JE PARTNER ALS JE MOORDENAAR

De psychiater vergelijkt zich met Napoleon.; ' Over hem wordt gezegd dat hij, wanneer hij een boek las, de pagina's na lezing afscheurde enweggooide, ' zegt dr. A. P. de Boer. Zelf heeft hij zich beperkt tot het verwijderen van de eerste pagina's uit zijn eigen exemplaar van zijn boek. Het valt direct open op de inhoudsopgave. Maar dat heeft alleen een praktische reden; afgelopen woensdag, enkele dagen na dit gesprek, moest hij het boek verdedigen tijdens de promotieplechtigheid aan de Nijmeegse universiteit. De Boer is psychiater bij het Pieter Baan Centrum in Utrecht, de lommerrijk gelegen maar streng beveiligde Psychiatrische Observatie Kliniek van het gevangeniswezen. Het Centrum, genoemd naar de eerste geneesheer-directeur, doet op verzoek van de stafrechtelijke autoriteiten onderzoek naar psychiatrische stoornissen bij delinquenten en geeft adviezen over hun toerekeningsvatbaarheid. In veertig jaar heeft de kliniek een unieke verzameling forensisch materiaal in zijn archief verzameld.

De Boer heeft een begin gemaakt met de bestudering van dat materiaal. In de periode 1950 tot 1980 verviervoudigde het aantal opnamen in het Pieter Baan Centrum in de categorie moord en doodslag. Binnen deze categorie leek het verschijnsel 'partnerdoding' steeds vaker voor te komen. Daarom besloot De Boer in 1981 zijn onderzoek op dat verschijnsel toe te spitsen. Hij kwam in totaal 124 gevallen van 'partnerdoding' tegen. In verband hiermee onderzocht het Pieter Baan Centrum tussen 1950 en 1980 104 mannen en twintig vrouwen. Geweld binnen relaties en vooral geweld dat eindigt met de dood van een van de partners, is een onderwerp dat vaak beschreven is in de misdaadliteratuur. Literatuur is het boek van De Boer echter zeker niet geworden. Wel beschrijft hij ' ter verlevendiging van het verslag' een aantal exemplarische gevallen. Maar de grote menselijke drama's gaan voor het merendeel schuil achter statistische bewerkingen en 'multi-factoriele analyses'. Die leveren echter een krachtig destillaat van algemene uitspraken over een tot nu toe nauwelijks systematisch onderzochte groep misdadigers. Overigens vond De Boer geen bewijs voor de verwachting dat er sprake zou zijn van een schrikbarende toeneming van dit type delict.

De titel van uw boek luidt 'Partnerdoding'. Dat klinkt wat eufemistisch als het gaat om moord en doodslag.' Het woord 'partnerdoding' zult u niet in de Van Dale vinden. Een eerdere titel was Moord en Doodslag bij echtparen. Maar dat wekte verwarring. Men dacht dat het om Bonnie en Clyde-achtige toestanden ging. En het gaat ook weer niet om het op uitdrukkelijk verzoek doden van de partner; de euthanasie is hier nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten. Ik heb in het begin ook wel gedacht aan Crime passionel in Nederland. Dat is een pakkende kop, maar het dekt de lading niet. Want slechts eenenveertig zaken zijn echt passioneel. In de andere gevallen zijn er diverse redenen. De dader heeft een nieuwe liefde, handelt uit wraak of verkeert in een pathologische roes. Ik ben tien andere redenen voor het doden van de partner tegengekomen.

In eerder Belgisch onderzoek over dit onderwerp wordt gesproken over 'liefdesdelicten'. Alsof er uit liefde gedood is. Maar het is geenszins lieflijk. Het is uiterst gewelddadig. Ik besteed in mijn boek geen aandacht aan de manier waarop het gebeurt. Maar het is opmerkelijk dat er in Belgie voor de jaren vijftig in tachtig procent van de gevallen sprake was van bloedige methodes. Schieten, met een bijl, dat soort dingen. In Nederland gebeurt het met de blote hand. Door wurging. Het de mond snoeren. Door de mannelijke daders wordt in drieendertig procent van de gevallen gewurgd. Bij vrouwen heeft gif nog steeds de voorkeur: twaalf van de twintig onderzochte vrouwen gebruikten gif.' Uit uw onderzoek rijst het profiel op van de partnerdoder.' Het gaat in het algemeen om mannen of vrouwen die hun partner hebben gedood. Er is geen prototype te geven. Ze dragen bij wijze van spreken vaak een prachtige das en een blauwe blazer. Maar er zitten net zo goed mensen bij die de voorkeur geven aan corduroy of een overall. Voor zover er iets specifieks te zeggen valt, gaat het vaak om een ongeveer vierendertigjarige man die wat intelligentie betreft niet van het gemiddelde profiel van de gemiddelde Nederlandse man afwijkt. In het algemeen heeft hij een wat gebrekkige schoolopleiding en vaak is hij werkzaam op een iets hoger niveau, net of hij misschien iets boven zijn kunnen zit.'

