LUCRETIUS

Ongeveer een jaar geleden hield de Amsterdamse hoogleraar in de rechtsfilosofie Cees Maris zijn oratie met als titel Horror Vacui. Het was geen normale oratie. Maris had zijn teksten op muziek laten zetten en deze werden met veel theater ten gehore gebracht. Maris' oratie bestond uit drie teksten, die elkaar opvolgden volgens het dialectische schema van these, antithese en synthese. De eerste tekst was een gedeelte uit Over de natuur der dingen van Lucretius, dat van Maris heel toepasselijk de titel Lucretius meekreeg. De tweede bestond uit een gedeelte van Over God of natuur van de Franse denker uit de achttiende eeuw, Polignac, door Maris de anti-Lucretius genaamd. Het laatste gedeelte was een tekst van Maris zelf over het Critische Schizoisme, de Syn-Lucretius. Onlangs is Maris' oratie in boekvorm verschenen. Wie het destijds allemaal niet zo goed heeft begrepen, en ik vrees dat er velen zijn geweest, kan het nu nog eens rustig overlezen. Het boekje is voorzien van een uitstekende inleiding, die meer dan driekwart van de tekst van het boekje beslaat. De tijdens de oratie in het Latijn en Frans voorgedragen teksten van respectievelijk Lucretius en Polignac zijn vertaald.

Uit de inleiding blijkt dat het Maris allemaal te doen is om de vraag naar wat de mens kan weten. Aan de hand van een kort overzicht van de geschiedenis van de filosofie laat Maris zien dat het met de menselijke kennis bijzonder droevig is gesteld. Zo verwerpt hij Lucretius' idee dat de wereld zou zijn opgebouwd volgens vaststaande natuurwetten. Dit materialistische, veel op de natuurwetenschapsbeoefening van de zeventiende en achttiende eeuw lijkende model is volgens Maris slechts een van de vele verklaringsmodellen van de werkelijkheid.

Polignac, die bij het verklaren van de wereld het bestaan van een almachtige godheid nodig heeft, hoeven we volgens Maris ook al niet meer serieus te nemen sinds Nietzsche God dood verklaarde. Wat rest ons dan? Volgens Maris een diepgaande scepsis over hetgeen de mens kan weten: ' Er resteert dan alleen nog maar een onafzienbare veelheid van tegenstrijdige perspectieven zonder een centraal orientatiepunt.'

De wereld is volgens Maris niet meer dan een verzameling ontregelde zinnen. Alle standpunten, ook degene die zijn geformuleerd in een geheel eigen taal met eigen woorden, zijn mogelijk. Vandaar dat Maris niet een traditionele filosofische uiteenzetting als vorm voor zijn oratie heeft gekozen, maar zijn opvattingen in een gedicht heeft verpakt; een gedicht dat eindigt in een vreemde reeks van zinnen die niets met elkaar te maken lijken te hebben en in niet bestaande woorden. En voor zover dat laatste gedeelte van het gedicht, ' het Syn-Lucretius nog poezie is, leert zij niets meer', aldus de conclusie van Maris' inleiding.

Het opvallende aan Horror Vacui is dat Maris' inleiding wel uitstekend leesbaar is; een inleiding die is opgebouwd volgens de principes van de logica en de filosofie die Maris juist met zijn gedicht heeft willen bestrijden. In het boek is het deze inleiding die dingen duidelijk maakt. Het gedicht daarentegen roept enkel vraagtekens en verwarring op. Blijkbaar wilde Maris niet geheel opgaan in zijn 'Critisch Schizoisme' en koos hij toch voor begrijpelijke filosofentaal. Gezien de pretenties van zijn gedicht is dat een zwaktebod.