Dean Rusk breekt belofte geen memoires te schrijven; Weiniggevoel voor joodse tragedie

Meer dan twintig jaar nadat hij zich had teruggetrokken uit de politiek, na een ministerschap van buitenlandse zaken onder Kennedy en Johnson, en bijna dertig jaar nadat hij had aangekondigd nooit zijn memoires te zullen schrijven, is Dean Rusk toegetreden tot de lange lijst voormalige Amerikaanse politici die met recht of ten onrechte menen dat zij de morele verplichting hebben hun versie van de geschiedenis te vertellen. In Rusks geval is de ware 'boosdoener' niemand minder dan Rusks zoon, de vierenveertigjarige Richard, die in 1984 zijn huis in Alaska verkocht en met zijn gezin naar Georgia verhuisde om zijn vader, op dat ogenblik emeritus hoogleraar internationaal recht, over te halen samen met hem een boek te schrijven. As I saw it, van Dean Rusk, opgetekend door Richard Rusk, werd onlangs door Norton Press in New York gepubliceerd.

Het verhaal van Dean Rusk is typisch Amerikaans. Hij werd geboren op een kleine boerderij in Georgia, doorliep een provinciale middelbare school en won een Rhodes Scholarship voor Oxford. Dit waren vormende jaren, begin jaren dertig, en Rusk studeerde ook nog in Duitsland, waar hij getuige was van de opkomst van Hitler. In de oorlog diende Rusk zijn land in Zuidoost-Azie en in Washington bij het ministerie van oorlog. Tijdens de regering-Truman begon Rusks diplomatieke ster te rijzen. Zijn mentoren waren de twee kleurrijkste leiders en grondleggers van de vooroorlogse buitenlandse politiek, George Marshall en Dean Acheson. Toen John Kennedy tot president werd gekozen, vroeg hij Rusk het ministerschap van buitenlandse zaken op zich te nemen.

Het voornoemde boek, een lijvig werk van meer dan 650 bladzijden, is hoofdzakelijk het verhaal van Rusks periode bij Buitenlandse Zaken. Het mag dan niet de meest stimulerende smaakmaker zijn voor een beginner die alles wil weten van het tijdperk Kennedy-Johnson, het zal zeker de meer gelouterde beoefenaar van de geschiedwetenschap boeien. Vader en zoon beschrijven met ontroerende openhartigheid Dean Rusks Vietnam-politiek, een tragisch en dubieus hoofdstuk uit zijn leven. Rusk senior neemt de volledige verantwoordelijkheid op zich voor zijn aandeel in de beslissingen van de jaren zestig. Rusk is pijnlijk openhartig over zijn rol. Hij geeft zijn fouten op tactisch gebied toe, maar zijn tegenwoordige persoonlijke visie 'verschilt nauwelijks van zijn officiele standpunten als minister van buitenlandse zaken'. Zoon Richard leed in de jaren zestig aan wat een psycholoog zou betitelen als 'vaders depressie'. Het schrijven van Rusks memoires eind jaren tachtig was in zekere zin een therapeutische oefening voor vader en zoon.

Heilige principes

Een minister van buitenlandse zaken moet zijn president naar diens believen dienen. Acheson merkte eens op dat 'in de verhouding tussen de president en de minister van buitenlandse zaken het van belang is dat beiden altijd beseffen wie de president is'.

Het adviseren van de president over de te volgen buitenlandse politiek en het uitvoeren van de presidentiele beslissingen over de toepassing van die politiek dat waren de heilige principes en taken voor Dean Rusk. Als een minister van buitenlandse zaken een keer van mening verschilt met de president, 'heeft hij maar twee mogelijkheden: de president te steunen of ontslag te nemen'.

In navolging van zijn grote voorbeeld, George Marshall, achtte hij loyaliteit jegens de president altijd van hoger belang dan het cultiveren van het eigen gekwetste ego. Discretie en bescheidenheid bleken vaak zijn handelsmerk te zijn. Hij koesterde deze eigenschappen met hardnekkigheid en vertrouwen. Hij kwam zelden met grote plannen en kan nauwelijks worden gezien als de ontwerper van enige politieke lijn. Vele van zijn denkbeelden werden door zijn superieuren weggewuifd, maar omdat hij ten diepste een technocraat was, een diplomaat, en niet een man met visie, grote gedachten of een vruchtbare intellectuele geest, was zijn invloed in die tijd meer gelegen in het uitvoeren dan in het ontwerpen van de buitenlandse politiek. Marshall droeg zijn ondergeschikten op nooit met een vraag te komen zonder een voorstel tot oplossing. Rusk trachtte deze bestuurlijke gewoonte over te nemen en meestal slaagde hij daar wel in.

