Pomp and Circumstance

Schuin voor mijn huis, op een stil stukje straat, staat een zeskantige bank, het hexagoon bekend uit oorlogsspelen, zoals het spel Gulf Strike, van Avalon Hill.

Het stukje straat was even niet stil want aan het begin stond een groepje kamermuziek te spelen: twee dwarsfluiten en een soort spinet, althans een elektrische piano met spinetaanslag, zoiets. Het was mooi weer en ze waren daar omdat, op die zondag, de winkels open waren. Waarom weet ik ook niet.

Al met al een goede aanleiding om op die zeskantige bank plaats te nemen. Vorige zitten hadden me geleerd dat je al snel een houten kont kreeg dus ik nam twee kussentjes mee en een boek van Kenneth Tynan. Profiles, zijn beste kritieken.

Ik was net toe aan Graham Greene - en had ik niet zojuist schrijfwerk verricht in een hotel in de South Downs, waar de meester ook had gewerkt? Ik las er toen het Profile van Alec Guinness en zag later een aardig portret van hem op de televisie, waar ik hoorde dat hij in de South Downs woonde.

Toeval? Wacht maar. Achter mij speelde de muziek, voor me scheen de zon. Het boek had een harde kaft zodat ik het enigszins schuin kon houden op mijn knieen en zo niet het volle licht op de pagina kreeg. Na een bladzijde kwam er een man aan met een fiets aan de hand. Hij was zeer lang met het gezicht van een acrobaat, lenig, met scherpe ogen. Ik merkte dat hij tegen me praatte. ' Dat is handig', zei hij, ' die muziek erbij.'

Even keek ik of hij het inderdaad op mij gemunt had. Zijn blik dwaalde rond en het zou dus net zo goed iemand kunnen zijn die in zichzelf praatte - daar hebben we er hier in de buurt veel van. Carmiggelt hield op straat hele verhalen tegen zichzelf. Ik zelf, hoewel niet in de eredivisie spelend, moet ook oppassen.

Het was toch tegen mij, maar het bleek een inleiding, een aanloop. Of ik een fietspomp had. De inleiding was nodig geweest: zo koud kon hij niet aan die pomp beginnen.

Ik heb u al eerder gemeld dat mijn gezicht, vaak een pokerface genoemd, toch enige informatie uitstraalt. Wandel met mij op straat en men vraagt mij de weg, waar ter wereld ook; ga met mij een warenhuis binnen en dames en heren vragen mij naar de schrijfwaren, laatstelijk nog in Boedapest. Anderzijds gaf een man me, ijzeren jaren geleden op zondagmiddag, in Parkzicht te Rotterdam, een klap in het gezicht, terwijl ik langs danste op de muziek van Jose Maten. Bij navraag bleek dit te zijn ' omdat ik zo keek'. Ik zelf heb een bloedhekel aan de weg vragen: die man of die vrouw weet het niet en zegt maar wat, denk ik dan.

Hoewel mijn gezicht niet direct het bezit van een fietspomp verwoordt, had ik er wel een, althans in het halletje stond er een van Elien, mijn bovenbuurnichtje. Ik liep mee, de man bleek een vrouw bij zich te hebben met een vriendelijke lach, er ontbrak een stukje aan een van haar voortanden. De man had al eerder naar een pomp gevraagd maar daar had men geantwoord: ' Nee, goedemiddag'.

Dit beviel de man niet. Sarcasme, vond hij, was niet nodig. Ik pakte de pomp, reikte hem aan en zag dat de man naast het kamertrio de fiets op het zadel zette. Uit een opgevouwen plastic zak haalde hij een reparatiedoosje. Een echte fietser.

Ik besloot maar niet te wachten en ging weer naar de hexagoon. De vrouw vond dat het weer erg was opgeknapt, gelukkig. ' En niet voorspeld!', riep ik snedig. Ik ben misschien niet goed in dit soort antwoorden, maar soms lukt het.

Ik las verder. Toen ik Greene uit had, was de pomp nog niet terug. Ik keek heel even en vlug om want ik wilde de man en de vrouw niet in verlegenheid brengen; mijn omkijken kon worden uitgelegd als ongeduld en/of wantrouwen.

Hij was nog volop bezig en geen van beiden zag me omkijken. Opgewekt begon ik aan het Profile van The Grazy Gang, geschreven in 1953. De Crazy Gang, zoals alleen zeer ouderen zich herinneren, bestond voornamelijk uit Bud Flanagan en Teddy Knox, en ze waren, evenals The Three Stooges, de originele antagonisten van de moderne slapstick, waarbij niets en niemand gespaard wordt, of, zoals Tynan het stelt, ' they refuse to acknowledge that humour has developed since mr. Punch first murdered his wife with a mallet.' Op dit moment ging er iemand naast me zitten, althans naast me, op de volgende rechte zijde van de zeshoek en dan enigszins van me afgekeerd. Een man in een spijkerbroek en sneakers, geen attributen die tot onmiddellijke herkenning leiden, maar toch had ik het idee de man eerder gezien te hebben.

Voor me verscheen de man met de fiets. ' Bedankt', zei hij, ' prettige middag verder en oh, ik heb de schroeven van de plaat wat aangetrokken.' Ik las verder, nadat ik met een schuin oog naar de spijkerbroek en de sneakers naast me had gekeken. Tijdens de volgende zin van Tynan wist ik ineens wie het was. Die zin luidde: ' (...) Groucho Marx once drew (the distinction) between amateur and professional senses of humour: 'For the amateur', he said, 'the funniest thing in the world is the sight of a man dressed up as an old woman rolling down a steep hill in a wheel-chair and crashing into a wall, at the bottom of it'.'

Op dit moment wist ik dat Tynan, tien jaar geleden overleden, en Groucho Marx, ook dood, het beiden hadden over de man die naast mij zat: een Nederlandse stuntman die jaren geleden in Hollywood in een van de Hitchcock-films, verkleed als oude vrouw in een rolstoel van een steile heuvel reed en onderaan op een muurtje botste. Daar zat ik, 60 graden en twee doden verwijderd van de enige man ter wereld die dit gedaan had, de man waar beiden het over hadden.

Hoewel mijn stelling is dat het geen toeval is als je iemand tegenkomt aan wie je juist denkt, maar dat het toeval daarin bestaat dat je niet iedere keer als je aan iemand denkt diegene tegenkomt, vond ik dit toch wel eigenaardig.

Vroeger stuurde ik dit soort voorvallen op aan Nico Scheepmaker. Die verzamelde ze. Groucho Marx eindigt trouwens zijn observatie over humor aldus: ' But to make a pro laugh, it would have to be a real old woman.' Het artikel van Tynan over de Crazy Gang eindigt met Tynan's eigen associatie. In een speech in 1952 zei Bud Flanagan: ' We used to be a rough and ready lot, ' his large eyes brimming, ' always running up and down corridors... ' Waarom gangen?, vraagt Tynan zich af. En sinds die woorden denkt Tynan bij het noemen van The Crazy Gang aan gangen, waarin zware schoenen klossen.