'Partizanen, moordenaars`; Het Italiaanse communistischeverzet in diskrediet

Wie zei ook weer dat vooral Nederland zich fixeert op het oorlogsverleden? De discussies in Nederland rond dit thema zijn kinderspel vergeleken bij de emotionele taferelen in Italie. Uit de kast van het Italiaanse communistische verzet vallen de skeletten van een hinderlijk verleden: moorden op priesters, grondbezitters, directeuren. Er blijken bovendien lijnen te lopen naar de Rode Brigades.

Somber en sober staan negen grote blokken steen op de Piazza dei Martiri (het Plein van de Martelaren) in het centrum van Reggio Emilia. Ze zijn volgebeiteld met een lange lijst namen: niemand moet naamloos rusten. Net als in de andere steden in de Bassa Padana, het zuidelijke gedeelte van de Povlakte, heeft het verzetsmonument een centrale plaats gekregen en liggen er bijna altijd bloemen. De herinnering aan de bloedige strijd tegen de nazi's en de fascisten hoort bij de trotse mythologie van dit gebied, sinds de Tweede Wereldoorlog een bijna onaantastbaar communistisch bolwerk. Door het verzet is de communistische partij groot geworden in Italie; de communistische partij houdt het verzet in ere als een glorieus stukje verleden, dat haar legitimiteit gaf als een van de grondleggers van het naoorlogse politieke stelsel. Dat in dit rode bolwerk ooit de kreet 'partizanen, moordenaars' zou klinken, leek een maand geleden nog ondenkbaar. Niettemin stond onlangs een grote groep zestigers en zeventigers, velen met de rode zakdoek om de hals, met gebalde vuist tegenover enkele honderden neofascisten. De verzetsstrijders van vroeger probeerden de uitdagende Romeinse groet, zoals de gestrekte arm hier heet, te negeren en zongen het partizanenlied Bella ciao om het gehate Giovinezza, Mussolini's strijdlied, te overstemmen. In hotel Posta, een paar honderd meter van het monument, zei de neofascistische senator Giorgio Pisano, bijna euforisch over de mogelijkheid om de vijand in zijn hart te treffen: ' Het verzet is een valse mythe. Wij hebben 45 jaar lang de preken over hun doden geslikt, terwijl wij niet over de onze mochten praten.'

'Partizanen, moordenaars'. De nacht daarvoor was het ook al gekalkt, in grote zwarte letters en met een hakenkruis, op het Milanese kantoor van de Associatie van Verzetsstrijders. In Reggio Emilia was er niemand meer die het durfde te ontkennen. De eerste die er drie weken geleden in scherpe bewoordingen over begon, was een voormalig parlementslid voor de communistische partij, Otello Montanari, zelf ook een oud-verzetsstrijder. Hij herinnerde aan de avond van 31 augustus 1945, toen ingenieur Arnaldo Vischi in zijn Barilla werd aangehouden en doodgeschoten door voormalige partizanen. Niet omdat hij fascist was, niet omdat hij collaborateur was geweest, maar omdat hij zijn fabriek wilde reorganiseren en daarbij mensen moest ontslaan. De oorlog was toen al vier maanden voorbij, officieel waren de verzetsgroepen ontwapend. Maar in Emilia Romagna ging de strijd door, toen en nog maanden daarna. Niet alleen tegen voormalige fascisten, maar ook tegen de klassevijand: priesters, grondbezitters, fabrieksdirecteuren, mensen van adel.

De communistische partijleider Palmiro Togliatti, meteen na de oorlog minister van justitie, wist daarvan, maar speelde een dubbelspel: aan de ene kant werkte hij mee aan de opbouw van een democratie, aan de andere kant trad hij nauwelijks op tegen de gewapende groepen die het recht in eigen hand wilden nemen om zo een revolutie te maken. Nu de partij zich opmaakt om van naam te veranderen en een nieuwe koers in te slaan, is het tijd hierover opening van zaken te geven, meende Montanari. ' Wie wat weet, laat hij spreken.'

Stortvloed

De aanklacht van Montanari heeft een stortvloed van reacties losgemaakt. De kranten staan vol met herinneringen van oud-strijders die, zonder Montanari tegen te spreken, proberen de sfeer van de woelige maanden direct na de oorlog te schetsen, toen het nog onzeker was welke kant Italie op zou gaan. Anderen vertellen over executies zonder vorm van proces, over wraakacties tegen persoonlijke vijanden. Communistische leiders verklaren herhaaldelijk dat zij niet zullen toestaan dat de reputatie van het verzet door het slijk wordt gehaald. Een enkeling noemt Montanari een gek.

