'We hebben de arme landen steeds afhankelijker gemaakt'; Prins Claus, inspecteur-generaal voor Ontwikkelingssamenwerking: 'Made in Holland, rood-wit-blauwe vlag, daar hebben die landen niet zo veel aan'

DEN HAAG, 15 sept. Een uitgewerkt plan heeft hij nog niet, maar hij ziet de contouren van een concrete utopie voor zich. Telkens opnieuw komt prins Claus in het gesprek erop terug: er moet een weg zijn om de armste landen bij te staan zonder ze tegelijkertijd verder afhankelijk te maken van buitenlandse steun. In zijn werkkamer in paleis Huis ten Bosch schuift hij naar de punt van zijn stoel om zijn argumenten kracht bij te zetten. In de vitrinekast achter hem kleurenfoto's van leeuwen en olifanten en van een klein tentje voor zijn ongestoorde vakanties in de binnenlanden van Tanzania en Kenia.

Prins Claus: 'In Afrika heeft men na de politieke onafhankelijkheid te vaak het heil gezocht in overhaaste industriele ontwikkeling waarbij men dacht de landbouwsector te kunnen overslaan. Maar als je naar ons werelddeel kijkt in de 19de eeuw, dan ging de ontwikkeling van de landbouw hand in hand met de opkomst van de industrie. Veel regeringen van ontwikkelingslanden vooral in Afrika hebben te weinig aandacht aan de ontwikkeling van de landbouw besteed en kwamen ook daardoor in de problemen.' Hij waarschuwt voor grootschalige projecten in de minst ontwikkelde landen, waarbij uiteindelijk het ontvangende land de nieuwe industrieen of irrigatieprojecten moet subsidieren om de zaak draaiende te houden en veelal slechts industriele ruines overblijven. Bij het plannen, het ontwerpen, moet met meer zorgvuldigheid worden gehandeld. Het liefst in nauw overleg en samenwerking met die mensen die je bij wilt staan.

Prins Claus herinnert zich de opmerking van een Afrikaanse minister die hem toevertrouwde dat Westerse donoren nogal vaak iets nieuws verzinnen: 'Het is als met de herenmode: dan brede pijpen en dan weer smalle'.

In Bangladesh kreeg de prins te horen dat in een jaar tijd uit een van de vele donorlanden 80 missies waren geweest om de ontwikkeling op de voet te volgen, voor evaluatie, inspectie, identificatie en advies. 'In sommige Sahel-landen zijn meer dan honderd organisaties tegelijkertijd bezig. Er is een constante stroom van ontwikkelingswerkers. Dat vraagt de aandacht van de bestuurders en de hoge ambtenaren in die landen, zodat wel erg veel beslag op hun tijd wordt gelegd. Je hebt het gevoel dat de autoriteiten soms nauwelijks aan het eigenlijke werk toekomen: het besturen van hun land vanuit een eigen beleidsvisie. Bovendien is de absorptie-capaciteit onder andere door administratieve tekortkomingen ontoereikend om al die ontwikkelingsgelden duurzaam op te vangen en te investeren. Daar dus geen goede opvang van middelen, hier een bestedingsdruk. Dat komt de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking niet ten goede. Het water staat zo hoog dat ministers van planning of financien vaak min of meer 'ja en amen' zeggen op alles wat hun wordt aangeboden. Zodoende ontstaat een lappendeken van projecten waarbij de donoren ieder hun eigen visie op het ontwikkelingsvraagstuk realiseren, terwijl de regeringen van de ontvangende landen het overzicht verliezen. Het zou mijn ideaal zijn zeker ten aanzien van de minst ontwikkelde landen ('MOL's') de inzet van donorlanden nog beter te coordineren en hulpgelden bij elkaar te leggen.' Dat kan volgens prins Claus door in de arme landen nationale ontwikkelingsmaatschappijen op te richten. Onder leiding van de regering van het land zelf, met expertise van Wereldbank, het Ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties (UNDP) en met deelneming van vertegenwoordigers van donorlanden. 'Dan kun je aan de slag gaan met projecten die voortkomen uit een samenhangend plan of beleid dat het betrokken land zelf heeft opgesteld en die een enigszins gelijke weg opgaan. Daarnaast richt je een lokaal fonds op waarin aan het begin van het jaar door bilaterale en multilaterale donoren geld wordt gestort.'

