HET ROOMSE LEEREN GEVAAR

'Ren zonder vrees de velden over!/ Blijf voor geen tegenstand vervaard!/ Het onvermoeid en eerlijk zwoegen/ Maak' U de overwinning waard./ Wil steedsuw taak in 't spel gedenken: / Gij moet de ware sportgeest schenken./Hoog de vanen, Hoog de harten, / Hoog de vreugd, Hoog de vreugd!' Deze fraaieregels vormen de eerste strofe van een clublied voor rooms-katholieke voetbalverenigingen, dat geschreven werd door niemand minder dan Jan Engelman. Uit de informatieve monografie van Derks en Budel over de katholieke sportbeweging in Nederland wordt duidelijk dat de roomsen Engelmans aansporende woorden eigenlijk nauwelijks nodig hadden.

Al spoedig na de introductie van de voetbalsport in Nederland aan het eind van de vorige eeuw bleek deze sport een grote aantrekkingskracht op de katholieken uit te oefenen. Voor de clerus vormde sport in het algemeen en het populaire voetballen in het bijzonder een nieuwe bedreiging van de geloofsgemeenschap. Tegen dit fenomeen uit de moderne, liberaal-kapitalistische wereld dienden de roomsen beschermd te worden. Volgens de Bredase kapelaan W. J. C. Binck was verbieden niet de juiste weg. De voetballerij diende zo snel als mogelijk in katholiek verband te worden georganiseerd. Zo kon worden voorkomen dat de katholieke jeugd naar de neutrale clubs zou 'overlopen'. Binck, die door zijn tijdgenoten werd getooid met de bijnaam 'voetbalmissionaris', slaagde erin het roomse voetballen in korte tijd te organiseren. Eerst kwamen er bonden per bisdom en in 1916 werd in Den Bosch de Roomsch-Katholieke Federatie van Roomsch-Katholieke Voetbalbonden in Nederland opgericht, kortweg de RKF. De katholieke zuil was zo weer verder uitgebouwd, maar de totstandkoming van de RKF betekende geenszins een definitieve beteugeling van 'het leeren gevaar'. Doordat de godsdienstige en sportieve belangen sterk uiteen liepen, bleven er voortdurend problemen. Deze tegenstelling tussen sport en katholicisme vormt het hoofdthema van Budels en Derks'studie. De auteurs tonen duidelijk aan dat de katholieke (sport)zuil allerminst een eensgezind geheel vormde. Dat is mijns inziens een belangrijke verdienste van hun boek, want het woord 'zuil' suggereert bij velen een coherentie die er in werkelijkheid nooit is geweest. De sportverenigingen stonden bijvoorbeeld dikwijls lijnrecht tegenover de bisschoppen. Voor de laatsten stonden niet de sportieve belangen voorop, maar zaken als zedelijke kleding, zondagsheiliging en vooral vermijding van contact met andersdenkenden. Elk bisdom kende bovendien afwijkende bepalingen inzake de sport. Door dit diocesane particularisme slaagde de RKF er niet in de katholieke voetbalcompetitie goed te organiseren. Mede debet hieraan was de onheldere structuur van de RKF, die haar functioneren bemoeilijkte. Het gevolg van dit alles was dat veel katholieken, soms zelfs hele verenigingen, in de neutrale competitie van de KNVB gingen voetballen.

PATRONATENVoor het katholieke jeugdwerk, dat voornamelijk godsdienstige en pedagogische doeleinden had, vormden de sportverenigingen een geduchte concurrent. De duffe, door geestelijken geleide patronaten en gezellenverenigingen verloren meer en meer leden aan de sportclubs, die veel dynamischer waren en waar de clericale inbreng veel geringer was. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat onder de jeugdleiders zich velen mordicus tegen de voetbalsport keerden. Zo publiceerde frater J. J. Doodkorte in 1922 een brochure met de veelzeggende titel Ouders, houdt uw kinderen af van de voetbalmatch!'BALLONBROEKJE'Ofschoon de Nederlandse bisschoppen na de oorlog streefden naar een restauratie van de katholieke zuil, loopt het ontzuilingsproces toch als een rode draad door de geschiedenis van de naoorlogse katholieke sportbeweging. De in 1946 opgerichte Nederlandse Katholieke Sportbond (NKS) had in hoofdzaak een religieus-ideele taak; de sportieve organisatie werd aan de afzonderlijke sportbonden overgelaten. Toen in het midden van de jaren vijftig deze bonden meer inspraak verlangden, verzette het episcopaat zich aanvankelijk wel hiertegen, maar in 1964 werd de NKS een federatie met zelfstandige bonden. Kon in 1949 het omstreden 'ballonbroekje' van vrouwelijke sporters nog onderwerp zijn van heftige discussies, aan het eind van de jaren zestig waren de kerkelijke bemoeienissen met sport vrijwel geheel gestaakt. Omstreeks diezelfde tijd werd onder invloed van het Tweede Vaticaans Concilie zelfs de defensieve houding ten aanzien van sport losgelaten. De kerk kwam tot een meer positieve waardering van sport: lichamelijke oefening kon een bijdrage leveren tot een meer harmonisch mens-zijn.

Leidde de sterke ontzuiling in Nederland nu ook tot een einde van de NKS? Nee, dat gebeurde tot verbazing van velen niet. De verwachting was dat die terreinen van het maatschappelijk leven die het verst van de levensbeschouwelijke kern aflagen (bijvoorbeeld de sportverenigingen), het eerst zouden ontzuilen. Toen het ledental van de NKS aan het begin van de jaren zestig fors afnam, leek deze verwachting bewaarheid te worden. Toch begon het ledental na 1965 weer te groeien. Deze kentering vond plaats op het moment dat de kerk haar handen van de sport aftrok. De ruimte die hierdoor ontstond, wisten de verenigingen klaarblijkelijk op te vullen met een positieve levensbeschouwelijke visie op sport die voor velen aantrekkelijk was. Weliswaar betekende deze visie voor de sportpraktijk hoegenaamd niets, maar voor de beoefenaren des te meer. Je moet je bij een club tenslotte wel 'thuis' voelen. Deze ontwikkeling lijkt me verwant aan die van de confessionele politieke partijen. In de jaren zestig en begin jaren zeventig kampten deze met forse electorale verliezen, maar na de fusie tot een vaag confessionele partij van het maatschappelijke midden kwam deze neergang tot stilstand. En sinds enige tijd groeit de aanhang weer.

In de degelijke studie van Derks en Budel, die gebaseerd is op de doctoraalscripties van de beide auteurs, krijgt het voetballen om bijna vanzelfsprekende redenen de meeste aandacht. Maar ook andere sporten, zoals atletiek en gymnastiek, komen aan bod. Doordat het boek deels chronologisch, deels thematisch is opgezet, hebben de auteurs hun onderwerp van diverse zijden goed kunnen belichten. Het is jammer dat hun helder geschreven studie hier en daar wat schools is. In het inleidende hoofdstuk wordt bijvoorbeeld braaf uitgelegd waar het woord 'sport' vandaan komt. Verder kwam bij mij de kruisbestuiving met Piere Bourdieus sociologische begrippenapparaat nogal modieus over. Echt verhelderend gewerkt heeft ze bovendien niet. Overduidelijk wordt wel hoe boeiend sportgeschiedenis kan zijn en hoezeer het te betreuren valt dat historici zich zo weinig op dit terrein begeven.

    • Theo Bijvoet Sportief
    • Marc Budel 215 Blz