Wat is de geldigheid van zo'n profiel, vooral wanneer er zoals in de door u onderzochte groep slechts twintig vrouwen in voorkomen?' Ik kan alleen zeggen dat ik de groep heb onderzocht uit de periode 1950 tot 1980 en dat wij hier twintig vrouwen hebben gezien. Dan komt de moeilijke vraag: zijn dat nou de twintig vrouwen die hun partner hebben gedood? Of zijn het er wel tweehonderd geweest en zijn er maar twintig naar het Pieter Baan Centrum gestuurd? Of zijn het er honderd geweest en zijn er tachtig door de districtspsychiater onderzocht omdat het misschien zo'n interessante casus was? Het is heel moeilijk hard aan te tonen hoe groot de groep in werkelijkheid geweest is. Maar ik kom tot de berekening dat we van alle partnerdodingen op het Pieter Baan Centrum ongeveer een derde moeten hebben gezien.' Hoe groot is het aantal partnerdodingen in de categorie moord en doodslag?' Die vraag valt niet te beantwoorden omdat het Centraal Bureau voor de Statistiek in de criminele statistiek dat onderscheid niet maakt. Zo valt er wel na te gaan hoe vaak iemand in een bepaald jaar veroordeeld is voor zware mishandeling van een familielid, maar uit de statistieken laat zich niet aflezen hoeveel familiegevallen er achter die moord en doodslag schuilgaan. Het zou aanbevelingswaardig zijn als het CBS het wel ging bijhouden. Ik heb het aandeel partnerdodingen in de categorie moord en doodslag berekend, maar daar valt op af te dingen. Ik baseer me op een studie in vijf Westerse landen. In die landen maken partnerdodingen twintig procent uit van het totale aantal gevallen waarin het gaat om moord en doodslag. Ik kom tot de heel grove veronderstelling dat het hier ook wel zo zal liggen.

Als het gaat om geweld in relaties dient zich de vraag aan of dit het topje van de ijsberg is. Ik val me geen buil als ik zeg dat mishandeling binnen relaties aanzienlijk vaker voorkomt. Gelukkig eindigt niet iedere mishandeling met de dood van het slachtoffer.' In uw beschrijving van de oorzaken belicht u vooral relationele aspecten.' Voor de oorzaken van dit gedrag wijs ik op de combinatie van een groot aantal factoren. Het is nooit alleen het feit dat ze thuis geslagen zijn, dat ze misschien een pedofiele onderwijzer hebben getroffen, dat ze mischien een hersenschudding hadden. Het is nooit alleen dat ze een bal hebben die niet is ingedaald waardoor ze bij de sportvereniging zijn afgewezen. In een van de voorbeelden die ik geef, gaat het om een man die zich letterlijk door zijn vrouw de das om liet doen. Dat was een vrouw die het leven van haar man ontzettend bepaalde. Ik noem het voorbeeld van een meisje dat met haar verloofde naar een feestje wilde gaan en hem dwong zich in het pak van een officier te hijsen. Het sterk bepalen van het leven van een ander, dat is een mechanisme dat heel vaak terugkomt in duizend variaties. Het komt in de beste kringen voor. Sommige mensen leveren hun naam in bij het huwelijk, en daarmee hun identiteit. Enige afstand lijkt mij in het huwelijk gepast. We spreken over de psychodynamiek in die hechte relaties. De baas zijn in de keuken van een ander en de gevolgen die dat kan hebben.' Het mag van u niet te klef worden.' Ik moge mijn moeder zaliger citeren die zei: in het begin zeggen ze ik kan je wel opvreten en na verloop van tijd zeggen ze had ik het maar gedaan. Een dichte, te hechte relatie met verlies van grenzen van de persoonlijkheid breekt partners meestal op.

Soms hoor ik een observandus - zo noemen wij onze clienten - zeggen: dokter, mijn hersenen zijn niet in orde. Ik heb observandi meegemaakt die danig de kluts kwijt waren, die een hersenoperatie wilden. Maakt u dat open (wijzend op hun schedeldak). Onlangs had ik het genoegen een studiereis naar de Sovjet-Unie te maken. Ik sprak daar psychiaters die zeiden: als we maar die moderne geavanceerde apparatuur van jullie hadden waarmee driedimensionele kijkjes genomen kunnen worden in het brein, dan kunnen wij eens de oorzaak van schizofrenie vaststellen. Maar zo zit het niet. De oorzaken van partnerdoding tref je daar niet aan. Ik kan u verklappen dat ook in de hersenen van normale mensen vele kronkels zitten.' Is er in de onderzochte periode een verandering waar te nemen in het soort adviezen dat het Pieter Baan Centrum geeft?' Het gaat om een periode van dertig jaar. Het was heel verleidelijk om onderscheid te maken tussen gevallen uit de jaren vijftig, zestig en zeventig. Dan had ik een bepaalde lijn aan kunnen geven.