'De besteding van die fondsen geschiedt dan door een raad van toezicht, een administratieve top samengesteld uit vertegenwoordigers van het ontvangende land en de landen die hulp geven. Het klinkt allemaal vreselijk ingewikkeld, maar ik denk dat ontwikkelingslanden meer dan tot nu toe een kans moeten krijgen om de eigen visie op ontwikkeling inhoud te geven. Zo'n fonds zou tegemoetkomen aan vele bezwaren bij ontwikkelingslanden. Zij vinden dat zij geen greep hebben op de buitenlandse hulpstroom en door een ontoereikend overheidsapparaat ook geen greep daarop kunnen krijgen. Hun ministers moeten inspelen op zoveel wensen en beleidsvoornemens van donoren dat zij niet toekomen aan aaneensluitende, vanuit het land gezien logische ontwikkelingsplannen.' Zo'n nationale ontwikkelingsbank onderzoekt volgens prins Claus ook de gevolgen van projecten voor het milieu, voor de positie van vrouwen en voor de lokale omstandigheden. Zij kan beter letten op de duurzaamheid van een bepaald programma en erop toezien dat er blijvend van wordt geprofiteerd. Dat bijvoorbeeld een irrigatieproject in een gemeenschap wordt geintegreerd en de droogte niet terugkeert zodra de laatste ontwikkelingswerker het dorp heeft verlaten en er geen geld meer van buitenaf komt. Aan het eind van een jaar zou een onafhankelijke organisatie, samengesteld uit ambtenaren van het land zelf en vertegenwoordigers van de multilaterale en bilaterale hulpgevers, de gang van zaken moeten evalueren.

Deze nieuwe opzet zou moeten worden voorgelegd aan een ontwikkelingsland (MOL) waarmee wij al een langdurige relatie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking hebben en aan andere donorlanden, die een enigszins vergelijkbaar ontwikkelingsbeleid hebben als Nederland, zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen. Verder zou zo'n opzet moeten worden besproken met vertegenwoordigers van UNDP, Wereldbank en andere multilaterale instellingen.

Prins Claus ziet nog een ander voordeel. Zo'n nieuwe ontwikkelingsmaatschappij of bank kan ongebonden goederen en diensten voor projecten verwerven op de vrije wereldmarkt. Daarbij wordt vooral ook gekeken naar het eigen land, landen in de eigen regio of daarbuiten Zuid-Zuid en kan expertise worden ingewonnen van ontwikkelingslanden die zelf al als aanbieders op de markt verschijnen. Bij hen ligt het ontwikkelingsproces verser in het geheugen en is nog een grotere affiniteit aanwezig. 'De behoefte aan het va-et-vient van buitenlandse deskundigen wordt dan door dat land zelf bepaald. Het belangrijkste voor mij is dat mensen worden bevrijd van de druk die op ze ligt om met zoveel ontwikkelingsbeleid van andere, rijke landen geconfronteerd te worden. Bovendien kunnen wij het dan hier met een kleiner apparaat doen.

Maar is er dan geen gevaar dat de motivatie in de donorlanden verslapt omdat er niet meer zo veel te zien is van wat er met het geld gebeurt? 'Ontwikkeling is geen liefdadigheidszaak waarbij je trots kunt zijn op wat je presteert. Made in Holland, rood-wit-blauwe vlag, daar hebben die landen niet zo veel aan. Ik denk dat je het Nederlandse publiek kunt overtuigen als je duidelijk kunt aantonen dat er met zo'n nieuwe opzet uitzicht bestaat de kwaliteit van projecten en programma's te vergroten. Immers, bij het publiek in ons land staat de vrij simpele, maar gerechtvaardigde vraag centraal: zet het zoden aan de dijk? Wordt echte, autochtone ontwikkeling bevorderd?' Waarom geven we eigenlijk ontwikkelingshulp? 'Ik weet het niet precies als u het over 'wij' heeft. Ik hoop dat het samenhangt met een in onze eigen cultuur sterk ontwikkeld gevoel van solidariteit met de zwakken, kansarmen in onze eigen samenleving. Het heeft, denk ik, ook veel met het geweten te maken. Een gevoel van rustiger slapen, ja. Formeel hebben wij ons verplicht 1,5 procent van het netto nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp te besteden. Alleen het geven van een bepaald bedrag of percentage van iets zegt mij overigens niet zo veel. We moeten niet alleen letten op wat wij geven, de input, maar juist veel meer op de output. Het gaat om duurzame resultaten.

Goede bedoelingen zijn mooi, maar niet voldoende.' Is de bedreiging in de ontwikkelingslanden voor de rest van de wereld niet van een andere orde: een reusachtige milieuvervuiling en een bevolkingsexplosie? 'De wereldbevolkingsgroei en het verslechteren van het milieu spelen zeker een grote rol. Maar hier moeten we ook de hand in eigen boezem steken. Als je de bevolking niet telt als aantallen mensen, maar uitgaat van het beslag dat wordt gelegd op het wereldwijde milieu en op schaarse grondstoffen, bijvoorbeeld olie, dan krijg je namelijk een heel ander beeld. Dan gebruikt gemiddeld een persoon in Noord-Amerika en West-Europa 10 tot 20 keer zo veel energie en essentiele grondstoffen als iemand in de minst ontwikkelde landen of in de armste lagen van de bevolking in de hele grote ontwikkelingslanden.

