwikkeling prioriteit

Een beheerste loonontwikkeling is de belangrijkste doelstelling van het inkomensbeleid voor 1991 en, volgens het kabinet, een noodzakelijke voorwaarde voor verdere groei van de werkgelegenheid.

De eerste verantwoordelijkheid voor de lonen ligt bij de sociale partners; het kabinet ondersteunt de beheersing van de looonkostenstijging door ervoor te zorgen dat de druk van belastingen en premies niet verder stijgt. Een beheerste loonontwikkeling maakt het mogelijk de dit jaar herstelde koppeling tussen lonen en uitkeringen te handhaven. Dit schrijft minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid in de 'Notitie Inkomensbeleid 1991', die hij vandaag heeft aangeboden aan de Tweede Kamer.

De Vries zei vrijdag dat de koppeling van inkomens van uitkeringsgerechtigden en ambtenaren aan die in het bedrijfsleven volgend jaar onbetaalbaar dreigt te worden als de lonen in het bedrijfsleven sterker stijgen dan dit jaar (gemiddeld drie procent) en de internationale conjunctuur verslechtert.

Met het oog hierop wil minister De Vries met werkgevers en werknemers de wenselijkheid bespreken van loonmatiging. In het Najaarsoverleg van 2 oktober wil het kabinet met werkgevers en werknemers de mogelijkheid bespreken deloonstijging volgend jaar tot drie procent te beperken.

In dit overleg wil het kabinet CAO-partijen krachtig oproepen een deel van de beschikbare loonruimte te reserveren voor zogenoemde goede doelen: scholing en werkprojecten. Daarnaast wil het met de sociale partners een strategisch plan maken voor de aanpak van de arbeidsongeschiktheid en de minderhedenproblematiek.

Het kabinet kreeg vorige week steun van de Commissie van Economische Deskundigen van de Sociaal-Economische Raad. De nadelige effecten van een relatief grote loonstijging worden op de geintegreerde Europese markt steeds groter. De noodzaak tot loonmatiging wordt daarom steeds belangrijker, meent de CED. Gelet op de beleidsinspanningen van het kabinet op onder meer de terreinen van milieu en van verkeer en vervoer is er volgend jaar slechts weinig ruimte voor koopkrachtverbetering, schrijft De Vries in de notitie Inkomensbeleid.

De koopkracht van alle huishoudens met uitzondering van uitkeringsgerechtigden die een inkomen boven modaal krijgen zal licht stijgen. Op minimumniveau gaan gezinnen met kinderen er 0,5 procent op vooruit. De koopkracht van alleenverdieners in de marktsector met een modaal inkomen of hoger stijgt met 0,7 procent.

Het inkomensbeleid is erop gericht de welvaartsgroei gelijkwaardig te verdelen. Hiertoe heeft het kabinet onder meer de koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de lonen in de marktsector hersteld.

De aanpassing van minimumloon en uitkeringen gebeurde dit jaar nog op grond van de Wet aanpassingsmechanismen (WAM). Het is de bedoeling dat met ingang van 1 januari 1991 de koppeling gebeurt op grond van de nieuwe Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid. De koppeling is weliswaar uitgangspunt voor het kabinet, maar mag geen volledig automatisme zijn. Het wetsvoorstel, dat de Tweede Kamer nog moet krijgen, biedt de mogelijkheid van de koppeling af te wijken bij bovenmatige loonontwikkeling of een zo sterk tegenvallende volume-ontwikkeling in de sociale zekerheid dat premiestijging dreigt.

Gelet op de beperkte ruimte voor verbetering van de koopkracht is het van belang dat de ruimte evenwichtig wordt verdeeld over de verschillende inkomensgroepen. Het kabinet heeft zich daarom ingespannen om het aanvankelijke verschil tussen minimum en twee keer modaal te verminderen. Om met de sociale partners tot afspraken te komen over matiging van de loonontwikkeling is een extra verhoging van de kinderbijslag afgesproken. De kinderbijslag voor het eerste kind wordt met 14 gulden verhoogd. Deze verhoging komt bovenop de verhoging van 48 gulden voor een kind in de leeftijd van 6 tot 12 jaar die in het regeerakkoord was afgesproken. De totale extra uitgaven aan kinderbijslag komen in 1991 uit op ongeveer 130 miljoen gulden.

Daarnaast heeft het kabinet besloten tot een aanvullend pakket maatregelen in de sfeer van de ziektekosten. De nominale ziekenfondspremie, het deel van de ziekenfondspremie dat wordt geheven in de vorm van een vast bedrag per verzekerde, stijgt minder dan was voorzien. De nominale premie wordt volgend jaar 228 gulden.

In het kader van de operatie-Oort is geregeld dat de alleenstaandentoeslag voor mensen ouder dan 27 jaar zou worden afgeschaft wegens de gewenste eenvoud van het belastingstelsel, de fraudegevoeligheid van de alleenstaandentoeslag en de relatief gunstige welvaartspositie van alleenstaanden. Het kabinet heeft besloten deze toeslag niet in een keer af te schaffen, maar geleidelijk. De toeslag wordt in 1991 verlaagd naar 845 gulden. De verlaging is zo gekozen dat de koopkracht van alleenstaanden op minimuniveau wordt gehandhaafd. De koopkracht van alleenstaanden met een uitkering boven het minimum daalt in 1991 licht als gevolg van het gelijktrekken van de berekeningswijze van de uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

Bij de besluitvorming over de afschaffing van de toeslag zal het advies van de commissie-Stevens worden betrokken. Deze commissie werkt aan een advies over verdere vereenvoudiging van het belastingstelsel.

Zonder maatregelen zou de koopkracht van alleenstaande bejaarden met een klein pensioen die in het ziekenfonds zitten in 1990 dalen als gevolg van de operatie-Oort. Om dit te voorkomen, zullen alleenstaande bejaarden en bejaarden met een partner jonger dan 65 jaar nog dit jaar een eenmalige uitkering van 50 gulden ontvangen. Ook andere groepen die door Oort een lagere vakantie-uitkering hadden ontvangen deze eenmalige uitkering.

Volgend jaar stijgt de koopkracht van alle bejaarden. Bejaarden met een standaardpakketpolis gaan er meer op vooruit dan bejaarden in het ziekenfonds. Dat komt doordat de premie van de standaardpakketpolis aanzienlijk wordt verlaagd. Wel blijft deze polis duurder dan de ziekenfondsverzekering. Van hetzelfde bruto-inkomen houden bejaarden die in het ziekenfonds zitten dus meer over dan bejaarden met een standaardpakketpolis.

In de notitie Inkomensbeleid 1991 wordt ingegaan op het verschil tussen netto minimuminkomen bij een baan en het netto inkomen met een uitkering. Uit onderzoek blijkt dat een alleenverdiener met het minimumloon slechter af kan zijn dan een alleenverdiener met een minnimumuitkering. Als alleenverdieners boven het minimumloon uitstijgen, wordt dit nadeel overwonnen. Omdat de afstand tussen sociaal minimum en minimuloon al klein is, is het volgens De Vries niet wenselijk dat de inkomensverschillen op of vlak boven het minimum nog kleiner worden.

Bij de beoordeling van nieuw beleid dat de bestedingsmogelijkheden van mensen beneden de 65 jaar met een uitkering verruimt, moet nadrukkelijk worden gelet op de effecten ervan voor de arbeidsmarkt. Grote terughoudenheid is geboden bij dergelijke maatregelen, meent De Vries.