Collectie van echtpaar Frost toont levendig beeld van Amerikaanse schilderkunst 1930-1945; Opwinding van 'Abstract Artists' nognavoelbaar

Volgens de kunstgeschiedenisboeken ontstond de Eerste Echte Amerikaanse kunststroming, het Abstract Expressionisme, min of meer uit het niets. Deze stroming zou het resultaat van een kruisbestuiving tussen kubisme en surrealisme, waarvan een groot aantal vertegenwoordigers, Europese schilders en beeldhouwers, zich bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vestigde in Amerika. New York volgde hiermee Parijs op als het wereldcentrum van de moderne kunst. Musea en kunsthistorici hebben tot voor kort nauwelijks aandacht besteed aan hetgeen zich in de jaren dertig in Amerika zelf afspeelde op het gebied van de abstracte kunst. Zij achtten dit van weinig belang voor de ontwikkelingen in de moderne kunst in de daaropvolgende decennia.

Deze voorstelling van zaken doet, zoals te zien is op de tentoonstelling van de collectie van Patricia en Philip Frost in de Nieuwe Kerk, geen recht aan de Amerikaanse experimenten met de abstracte schilderkunst in de vooroorlogse periode. Tientallen New Yorkse kunstenaars waren toen al goed op de hoogte van de recente ontwikkelingen in de Europese schilderkunst. Zij waren in de jaren twintig afgereisd naar Parijs waar zij zich verdiepten in het kubisme van Picasso, Braque, Gris en Leger, en ook naar Munchen om lessen te volgen aan de school voor moderne kunst van Hans Hofmann.

Eenmaal weer terug in New York legden de Amerikanen zich erop toe om hetgeen zij hadden gezien en geleerd te verwerken tot een eigen abstracte beeldtaal. Hun werk werd in de pers echter negatief ontvangen, en de musea hadden er geen belangstelling voor. De invloedrijke directeur van het in 1930 opgerichte Museum of Modern Art, Alfred Barr, richtte zijn aandacht uitsluitend op de ontwikkelingen in Europa, en ook het Whitney Museum - opgericht in 1931 - negeerde deze schilders.

Dit gebrek aan respons deed de Amerikanen ertoe besluiten zich te verenigen tot de 'American Abstract Artists'. Het was een gemeleerde groep: onbekenden als Dwinell Grant, Rosalind Bengelsdorf en Arthur N. Christie maakten er deel van uit, maar ook een belangrijk schilder als Ad Reinhardt, en uit Europa geemigreerde grootheden als Laszlo Moholy-Nagy en Josef Albers. De initiatiefnemers ontvingen adhesiebetuigingen van Mondriaan en Leger. Overigens waren op de oprichtingsvergadering ook Willem de Kooning en diens boezemvriend Arshile Gorky aanwezig, maar zij moesten, naar verluidt, vanwege hun luidruchtig gedrag van de bijeenkomst worden verwijderd.

De American Abstract Artists organiseerden tentoonstellingen en lezingen en probeerden een theoretische basis te vinden voor de abstracte schilderkunst. De onderlinge contacten hadden een stimulerend effect, zoals bijvoorbeeld blijkt uit wat Reinhardt later zei toen hij zich een bijeenkomst herinnerde: 'Dat was een van de belangrijkste dingen die mij overkwamen. Alle grote abstracte kunstenaars - Mondriaan, Leger, Albers - waren aanwezig, en ook alle Amerikanen die ik bewonderde - Holty, Diller, Balcomb Greene, Cavallon, McNeil en andere postkubistische, geometrisch abstracte schilders.'

De activiteiten van deze schilders zouden de voedingsbodem vormen voor de bloei van de Amerikaanse abstracte kunst in de jaren veertig en vijftig.

Gevarieerd

In 1980 besloot het echtpaar Patricia en Phillip Frost uit Florida om werk van de American Abstract Artists te gaan verzamelen. In slechts vijf jaar legden zij een collectie aan, die zij in 1986 schonken aan het Smithsonian Institute in Washington. Zij hebben de schilderijen bijeengebracht met het expliciete oogmerk om ze als geheel aan een museum te schenken. De verzameling is zeer gevarieerd, zowel wat betreft het niveau van de werken als wat betreft de stijl van schilderen. Op de tentoonstelling in Amsterdam hangt rijp en groen onbekommerd door elkaar. Ook blijkt hier weer eens hoe rekbaar het begrip 'abstract' is. Alles bij elkaar levert de Frost-collectie een levendig beeld op de van de Amerikaanse schilderkunst in de periode 1930 tot 1945. Dat dit beeld zo levendig is, en niet dor en doods zoals dat bij geometrische abstracte schilderkunst maar al te vaak het geval is, heeft veel te maken met het feit dat deze schilders er geen dogma's over de abstractie op nahielden. Het onderwijs van Hofmann, die in 1932 naar New York verhuisde en daar een school oprichtte, is hierbij van grote invloed geweest. Meer dan de helft van de American Abstract Artists heeft les van hem gehad.

Hofmann beschouwde het beeldoppervlak als een zelfstandig, 'levend' gegeven van vorm, energie en kleur. Schilderen was het creeren van ruimte op het vlak door middel van vorm en kleur, waarbij het ritme van vormen en de 'leegten' daartussen de belangrijkste eigenschap is van het schilderij. Maar dit betekende niet dat de natuur niet meer als uitgangspunt kon dienen. Hofmann zelf keerde juist terug naar een meer expressionistische, op de natuur geinspireerde manier van schilderen. Op de expositie is van hem een landschappelijke impressie, getiteld 'Avondrood' (1938) te zien. Het is virtuoos geschilderd, met een overtuigende, expressieve toets, zij het dat de compositie wat onevenwichtig is.

Ritmisch

Het lag in de lijn der verwachting dat het werk van de Europese immigranten en de aanstekelijk ritmische doeken van Reinhardt tot het beste in de collectie behoren. Het prachtige schilderij 'Leuk' van Moholy-Nagy is vol van lyriek en humor. Helion schilderde met aquarel en gouache een overtuigende kubistische compositie van een vaas en het schilderij van Albers, fascinerend door de spanning tussen rigoreuze systematiek en gloedvol coloriet, domineert zijn hele omgeving.

Maar dit neemt niet weg dat er veel is onder het werk van de Amerikanen dat de aandacht van MOMA-directeur Barr zeker had verdiend. Verrassend is hierbij het grote aantal vrouwelijke schilders onder de American Abstract Artists. Een constructivistische collage van Gertrude Greene behoort tot het beste in de verzameling, en ook de schilderijen van Rosalind Bengelsdorf dwingen door een zekere stoutmoedigheid en onbevangenheid respect af. De poetische collages van Balcomb Greene - inderdaad, de echtgenoot van Gertrude; de meeste schilderessen hadden een echtgenoot binnen de groep - en de expressionistische maar toch duidelijk gestructureerde schilderijen van McNeil vertegenwoordigen weer andere mogelijkheden binnen het spectrum van de abstractie. Het boeiendste aspect van de expositie is dat de opwinding en het optimisme die onder deze kunstenaars heersten navoelbaar, bespeurbaar zijn - de opwinding over hun ontdekkingen en experimenten en het vertrouwen dat ze erin zouden slagen om een nieuwe beeldtaal te scheppen. Het is wonderlijk hoe er in een kunstwerk iets kan voortleven van het historische moment van ontstaan en van het avontuur van de ontdekking, ook in kunstwerken die niet tot het hoogste niveau behoren.