SADDAMS PERFECTE TERREURSTAAT

Na dagen van verschrikkelijke straatgevechten er vallen honderden doden brengen aanhangers van de Ba'athpartij uiteindelijk de Iraakse leider Abd al-Karim Qassem ten val. Maar Qassem is in sommige delen van Bagdad populair, en hier weigert men te geloven dat zijn regime werkelijk is omvergeworpen.

Avond aan avond laat de Ba'ath daarom langdurig beelden zien van Qassems lijk, dat met kogels is doorzeefd. Het lijk is op een stoel gezet en een soldaat betast het. Er worden close-ups getoond van elk kogelgat. Aan het slot pakt de soldaat het hoofd bij het haar vast en spuwt hij de dode Qassem in het gezicht. Dit is de werkwijze van de Ba'ath (Wedergeboorte) in 1963. Hij is dood, kijk maar uit, want we kunnen met jullie hetzelfde doen, is de boodschap.

Deze methode werkte echter averechts. Omdat de bevolking eerder walgde van deze excessen dan erdoor werd geintimideerd, ging dit eerste Ba'ath-regime in Irak al negen maanden na zijn gewelddadige aantreden ten onder.

Het volgende Ba'ath-regime daarentegen, dat in 1968 de macht greep, maakte een veel kundiger gebruik van terreur. Het werd zodanig geperfectioneerd dat op dit moment een georganiseerde uitdaging van het regime bijna ondenkbaar is. De absolute 'Republic of fear' is in Irak tot stand gebracht, getuige het gelijknamige boek van de Iraakse balling Samir al-Khalil. Het is fascinerende, zij het uiterst moeizaam opgeschreven lectuur.

Enkele dagen nadat de Ba'ath voor de tweede maal de macht had gegrepen, werden de eigenaar en de manager van de plaatselijke Coca Cola-fabriek opgepakt, de symbolen van de imperialistische alomtegenwoordigheid waarmee de partij die voor Pan-Arabische Eenheid, Socialisme en Vrijheid staat, ging afrekenen. De eigenaar werd enkele weken later dood en verminkt bij zijn familie bezorgd; de manager levend en krankzinnig. Intussen werden joden gearresteerd, ex-ministers, industrielen, officieren en intellectuelen. Een zionistisch spionagekomplot werd ontdekt en de arrestaties groeiden in aantal.

Het eerste proces begon in januari 1969 in alle openbaarheid met dertien joden in de hoofdrol. De verdediging verontschuldigde zich voor het feit dat ze was gedwongen spionnen te verdedigen, en ze drukte de hoop uit dat hun clienten niet vrijuit zouden gaan. De verdachten zelf betuigden aan het begin nog hun onschuld, onder spottend gelach van de pers, maar bekenden ten slotte de een na de ander. Zo gaven ze, net als de leiding van de Coca Cola-fabriek, het imperialistisch-zionistische komplot een concreet gezicht.

HANGFESTIJNDe media werkten enthousiast mee. Het publiek werd tot zo grote waakzaamheid opgeroepen dat bomaanslagen in de kranten werden aangekondigd voordat ze werden gepleegd. Het publiek kwam dan ook met honderdduizenden opdagen voor de eerste executies. De autoriteiten hadden de galgen zeventig meter uiteen geplaatst om zoveel mogelijk toeschouwers in contact te brengen met de slachtoffers. Leiders hielden toespraken om het belang van de gebeurtenissen te onderstrepen. ' Groot volk van Irak! Jij, vondeling Israel, jullie, imperialistische Amerikanen, en jullie, zionisten, hoor mij! We zullen al jullie spionnen hangen, al zijn er duizenden van.

Groot Iraaks volk! Dit is maar het begin! De grote en onsterfelijke pleinen van Irak zullen worden gevuld met de lijken van verraders en spionnen! Wacht maar af!' Er werden meer komplotten ontdekt, steeds ingewikkelder en omvangrijker, bij voorbeeld om Irak weer onder Brits-Amerikaanse controle te plaatsen. Geleidelijk verdwenen de openbare processen (de komplotteurs worden opgepakt en onmiddellijk terechtgesteld) echter weer en werd het ook niet meer nodig geacht gedetailleerd bewijsmateriaal te publiceren. Het regime had de bevolking langzaam maar zeker betrokken bij zijn gewelddadigheid, medeplichtig gemaakt. De bevolking was niet langer toeschouwer, zoals in 1963, toen alle dreiging snel vervaagde, maar handlanger, wat vervolgens wordt geinstitutionaliseerd door haar massaal op te nemen in de verschillende inlichtingendiensten, de uitvoerende armen van de Ba'ath, leger en militie. Het aantal Irakezen dat in een dergelijke functie werkzaam is, is dan ook reusachtig groot geworden. In 1980, voordat de Golfoorlog hun aantal nog verder maar door de oorlogssituatie buitenproportioneel opzweepte, werkten eenenvijftig van elke duizend Irakezen bij leger, politie of partijmilitie. Van de laatste twee maakten in totaal 435.000 burgers deel uit, in absolute termen tweemaal zoveel als in het veel volk-rijkere Iran van de sjah. Niemand maakt dan meer grappen over het regime, wat onder eerdere regimes nog een uitlaatklep was, want iedereen is bang. Aan de ene kant kan iedereen een al dan niet betaalde informant zijn: de chef, de schoonmaker, het eigen kind dat ervan wordt doordrongen dat het zijn plicht aan de natie is alle verraad te melden. Aan de andere kant wordt overduidelijk gemaakt wat er met verraders en dat is een hele wijde categorie gebeurt. Mensen verdwijnen, maar waar de staat in Latijns Amerika alle betrokkenheid afwijst, bezorgt de Ba'ath het lijk terug, in een verzegelde kist waar niemand in mag kijken, mits de kosten worden vergoed.