Midden in deze verwarring vertelt een van de oprichters van de Rode Brigades dat hij zich heeft laten inspireren door voormalige partizanen en van hen wapens heeft gekregen voor hun eerste terreuracties, begin jaren zeventig. Hoeveel doden er precies zijn gevallen in de executies, wraakacties en mislukte pogingen tot opstand, is onduidelijk. Dat de oorlog drie jaar lang is doorgegaan in Emilia Romagna, kon bekend zijn uit historische studies en uit kranteverslagen van die tijd. Maar er is nooit een systematisch onderzoek naar gedaan, nooit een balans opgemaakt. Sommigen spreken over tweeduizend doden. Anderen, zoals de journalist en historicus Gian Franco Vene, zeggen dat er 'misschien tienduizend, misschien veertigduizend' doden waren. Wapens waren er genoeg in die tijd. Officieel hadden alle verzetsgroepen in mei 1945 de wapens moeten neerleggen zelfs het bezit van een jachtgeweer was verboden. Maar velen negeerden dat, en niet alleen de communisten. Tussen de zomer van 1945 en 1951 zijn er 89 kanonnen, 498 mortieren, 5300 mitrailleurs, ongeveer 60.000 geweren, 23.000 pistolen en 300 ton explosieven ontdekt in clandestiene opslagplaatsen. ' Wie had er geen wapens?' zei Luigi Passoni, indertijd lid van de socialistische partij in Turijn. ' Alle partijen hadden naast hun politieke organisatie een militaire structuur.'

Een communistische stadgenoot, Vito Damico, vertelde: ' We bleven bereid om ze te gebruiken, maar alleen om de democratie te redden. We waren ervan overtuigd dat er vroeger of later een staatsgreep gepleegd zou worden.'

De angst voor een fascistisch-monarchistische coup is maanden na de oorlog blijven bestaan, ook na het referendum in 1946 waarin de Italianen voor een republiek kozen. Pas in 1948, toen de nieuwe grondwet in werking trad, stabiliseerde de situatie zich.

Drie oorlogen

In het linkse Emilia Romagna, een regio van wrede sociale conflicten en vaak nog feodale verhoudingen, was meer aan de hand. De socialistische filosoof en politicoloog Norberto Bobbio, al decennia lang een van de meest gerespecteerde linkse intellectuelen, heeft hierover een prachtige en veelbesproken analyse geschreven in La Stampa. De verzetsgroepen die na de geallieerde inval in 1943 in het noorden van Italie actief werden in het door de Duitsers bezette gedeelte waar de Italiaanse fascisten hun gebrek aan echte macht compenseerden met uitzonderlijke wreedheid voerden drie verschillende oorlogen, aldus Bobbio.' De eerste tegen de Duitse bezetter, en alleen in die zin kon gesproken worden over een nationale bevrijdingsoorlog; de tweede tegen de fascisten van de republiek van Salo, en in dit opzicht was het een echte burgeroorlog van Italianen tegen Italianen; de derde, vooral van de kant van de communisten, die daarin verreweg de belangrijkste rol speelden, als een oorlog tegen de klassevijand, die werd beschouwd als de eerstverantwoordelijke voor de opkomst van het fascisme in Italie en van het nazisme in Duitsland.'

Daarom was voor de eerste twee groepen de oorlog voorbij toen de Duitsers waren overwonnen en het fascistische bewind definitief gevallen. Voor een aantal communisten, een kleine minderheid maar met wapens, moest de strijd worden voortgezet, met dezelfde harde, niets ontziende middelen. Pure wraakgevoelens vanwege de doodgemartelde kameraden, de opengereten zwangere vrouwen, de vermoorde onschuldige kinderen, gingen daarbij hand in hand met revolutionair elan. In het gebied tussen de dorpen Manzolino, Castelfranco en Piumazzo tussen Modena en Bologna werden zoveel mensen vermoord dat deze streek 'de driehoek van de dood' is genoemd. Toen partijleider Togliatti in juni 1946 op bezoek kwam in Reggio Emilia, riep hij dat het afgelopen moest zijn. Sinds zijn terugkeer naar Italie uit Moskou, in 1944, had hij de communistische partij op een democratische koers gezet: geen revolutie, maar parlementaire democratie. Vaak tot teleurstelling van de voormalige partizanen in het noorden verkondigde Togliatti keer op keer, dat de strijd voor een betere wereld niet meer met de kogel gestreden moest worden. In een besloten partijvergadering in Reggio zei Togliatti dat de plaatselijke partijleiders ervoor moesten zorgen dat de moorden door 'ex-partizanen en onzekere en verwarde elementen in de marge van de partij' zouden ophouden.