Zijn betrokkenheid bij kwesties over het Midden-Oosten in het algemeen en Israel in het bijzonder gaat terug tot in de jaren veertig, toen Rusk bij Buitenlandse Zaken fungeerde als directeur van VN-zaken. Vreemd als het mag klinken, heeft Rusk nooit de gelegenheid gevonden Israel te bezoeken, of enig ander land in de regio. Hij reisde naar West-Europa, naar de Sovjet-Unie en naar Azie, maar ontliep het Midden-Oosten. De grond voor Rusks aarzeling om actiever bij het Midden-Oosten betrokken te raken, ligt misschien besloten in zijn eerdere ervaringen en de opgelopen littekens tijdens de regering-Truman.

Van die periode af is zijn verhaal zeer interessant. Het weerspiegelt in onverholen termen Rusks opvallend gebrek aan gevoel voor de joodse tragedie en zijn koele houding tegenover de explosieve situatie, die zich toen in Palestina ontvouwde. Geconfronteerd met de tegenstrijdige eisen van joden en Arabieren had Rusk de neiging de platvloerse Britse formule toe te passen die is gebaseerd op de houding: wij zullen ons neerleggen bij elke beslissing die door de twee tegenstanders wordt genomen. Dat recept was al eerder beproefd en het werkte nooit. Later ontdekte Rusk zelf dat internationale verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid niet noodzakelijkerwijs samengaan met zo'n afstandelijke politiek.

Compromis

De Britten droegen uiteindelijk de Palestijnse kwestie in 1947 over aan de Verenigde Naties. Nadat zij een afvaardigingscommissie hadden gestuurd om de situatie in ogenschouw te nemen en nadat de Algemene Vergadering dat najaar de stichting van een joodse en een Arabische staat in het oude gebied van Palestina had geadviseerd, accepteerden de joden het compromis, terwijl de Arabieren het verwierpen en erover oorlog voerden. Rusks verslag van deze historische ontwikkelingen is in zijn geheel genomen accuraat, maar helaas voegt hij daaraan, waarschijnlijk onbedoeld, enkele feitelijke onjuistheden toe. Bij de behandeling van de laatste fase van het Britse mandaat, vlak voor de Britse terugtrekking uit Palestina, zegt Rusk 'dat noch de Arabieren, noch de joden het scheidingsverdrag wilden aanvaarden'. Dit is gewoon niet waar. Rusk heeft mogelijk bij de presentatie van dit tendentieuze beeld gezocht naar een aanvaardbaar excuus voor zijn betrokkenheid bij de stroming die toen bij Buitenlandse Zaken heerste, om de Amerikaanse hulp aan het scheidingsverdrag op te schorten. In maart 1948 deed een Amerikaanse VN-vertegenwoordiger het voorstel voor een voogdijschap over Palestina, in afwachting van het ogenblik dat 'joden en Arabieren hun eigen oplossing kunnen bedenken'.

Dit hield in wezen een afwijzing in van het plan voor de stichting van de staat Israel. Dat voogdijschap-voorstel 'ontplofte als een bom en veroorzaakte grote beroering onder de zionisten'. Rusk zag zich geconfronteerd met boze Amerikanen, joden en niet-joden, die het nieuwe voorstel beschouwden als een verwerping van het scheidingsplan. Het Witte Huis was bijzonder ontevreden; 1948 was een verkiezingsjaar. Trumans juridisch adviseur, Clark Clifford, belde Charles Bohlen van Buitenlandse Zaken op en ontbood hem samen met Rusk. Clifford, zo herinnert Rusk zich, was 'spinnijdig'.

