Amerikaanse ruimtevaart betaalt voor fouten uit verleden; Alles lekt tegenwoordig bij Nasa

ROTTERDAM, 17 sept. 'Kan NASA zijn opdracht waarmaken? Mijn antwoord is simpel: reken maar.'

Stoere taal van de Amerikaanse vice-president Dan Quayle, toen eerder deze maand het ruimteveer Columbia eindelijk van start zou gaan met een geavanceerd pakket astronomische instrumenten onder de verzamelnaam Astro-1. Maar Quayles woorden waren nog niet koud of de vluchtleiders op Cape Canaveral moesten de lancering voor de zoveelste keer afblazen. Reden: brandstoflekkage. Alweer.

En alsof dat allemaal nog niet frustrerend genoeg was, traden er ook nog problemen aan het licht met het ruimteveer Discovery. Dat toestel moet in oktober een unieke (voornamelijk Westeuropese) sonde de Ulysses in de ruimte brengen om uiteindelijk een zodanige baan om de zon te gaan beschrijven dat daardoor de nog nooit eerder bestudeerde polaire gebieden van onze centrale ster onder de loep kunnen worden genomen.

Maar het is mogelijk dat die toch al ettelijke jaren vertraagde lancering opnieuw meer dan een jaar moet worden uitgesteld, wegens lekkage in een koelsysteem. Alles lekt tegenwoordig bij de NASA, maar het lek in de koeling van de Discovery is extra vervelend, want die Discovery moet gewoon voor 23 oktober van start gaan. Als dat niet gebeurt, is de missie voorlopig niet meer haalbaar en moet er 13 maanden worden gewacht.

Voor Dan Quayle de Amerikaanse vice-president is voorzitter van de Raad voor de Ruimtevaart kwamen die nieuwe problemen trouwens wel erg ongelukkig uit na zijn 'pep talk' in Houston voor het steeds gefrustreerder rakende NASA-personeel. Hij had juist geprobeerd ze een hart onder de riem te steken bij alle golven van kritiek die hen de laatste maanden overspoelen. 'U hebt de goede carriere gekozen. Neem dat maar rustig aan van een vent die alles afweet van ongerechtvaardigde kritiek. Als ze het eenmaal op je gemunt hebben, weten ze van geen ophouden meer.' Met die 'ze' doelde Quayle kennelijk op de media, die zijn humeur nooit positief hebben beinvloed. Maar als Quayle spreekt van 'ongerechtvaardigde kritiek' op de NASA, dan zit daar een forse kern van waarheid in. Het zijn namelijk niet in de eerste plaats de huidige leiders van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie, die fouten hebben gemaakt. De grootste missers dateren van twintig jaar geleden, toen op het hoogste niveau in Washington werd besloten de voor het Apollo-maanprogramma opgebouwde ruimtevaartmachinerie met al zijn kennis en technisch kunnen te ontmantelen en op de schroothoop te gooien.

In het begin van de jaren zeventig was het president Nixon, die het wegens het wedstrijdelement bij het doorsnee-publiek aanvankelijk zeer populaire Apollo-maanproject voortijdig beeindigde, omdat de naam van zijn aartsvijand John Kennedy er nog altijd te nauw mee verbonden was. Geen Apollo's meer, geen Saturnus V-raketten, geen serie Skylab-ruimtestations (er waren ooit twintig van die stations gepland in het kader van het zogeheten AAP, Apollo Applications Program). In plaats daarvan moesten er enkele steeds opnieuw te gebruiken ruimteveren komen: het Space Shuttle-project. Die shuttles zo liet Nixon zich voorspiegelen zouden wel zestig vluchten per jaar kunnen maken tegen maar een fractie van de kosten die gemoeid waren met het lanceren van conventionele wegwerpraketten. Die wegwerpraketten konden ook rustig worden afgedankt (de Sovjet-Unie deed dat bepaald niet). Het 'ruimteveer' werd Amerika's nieuwe heilige koe in de ruimte. De rest werd er aan opgeofferd.