Ik heb dat echter niet gedaan omdat de groepen te klein zijn. Maar de benadering van dit type delinquent is in dertig jaar wel geevolueerd.' In een van uw stellingen memoreert u dat tussen 1938 en 1967 384 mannen in verband met een seksueel misdrijf werden gecastreerd in het kader van het strafrecht. U vindt dat het effect van die maatregel niet grondig genoeg is bestudeerd. Waar doelt u precies op?' ' Ik vind dat er een aantal ingrepen is gedaan die diep hebben ingesneden in het persoonlijk leven en in het lijf van een aantal seksuele delinquenten. Maar het is nooit goed uitgezocht wat precies de effecten zijn geweest van die ingrepen voor de vervolgcriminaliteit. Nu is er sprake van dat seksuele delinquenten, verkrachters, tijdens en na hun TBR in veel gevallen recidiveren met een seksueel delict. Bezien in dat licht, vind ik het opmerkelijk dat eerdere methoden niet goed geevalueerd zijn.' Wilt u zeggen dat het wel eens zou kunnen zijn dat castreren helpt?' Nee, dat wil ik niet zeggen. Alleen: het moet goed uitgezocht worden. Ik ben nadrukkelijk fel tegenstander van castratie, maar ik ben er niet doof voor dat vrouwen of anderen schrijven: je moet ze castreren. Maar ik wil hier verder liever niet op ingaan.' Waarom niet?' Nee, nee, ik heb er nu echt wel het een en ander over gezegd. U komt onder andere tot de slotsom dat partnerdoders die een TBR-behandeling ondergingen nauwelijks opnieuw met justitie in aanraking kwamen. Daarmee zet u zich af tegen onderzoeken van het Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van justitie dat zeer pessimistisch is over recidive.' Uit diverse WODC-onderzoeken bleek dat de recidive onder langgestraften en TBR-gestelden alarmerend hoog zou zijn: namelijk drieenvijftig procent. In die onderzoeken zijn echter uiteenlopende typen delinquenten op een paar grote hopen gegooid.

De geweldsdelinquenten, de seksuele delinquenten en delinquenten die een vermogensdelict gepleegd hebben, dieven dus. Binnen de groep geweldsdelicten zitten echter uiteenlopende typen daders. De vrouw die tijdens een kraambedpsychose haar kind doodt, samen met de cafevechter en de bankrover. Maar dat zijn heel andere mensen met een heel ander profiel die je niet in een statistiek kunt stoppen. Als je fijnere uitsplitsingen maakt naar de verschillende typen delinquenten krijg je een heel ander beeld, daar ben ik van overtuigd.' U stelt voor om meer onderzoek buiten het onderzoekscentrum van het ministerie te laten doen.' Er werken daar veel kundige mensen, dat meen ik oprecht. En ik heb veel baat gehad bij hun rapporten. Maar het WODC lijkt een soort monopoliepositie te hebben. Er is ontzettend bezuinigd op allerlei budgetten voor criminologische instituten, een aantal leerstoelen is opgeheven. Ik vind dat er diversiteit moet zijn, verschillende mensen moeten zich een beetje verder weg van Den Haag met deze zaken bezig houden.

Het zou ook goed zijn als er meer van dit soort categoriale onderzoeken naar welomschreven groepen gedaan werden. Ik heb me bijvoorbeeld ooit verdiept in kinderdoding. In 1979 verscheen er vanuit de vrouwenbeweging een artikel in het tijdschrift Proces waarin gesteld werd dat wij vrouwen 'psychiatriseerden', ten onrechte in psychiatrische klinieken stopten. Die bewering was gebaseerd op het aantal vrouwen dat hier eind jaren zeventig geweest was. In het artikel werden onze adviezen vergeleken voor mannelijke en vrouwelijke geweldsdelinquenten. Wat bleek? Die vrouwen werden inderdaad bijna allemaal richting psychiatrische inrichting gestuurd terwijl mannen vaker het predikaat toerekeningsvatbaar kregen. Maar die vrouwen werden terecht onder behandeling gesteld. Ik heb uitgezocht wat er achter die gewelddelicten van vrouwen schuilgaat. Daaronder bleek een zeer hoog percentage vrouwen te zitten die hun kind hadden gedood. Die mannen waren cafevechters of bankrovers. Dan is het niet verwonderlijk dat wij tot verschillende oordelen kwamen. Zwangerschap en bevalling is een levensfase waarin zich calamiteiten op psychiatrisch gebied kunnen voordoen. Die vrouwen hadden in een psychotische ziekteaanval hun kind gedood en die waren uitermate gebaat bij een behandeling.

Ik weet toevallig dat er iemand bezig is met onderzoek naar kinderdoding. Dat is ook weer zo'n heel bijzondere groep. Zelf ga ik onderzoek doen naar geweld tussen vaders en zonen. Hoe het verder ging met Oedipus in Holland.'

    • Gouda Quint 1990