Het klonk als een uitnodiging voor een ernstige reprimande. Bohlen haalde het oorspronkelijke telegram tevoorschijn dat was gestuurd aan de Amerikaanse VN-delegatie in New York, en waarin het raamwerk was aangegeven waarmee het voogdijschap-voorstel zou worden bekendgemaakt. Op het originele telegram stond de aantekening: 'Goedgekeurd door de president. George Marshall'. Wellicht had president Truman niet volledig begrepen waarvoor hij toestemming gaf, of heeft hij uit politieke overwegingen geprobeerd de verantwoordelijkheid af te schuiven. Dat is de overtuiging van Rusk veertig jaar later. 'Ernstig verontrust door de Holocaust, zich ervan bewust dat bijna elk land, de Verenigde Staten incluis, anti-joodse vooroordelen had, was hij sterk voor een thuisland voor het joodse volk in Palestina. Tegelijkertijd was hij het met Marshall eens dat het Midden-Oosten een oplossing nodig had waarmee beide partijen konden leven. In een poging deze twee doelstellingen te bereiken, gaf Truman soms tegenstrijdige opdrachten'.

Dynamiet

Rusk geeft toe deze tweestrijdige gedachten over Israel te hebben gedeeld. Het Palestijnse vraagstuk, zegt Rusk 'was niet alleen emotionele dynamiet, maar verwarrend, en beheerst door tegenstrijdigheden'.

Met die ideologische erfenis neemt Rusk in januari 1961 de zware verantwoordelijkheid op zich als minister van buitenlandse zaken onder president Kennedy. Begin dat jaar hadden Kennedy en Rusk besloten dat zij niet met een of ander Amerikaans 'vredesplan' naar het Midden-Oosten zouden gaan om dit aan beide partijen te verkopen. Dit besluit, beweert Rusk 'was het gevolg van de betrekkelijke rust in de Arabisch-Israelische verhoudingen en van mijn eigen ervaringen tijdens de Truman-jaren, toen ik bij de onderhandelingen door de Arabieren en door de joden in de hoek werd gedreven'. Het wordt vaak over het hoofd gezien dat de Verenigde Staten altijd hebben geprobeerd de verhoudingen in het Midden-Oosten 'zo eerlijk mogelijk te verdelen, ondanks onze hechte vriendschap met Israel'.

Kennedy en Rusk deden verwoede pogingen de verhouding met Nasser en met Egypte te verbeteren, 'maar zonder resultaat', zegt Rusk. Nasser was onvoorspelbaar, het was buitengewoon moeilijk om met hem samen te werken (dat klinkt bekend als we denken aan de pogingen om met Saddam Hussein om te gaan). 'Elke keer dat onze ambassadeur of een persoonlijke afgezant met Nasser een ontmoeting had, kreeg hij de indruk een redelijk man voor zich te hebben. Maar elke keer dat Nasser voor zijn eigen volk stond, verloor hij zijn verstand en begon hij te schreeuwen of zei hij de vreemdste dingen.' In zijn analyse van de gebeurtenissen die voorafgingen aan de Zesdaagse Oorlog toont Rusk een gerijpt inzicht. Zes jaren ministerschap en vele pogingen om potentiele brandhaarden te doven hebben hun sporen nagelaten op het denken van Rusk. Het presidentschap van Johnson in 1967 droeg daartoe ook enigszins bij. Rusk beschrijft de pogingen om Egypte over te halen de blokkade in de Golf van Aqaba op te heffen. Maar 'in alle eerlijkheid tegenover Israel, gezien de omvangrijke Arabische mobilisatie, de Egyptische troepenbewegingen in de Sinai-woestijn, de vorming van een Arabisch opperbevel, het Jordaans-Egyptische bondgenootschap, de Iraakse en Egyptische troepenbewegingen in Jordanie en de opleving van de Arabische propaganda voor een heilige oorlog gezien dat alles zou de situatie voor Israel, als het had gewacht totdat de Arabieren hadden toegeslagen, zeer ernstig zijn geweest. Rusk had toch al geen hoge pet op van de leer van preventieve zelfverdediging omdat 'zij zo eenvoudig te misbruiken is'.

Maar als er ooit een rechtvaardiging was voor een preventieve actie, zou de Zesdaagse Oorlog daarvoor als casus kunnen dienen. Het zou als wijze raad kunnen dienen voor de oplossing van het Amerikaanse dilemma in de Golf.

    • Shimshon Arad