Toen in 1986 het ruimteveer Challenger ontplofte als gevolg van grove schending van de meest elementaire veiligheidsbepalingen de ramp eiste zeven mensenlevens was allang bekend dat het Shuttle-project een uiterst oneconomisch en ook gevaarlijk programma was. Het scheelde maar heel weinig of diezelfde Challenger was al in september 1983 met man en muis vergaan. Door een fabrikagefout brandde de wand van een van de grote aanjaagraketten bijna door. Had het systeem een paar seconden langer gewerkt, dan was dat inderdaad gebeurd en was Richard Truly een van de bemanningsleden nu niet de directeur van de NASA geweest. Diezelfde Truly reageert nu een beetje moedeloos op de kritiek die NASA de laatste weken over zich heen krijgt omdat er al sinds eind mei geen ruimtevluchten meer worden uitgevoerd wegens brandstoflekkage-problemen, die gek genoeg niets met elkaar te maken hebben, maar bij het grote publiek wel de indruk wekken dat de NASA-technici zelfs simpel loodgieterswerk al niet meer aankunnen. 'Het is erg frustrerend als je niet meer serieus wordt genomen en als je belachelijk wordt gemaakt, terwijl je alleen maar bezig bent problemen te verhelpen ter wille van de veiligheid van de astronauten', geeft Truly toe.

Bruce Murray, voormalig hoofd van het befaamde Jet Propulsion Laboratory in Pasadena, gaat nog een stap verder: 'Het is gewoon niet fair om het huidige NASA-personeel onder vuur te nemen, terwijl ze alleen maar proberen een in wezen zwak project zo veilig mogelijk te realiseren.'

Volgens John Logsdon, directeur van het Instituut voor Ruimtevaartbeleid van de Washington University, begon de ellende in maart 1970, toen Nixon concludeerde dat het niet echt belangrijk was voor de VS om een groots opgezet ruimtevaartprogramma te hebben. Hij veegde de plannen voor ruimtestations, de vestiging van bases op de maan en expedities naar Mars van tafel. 'Toen werd alles anders', aldus Logsdon. 'Toen hield de NASA zich in feite alleen nog maar bezig met de strijd om het voortbestaan. En in dat gevecht om te overleven, bleek plotseling alles geoorloofd. Men begon zichzelf en anderen van alles wijs te maken.' Ruimtevaarthistorici zijn het er in grote lijnen over eens dat de ongelooflijk positieve verhalen over de mogelijkheden van de Space Shuttle deel hebben uitgemaakt van dat bedrog. Nixon trapte er in elk geval in toen hij in 1972 opdracht gaf een ruimteveer te ontwikkelen. Die opdracht beschouwt Logsdon als 'een van de grootste vergissingen van de laatste kwart eeuw.' En nu met drie ruimteveren aan de grond, een door slordigheden van tien jaar geleden 'bijziende' Hubble-telescoop in de ruimte, een Mageillan-Venusverkenner die communicatieproblemen heeft en plannen voor een Freedom-ruimtestation, dat nauwelijks te realiseren lijkt en waarvan steeds meer deskundigen zich afvragen wat het nut ervan is wordt van tijd tot tijd (maar wel steeds vaker) de verzuchting gehoord: 'Hadden we nog maar Saturnus V-raketten.' Er zijn er nog twee: een in Huntsville en een in Houston, als publiekstrekkers. Maar die zullen nooit meer vliegen. Ze beginnen al roestig te worden.

Het enige dat niet roest, is de heimwee naar de gouden tijden van Gemini en Apollo. Toen was nog mogelijk wat president Bush in juni van het vorig jaar zei ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de eerste landing op de maan: 'Wat de Amerikanen dromen, kunnen ze ook verwezenlijken.' Maar vertel dat nog maar eens aan Dan Quayle, Richard Truly en de commissies die zijn gevormd om de NASA weer een echt doel te geven, zonder dat daar een Koude Oorlog en een wedloop met de Sovjets voor nodig zijn: een ruimtestation, maanbases en landingen op Mars. Ook in Amerika blijken de mogelijkheden ineens niet meer onbegrensd. En de schok van die ontdekking is de NASA nog steeds niet te boven.

    • Sjoerd van der Werf