Maar in een openbare toespraak had Togliatti slechts gesproken over 'groepen bandieten'. De communistische partij heeft immers nooit willen toegeven dat ex-partizanen betrokken waren bij deze moordpartijen. De partijpers omschreef de aanslagen steevast als fascistische provocaties. Togliatti heeft als minister van justitie in de overgangsregeringen direct na de oorlog zelfs honderden partijgenoten helpen ontkomen aan de justitie. Naar schatting tussen de vier- en vijfhonderd man zijn met hulp van de communistische partij gevlucht naar Tsjechoslowakije, waar communisten aanvankelijk de meerderheid en na 1948 de absolute macht hadden. Jarenlang is daar, vooral in Bohemen, een hechte communistische Italiaanse gemeenschap geweest. De huidige EG-commissaris voor milieu, Carlo Ripa Di Meana, was lid van de communistische partij voordat hij de overstap naar de socialisten maakte. Hij heeft eraan herinnerd hoe hij begin jaren vijftig van de partij mocht gaan studeren in Praag. Binnen de Italiaanse gemeenschap werd de dienst uitgemaakt door een groepje mannen met een sterk Emiliaans accent die elkaar aanspraken met hun partizanennamen. Deze groep, bijgenaamd 'de commissie', hield iedereen streng in de gaten. Ripa Di Meana vertelde dat hij zelfs een keer op het matje was geroepen omdat hij het had gewaagd een spijkerbroek aan te trekken. 'De commissie' gebruikte volgens Luciano Bergonzini, een voormalige partijbestuurder, 'de meest smerige stalinistische methodes', en daarom werd zij in 1965 door hem, op last van het partijbestuur in Rome, ontbonden.

Woedende reacties

Met verontwaardiging hebben de huidige communistische leiders gereageerd op deze aanklachten aan het adres van Togliatti. Nog feller zijn de reacties als het gaat over de vermeende band tussen partizanen en de Rode Brigades, de linkse terreurorganisatie die door de PCI met alle mogelijke middelen is bestreden. ' Dat is een belediging en een leugen. Basta, ' zei senator Luciano Lama, voormalig partizanencommandant, woedend. Maar foto's liegen niet. Een van de eerste acties van de Rode Brigades was de ontvoering van ingenieur Idalgo Macchiarini, in maart 1972. Hij werd gefotografeerd met een pistool tegen zijn hoofd, een zeker dertig jaar oude Browning. Alberto Franceschini, een van de oprichters van de Rode Brigades, vertelde onlangs een verslaggever van La Stampa dat hij zich nog herinnerde welke partizaan hem het wapen heeft gegeven. Franceschini, nu 43, heeft zijn verleden afgezworen, maar hij wilde de naam van de partizaan niet noemen. Hij en andere brigadisten als Franco Bonisoli en Lauro Azzolini, ook afkomstig uit Reggio, hebben verteld hoe sterk zij zijn beinvloed door de partizanenverhalen die ze hoorden in hun jeugd. ' Wij zijn zonen van de PCI die in Reggio zijn strijd verloor, van degenen die geloofden dat het verzet niet voorbij was met de nederlaag van de nazi-fascisten, van degenen die dachten dat we moesten doorgaan om de macht te nemen en het socialisme ook in Italie te brengen', zei Franceschini. De moord op Vischi en anderen was voor hen een voorbeeld. ' Dat is dezelfde logica waarmee wij besloten in de jaren zeventig fabrieksdirecteuren aan te vallen. De verhalen van oude, teleurgestelde partizanen zagen wij als een aansporing om de strijd weer op te pakken. We hebben ons vergist, we hebben vreselijke dingen gedaan. Waarschijnlijk zijn we ook bandieten geweest. Maar de oorsprong valt niet te ontkennen.'