Deze combinatie van terreur en medeplichtigheid werkt zo goed dat zelfs Iraakse opposanten in het buitenland levende opposanten bestaan alleen in het buitenland er in principe weinig voor voelen ruchtbaarheid te geven aan de schendingen van de mensenrechten: vandaar dat er in de jaren zeventig veel meer publiciteit was voor de inbreuken op de mensenrechten in Iran onder de sjah dan in Irak, waar de toestand veel erger was.

De schrijver van de Republic of Fear is hiervan zelf een goed voorbeeld. Hij schrijft onder pseudoniem, wat hem grote problemen opleverde bij het vinden van een uitgever. ' Het is moeilijk voor een uitgever om een auteur zonder gezicht te accepteren. Wie is hij? Bestaat hij wel? Is hij misschien een uitvinding van de Israelische geheime dienst?' zo schreef hij vorige maand in The Independent. Dit artikel was overigens veel beter geschreven en daardoor aanzienlijk leesbaarder dan de Republic of Fear. Misschien een betere redacteur? GIJZELINGDe Ba'athisering van Irak werd voltooid met de zuiveringen in de partijtop van 1979. Saddam Hussein, formeel op de tweede plaats hoewel in feite allang sterke man, schoof Ahmad Hassan al-Bakr terzijde en werd de enige, onbetwiste Leider, de personificatie van de Ba'ath. Saddam gijzelde de verwanten van een derde deel van het partijleiderschap, dat verder gewoon doorwerkte. Toen bekende een van de functionarissen wier gezinnen werden gegijzeld. Zijn bekentenis werd gefilmd en op een grote, speciaal bijeengeroepen zitting getoond. In tranen sprak Saddam de bijeenkomst toe hij vulde de bekentenis aan en wees medeplichtigen aan die door bewakers uit de zaal werden gesleurd. Ten slotte deed Saddam een beroep op de belangrijkste ministers en overgebleven partijleiders om zelf het executiepeloton te vormen. Zoals eerst de bevolking tot handlanger van de partij werd gemaakt, zo werd het leiderschap gedwongen zich aan Saddam te verkopen.

Saddam was daarmee klaar voor zijn Qadassiya (waar de Arabieren de Sassaniden overwonnen), zijn oorlog tegen de Perzen niet in de eerste plaats om zijn eerdere territoriale concessies aan Iran goed te maken, zo betoogt Khalil, of om de export van de Iraanse revolutie naar de eigen shi'itische bevolking te verhinderen. Het was veeleer de bedoeling het intern afgeronde proces van Ba'athisering naar buiten toe voort te zetten, in de overtuiging dat dit binnen enkele weken zou zijn geregeld. Stelt u voor, vraagt Khalil, een zegevierende Saddam in 1982, het jaar waarin de Niet-gebonden topconferentie in Bagdad had zullen worden gehouden. Een Saddam die Arabisch gebied zou hebben bevrijd (Khuzestan) en meester van de Golf zou zijn geworden en daarbovenop nog het leiderschap van de Derde wereld zou overnemen. Saddam zou dan de zo bewonderde Egyptische leider Nasser ver achter zich hebben gelaten. Bovendien zou van hem de permanente dreiging zijn uitgegaan dat hij elk moment nieuwe pogingen kon ondernemen om zijn invloedssfeer uit te breiden.

Toen hij dit vier jaar geleden schreef (ook al omdat Irak niet in de mode was, kostte het hem nogal wat moeite een uitgever te vinden), kon Khalil niet weten dat Saddam in 1988 (met de hulp van het imperialisme!) de Golfoorlog toch nog militair zou winnen, al heeft hij de concrete winst dan inmiddels weer weggegeven in een poging zich in de rug te dekken. Twee jaar later kwam de invasie van Koeweit en kreeg het boek iets profetisch. Dat biedt weinig hoop voor de toekomst.

    • Hutchinson Radius 1989