Kamer verklaart tv-journalist vogelvrij

Als het goed is, zijn er onder omroepjournalisten deze week een paar alarmbellen gaan rinkelen. De Tweede Kamer besloot dat het principieel aanvaardbaar is dat bij openbare verhoren van een parlementaire enquete-commissie alle journalisten aanwezig zijn, met uitzondering van radio- en televisieverslaggevers. Sinds de RSV-enquete is het vanzelfsprekend, dat televisiecamera's snorren tijdens de openbare verhoren. Maar aan die vanzelfsprekendheid is nu een einde gekomen.

Tribunaal

De voornaamste reden voor de stellingname van de Kamer laat zich makkelijk raden. De moderne parlementaire enquete is een krachtig onderzoeksmiddel, dat van getuigen in sommige gevallen verdachten lijkt te maken. Al eerder is de vergelijking getrokken tussen de parlementaire enquete en het strafrechtelijk onderzoek (zie bijvoorbeeld Snijder, NJB 1989 nr 10). In beide gevallen speelt het verhoor van de getuige zich af in een tribunaal-achtige opstelling, heeft de getuige de plicht mee te werken en zijn in het belang van de waarheidsvinding dwangmiddelen toepasbaar, zoals dagvaarden en het doen gijzelen van een wijgerachtige getuige. Ook is in beide systemen meineed strafbaar en zijn de verschoningsrechten nauw omschreven.

Voeg daaraan toe dat het publiek bij een spannend televisiefeuilleton over een parlementaire enquete geneigd is in termen van good guys en bad guys te denken, en de stap naar een beschermingsformule is gauw gezet.

In de (straf)rechtspleging heeft nooit gegolden dat openbaarheid van de zitting vanzelfsprekend de aanwezigheid van televisiecamera's impliceert. Als een enquete-verhoor het karakter van een justitieel verhoor krijgt, kan men stellen dat ten aanzien van de publiciteit dezelfde praktijk moet gelden.

Door zo te redeneren volgt men echter een dwaalspoor, alle overeenkomsten tussen rechtspleging en parlementaire enquete ten spijt.

Volgens een dissertatie over de openbaarheid van strafrechtspleging (Van de Pol, Arnhem 1986) werd 'door de meedogenloze registratie van de verhoren al een belangrijke doelstelling van de RSV-enquete gerealiseerd. In alle openbaarheid werden hooggeplaatsten gedwongen over de besteding van overheidsgelden verantwoording af te leggen'.

Of televisieregistratie inderdaad zo op de bereidheid tot medewerking van getuigen uitwerkt, weet ik niet. Maar deze conclusie biedt wel een aanknopingspunt voor de discussie.

Privacy

De voornaamste reden om televisiejournalisten buiten de rechtszaal te houden is dat de privacy van verdachten en getuigen teveel wordt geschaad door audiovisuele registratie. Schending van persoonlijke levenssfeer is nagenoeg inherent aan een strafrechtszaak; de meeste verdachten moeten zich verantwoorden voor hun particuliere optreden, en vaak maakt een psychiatrische persoonsrapportage deel uit van het onderzoek ter zitting. Bij een parlementaire enquete kent men echter geen verdachten. Bovendien gaat het uit de aard der zaak niet in de eerste plaats om het particuliere leven van de opgeroepen getuigen. De enquete-commissie is, in tegenstelling tot de strafrechter, niet zo geinteresseerd in de persoon van de betrokkene, maar in de wijze waarop deze het publieke belang heeft behartigd of overheidsgelden heeft besteed.

Getuigen voor een parlementaire enquete-commissie zijn bijna altijd public figures, mensen met openbare functies of functies die nauw verband houden met het openbaar belang. Ook in de strafrechtspleging wordt onderscheid gemaakt in de de mate waarin 'gewone' verdachten en publieke personen bescherming verdienen tegen de media. Het valt niet in te zien waarom getuigen, die op grond van hun maatschappelijke functie en niet wegens prive-omstandigheden voor een enquete-commissie verschijnen, dienen te worden beschermd tegen de openbaarheid.

Waarom zou men wel ten overstaan van krantejournalisten, maar niet van televisiecamera's hoeven te getuigen? Een openbare zitting van een enquete-commissie waar sommige journalisten (die van de omroep) niet en anderen (van de krant) wel worden toegelaten is een monstrum. Openbaar is openbaar en de openbaarheid van het politieke bedrijf dient bij uitstek de democratische controle. Bovendien kreeg de besturende overheid al in 1970 van de commissie-Biesheuvel opdracht de burgers te informeren via de kanalen waarvan zij (die burgers) bij uitstek gebruik maken bij de informatieverwerving.

Vogelvrij

Zo beschouwd mag tegenwoordig elk ander medium dan de televisie nog blij zijn door de overheid te worden geinformeerd. Journalisten van de schrijvende pers zouden raar opkijken als de ministerieel voorlichter, met 'Biesheuvel' in de hand zou zeggen: jullie komen er niet in, we doen alleen zaken met de televisie. Ik schat dat er een rel zou uitbreken die zijn weerga niet kent.

De Tweede Kamer deed een stap terug in het openbaarheidsbeleid van de overheid. En nog erger: ze zei er niet bij in welke gevallen een, met de persvrijheid moeilijk te rijmen, onderscheid tussen journalisten onderling mag worden gemaakt.

Dat maakt televisiejournalisten vogelvrij.