Boe-geroep bij Leeuw voor Rosencrantz en Guildenstern

VENETIE, 17 sept. Begeleid door boe-geroep en gefluit uit het publiek van het slotgala heeft de Engelse toneelschrijver Tom Stoppard afgelopen zaterdag de Gouden Leeuw in ontvangst genomen, de hoofdprijs van het 47ste Filmfestival van Venetie. De jury kende die toe aan zijn filmdebuut Rosencrantz and Guildenstern are dead, waarmee hij een eigen stuk uit 1966 verfilmde.

Naar verluid is het vooral jury-voorzitter Gore Vidal geweest die zich sterk heeft gemaakt voor deze, niet unaniem tot stand gekomen, bekroning van een film die betrekkelijk clichematig verfilmd toneel ten beste geeft. Vidal heeft zich al vele malen uitgelaten over zijn voorkeur voor scenario's als kunstvorm en voor een 'filmkunst van woorden'. De twee Zilveren Leeuwen gingen naar Martin Scorsese, voor de regie van GoodFellas, en naar de Deense cineaste Helle Ryslinge, voor het scenario van Sirup. Ook die laatste bekroning, voor een infantiel provocerende film over een man die door zijn vriendin wordt ontmaskerd als slappeling, werd uitgefloten. Als beste acteur van het Venetiaanse festival van dit jaar werd de Bulgaar Oleg Borisov gelauwerd (voor zijn rol in De laatste getuige van Michael Pandurski), als beste actrice de Chileense Gloria Munchmeyer (La luna en el espejo van Silvio Caiozzi). Er was een bekroning die ovationeel werd toegejuicht: het toekennen van de speciale juryprijs aan de film An angel at my table van de Nieuwzeelandse filmmaakster Jane Campion, wier film het festivalprogramma op de valreep nog het cinematografisch evenement schonk dat het tot dan zo node miste.

Jane Campion maakte vorig jaar bescheiden furore met Sweetie en in Venetie bewees ze met An angel at my table het definitieve karakter van haar kwaliteiten. Net als in haar debuut koos ze voor een hoofdpersoon die de realiteit van alledag minder en minder aan kan. Het personage ondergaat de ongevoeligheid waarmee mensen met elkaar omgaan als ware horror, vooral wanneer ze inziet hoe iedereen die manier van doen doodgewoon vindt.

Wat Campion voor Sweetie zocht in excessen, vond ze voor An angel at my table in poezie. Deze film is gebaseerd op de autobiografieen van de Nieuwzeelandse schrijfster Janet Frame (geb. 1924) en is gewijd aan haar leven en aan haar kunst. Campion laat zien hoe Janet Frame zich als plattelands-kind meer en meer isoleerde, wat haar als jonge volwassene een achtjarig verblijf in een inrichting opleverde en meer dan 200 elektroshocks. Haar enige wapen was haar schrijftalent. Zo ging een geplande lobotomie-operatie alleen niet door, omdat Frame net op het juiste moment een literaire prijs kreeg.

Campion wist zich verre te houden van de visuele exploitatie van Frame's verblijf in het gesticht en slaagde erin deze bijzondere vrouw op een waardige manier 'anders' te laten zijn.

Freudiaans

Campions film gaat over een geniaal schrijfster met merkwaardige hebbelijkheden, niet over een flamboyante gek die af en toe wel eens een schrijfmachine aanraakte. Verder onttrekt Campion zich aan de freudiaanse aanpak waar films over al dan niet ernstig gestoorde kunstenaars vaak zo saai van worden. De levensloop van Janet Frame is niet een puzzel die kan worden opgelost als je de juiste stukjes maar kent en in de goede volgorde legt. In plaats daarvan vertelt Campion roekeloos luchthartig, door middel van kleine en grote incidenten, dat Janet Frame een grappig raar kind was en een ontroerend rare volwassene werd. Waarom dat zo is, laat Campion in het midden.

Campion bevestigt met An angel at my table haar eigenzinnige stilistische signatuur zoals die uit Sweetie bleek, met een wonderlijk gebruik van kleuren en kaders. Ze blijft dit keer dichter bij de werkelijkheid, maar ze laat er geen twijfel over bestaan dat het een door haar vormgegeven werkelijkheid is.

Aan het slot zien we Janet Frame naar buiten stappen uit de caravan in de tuin van haar zuster, waar ze inmiddels woont. In de lichtbundel uit de deur doet ze heel even een schutterige twist op de rock en roll-muziek uit haar radiootje een subtieler happy end dan dit zag ik nooit.

Hoe goed Campion het leven van een schrijfster verfilmde, viel nog eens extra op door de film Henry and June van Philip Kaufman. Na The unbearable lightness of being besloot Kaufman nu rijp te zijn voor de studie van Anais Nin. We zien haar, altijd gekleed in een mooi zijden nachtjaponnetje, meer dan eens zitten pennen in een dik schrift. Maar vooral zien we haar pretentieus doen met Henry Miller over hun beider volgens henzelf revolutionaire literaire talent. Pijnlijk duidelijk is dat Kaufman zich niet bijster interesseert voor hun geschrijf en ook niet voor het karakter van hun beider inspiratie, Millers echtgenote June. Het enige dat in Kaufman's Henry and June telt, zijn de erotische relaties van het drietal. Hij beperkt de film zich tot artistiekerig verpakte, sensuele kitsch, in een idioot rustiek Parijs van de jaren dertig zoals alleen Amerikanen dat nog durven neer te zetten.

Zo los als Henry and June uiteen valt, zo dwangmatig vast stak de Fin Aki Kaurismaki zijn I hired a contractkiller in elkaar. De sets, de acteurs, hun kleren en hun spel, alles werd tot op de millimeter uitgerekend en getimed. Dat is korte tijd amusant, maar Kaurismaki's verhaal, over een man die spijt krijgt nadat hij een huurmoordenaar heeft besteld ten behoeve van zijn eigen dood, is al vaker verteld en zelfs de droge, van collega Jim Jarmusch afgekeken, grapjes kunnen de verveling niet bestrijden. I hired a contractkiller had het aardig kunnen doen als korte film. Vijfentachtig minuten is veel te veel.

    • Joyce Roodnat