Daarom zeggen ze in ontwikkelingslanden: als jullie minder beslag leggen op schaarse middelen dan kan onze economie groeien, zonder extra belasting van biosfeer of het wereldwijde milieu. Daarom zijn er ook weerstanden tegen ons hameren op hun bevolkingsgroei.' Mogen regeringen van ontwikkelingslanden niet langzamerhand zelf worden aangesproken op het eigen beleid?'Aanspreken' vindt prins Claus geen gelukkig woord. 'Ik denk wel dat we mogen verwachten dat zij zelf orde scheppen. Immers, het is hun ontwikkeling waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Maar te veel inmenging van buitenaf valt uit de toon. In talrijke delen van de wereld zijn processen op gang gekomen die tenderen naar meer zeggenschap, waarin meer rekening wordt gehouden met de mondigheid van de bevolking. Grove schendingen van elementaire mensenrechten zouden niet mogen worden geaccepteerd, maar dan moeten we ook gelijkmatig reageren en niet selectief.' Bovenal gaat het hem om respect voor de plaatselijke cultuur. 'De cultuur van Afrika is zo zacht voor Europese invloeden. De haast die we maken met projecten, de bestedingsdruk om nog voor het eind van het fiscale jaar plannen uit te voeren heeft ertoe geleid dat hulpverlening niet duurzaam wordt en onvoldoende is ingebed in de plaatselijke omstandigheden. Daarbij komt het probleem dat de politieke elite in veel ontwikkelingslanden Europa wil kopieren. Die elite leeft naar het voorbeeld van het welvarende Westen en hetzelfde eist zij van ons voor de rest van de bevolking. Dat moet die politieke elite ook wel, want het zou hypocriet zijn voor zichzelf een Europese manier van leven te kiezen en voor de rest van de bevolking een Afrikaanse manier.'

'Maar wij kunnen niet als voorbeeld dienen, onszelf niet als voorbeeld presenteren. De elite van Afrika zou meer moeten luisteren naar haar eigen intellectuelen, schrijvers en andere kunstenaars. Als u de Afrikaanse literatuur neemt kunt u zien dat er wel degelijk andere modellen, andere doelstellingen voor ontwikkeling conceptueel aanwezig zijn dan alleen maar het kopieren van Europa. Maar er is een kloof tussen die elite en de rest van de bevolking.' Vanuit deze invalshoek komt hij terug op zijn plan. 'Met de beste bedoelingen hebben wij hen in een grotere neo-koloniale afhankelijkheid gebracht. De les die wij moeten leren is deze: wij moeten hen niet proberen te ontwikkelen; zij moeten zichzelf ontwikkelen. Wij moeten, waar en zover het kan, daarbij helpen, maar het initiatief ligt dan bij hen. In de woorden van een Afrikaanse vriend: on ne developpe pas, on se developpe; men ontwikkelt niet, men ontwikkelt zichzelf. Dat geldt trouwens voor alle landen, ook voor welvarende landen.' Waarbij hem een grap van een bevriende Indiase stedebouwkundige te binnen schiet: een Europese hippie, gekleed in de doeken van een goeroe, rijdt op een fiets over een plein in Bombay. Hij krijgt een wenk van de Indiase yuppie die met zijn Mercedes Roadstar stopt.

De Europese hippie vraagt aan de Indiase yup: waar ga jij naar toe? De Indier antwoordt: waar jij vandaan komt en stelt meteen de wedervraag: Waar ga jij heen? De Europeaan antwoordt: naar waar jij vandaan komt. 'Zo zie je maar dat de realiteit ontzettend moeilijk is. Wat doe je met je welvaart? Ik weet wel dat het heel arrogant is als je in een paleis woont en bedienden hebt, je geen zorgen hoeft te maken over het dagelijks brood terwijl er ook in onze landen armoede is, om je die vraag over welvaart te stellen. Maar toch kom ik steeds meer tot de overtuiging dat als wij in arme landen geloofwaardig willen overkomen, ook in zo'n crisis als in het Midden-Oosten, dat wij dan moeten tonen dat we er werkelijk zijn om principes van het algemeen volkenrecht hoog te houden en dat we bereid zijn tot verdediging van die principes, niet alleen van het eigenbelang. Wij zijn veel geloofwaardiger als we een nieuwe levensstijl willen accepteren. Ik zet vraagtekens bij het verlangen steeds meer te willen hebben. Wij moeten ook onszelf in een andere richting ontwikkelen. Niet alleen maar spreken van economische groei en aannemen dat dat altijd leidt tot iets beters, maar ook de kwaliteit van die groei onder ogen durven zien en ons beperken in eigen welvaart.' Prins Claus: 'Ik kom steeds meer tot het besef dat het ontwikkelingsvraagstuk zich overal aandient. Niet alleen ontwikkelingslanden moeten zich ontwikkelen, ook het welvarende deel, wij, moeten ons ontwikkelen.'