Voormalige voormannen van het verzet zeggen nu dat de terroristische aanslagen van de jaren zeventig en beginjaren tachtig, door extreem-links en door extreem-rechts, juist gericht waren tegen de democratische staat waarvan het fundament door het verzet was gelegd. Maar een enkeling, zoals de voormalige partizanencommandant Torquato Bignami, geeft toe dat er een logische lijn kan lopen van verzet via ex-partizanen naar linkse terreur. Zijn zoon is lid is geworden van een kleinere linkse terreurgroep, Prima Linea, en hij had hem veel verteld over vroeger. ' Misschien is dat niet de juiste leerschool geweest. Misschien heb ik hem beinvloed, heb ik hem laten geloven dat zij konden doen wat wij onvoltooid hebben gelaten. Maar wij, van het verzet, hadden de massa's aan onze kant. Zij stonden alleen tegen allen.' De linkse terroristen probeerden de politieke strategie van de PCI aan flarden te schieten mede daarom heeft deze partij zich bijzonder fel tegen het terrorisme gekeerd. Niemand zal hierbij de Italiaanse communisten van dubbelspel willen beschuldigen, maar de berichten over weggemoffelde moorden door ex-partizanen zijn hard aangekomen. Glasnost is mooi, maar moet nu ook het laatste, ongehavende erfstuk het glorieuze verzet worden verloochend? Een deel van de oude garde toont nu nog minder enthousiasme voor vernieuwing. Het wordt steeds moeilijker de kiezers ervan te overtuigen dat uit deze kibbelende partij met kasten vol skeletten ooit nog iets goeds kan voortkomen.

Brede oorsprong

De discussie over het verzet is niet alleen een probleem van de communisten, ook al zijn de gewraakte moorden vrijwel allemaal door communistische partizanen gepleegd. In zijn toespraak in maart 1947 tot de grondwetgevende vergadering zei de jonge christen-democraat Aldo Moro: ' Deze grondwet komt voort uit het verzet, uit de strijd. In de moeilijke en tragische momenten worden grondwetten geboren. Wee ons als we zouden vergeten wat de gemeenschappelijke zaak is die ons verenigt.'

De communistische partij heeft niet het monopolie gehad op het verzet, al heeft de efficiente partij-organisatie haar via het verzet in staat gesteld enorm te groeien. Het verzet was begonnen als een spontane volksopstand, meer lokaal dan regionaal georganiseerd, waarbij kogels voor fascisten en nazi's belangrijker waren dan politieke discussies. Juist door deze brede oorsprong maakt de discussie zoveel los. Minister van Buitenlandse Zaken Gianni De Michelis zei onlangs dat Italie tot de verslagen landen behoorde in de Tweede Wereldoorlog. Dat kwam hem goed uit als antwoord op de vraag waarom Italie niet meer doet in de Golfcrisis. Het is iets dat weinig Italianen hem zullen nazeggen. Dankzij de verzetsgroepen in Noord-Italie, van allerlei politieke signatuur, is de oorlog een minder zwarte bladzijde in de geschiedenis geworden. Ook Italie heeft tegen het nazisme en het fascisme gevochten en gewonnen. Dat trotse gegeven is de basis van de huidige grondwet. Zo werd het verzet, vaak geromantiseerd en gemythologiseerd, een van de fundamenten van de Italiaanse samenleving. Daarom ook hebben er lang strenge straffen gestaan op het in diskrediet brengen van het verzet. Een deel van deze mythologie het beeld van de altijd goede partizaan moet nu worden bijgesteld. Betekent dit dat oude verzetsstrijders hun kameraden van vroeger alsnog gaan aanklagen? De filosoof Bobbio zei dat hij dat niet zou doen, en de meeste ex-partizanen lijken er net zo over te denken. ' Veel mensen zijn vergeten hoe het was in 1945', aldus de 69-jarige Renato Bolondi, vroeger comandante Maggi. ' Partizanen zijn gemarteld, kinderen vermoord, anti-fascistische gezinnen gedecimeerd. En veel van de verantwoordelijken, de fascisten, liepen vrij rond. Je moet de geschiedenis laten rusten, het is nu makkelijk om sommige dingen te zeggen.'

Ook Bobbio meent dat er in deze volslagen andere wereld geen antwoord meer te geven is op de vraag naar het waarom van toen. Hij citeerde de schrijver Cesare Pavese: ' Nu ik heb gezien wat de oorlog is, wat een burgeroorlog is, weet ik dat we, als het op een dag voorbij is, ons allemaal moeten afvragen: en met de doden, wat doen we met hen? Waarom zijn ze gestorven? Ik zou niet weten wat ik moest antwoorden, en ik denk dat anderen het ook niet weten. Misschien weten de doden het als enigen, en alleen voor hen is de oorlog echt voorbij.'