Frans Kiekens, 25 jaar infanterist van deverzorgingsstaat: 'De stad is een onding'

Frans Kiekens was jarenlang opbouwwerker in de moeilijkste wijken van Den Haag. Hij maakte er de onstuimige opkomst en de val van het professionele welzijnswerk mee, de politisering van de acties en de apathie van de huidige buurtbewoners. 'De politiek is het contact met de oude wijken kwijt', zegt hij bij zijn afscheid. Herinneringen van een gatenvuller.

In de Schilderswijk was een oude vrouw gevonden. Dood. Tien maanden had ze in haar woning gelegen. Deurwaarders hadden hun enveloppen in de bus gegooid, boven op de gemeentelijke aanmaningen om de huur te betalen. Niemand had iets gemerkt, want de buren waren dement en de melkboer kwam niet meer aan de deur. Niemand had iets gezien vanuit de gemeenschappelijke binnentuin, want in die jungle kwamen de Plantsoenendienst en de bewoners niet meer. Niemand had iets verdachts geroken; het zou de riolering wel weer zijn.

Opbouwwerker Frans Kiekens begreep het momentum. Al jaren klaagden de bejaarden in de buurt over de slechte woonomstandigheden en de vereenzaming. De gemeente hoorde het aan en er veranderde niets. Maar dit, dit zou opschudding geven in de wijk, in de stad. Er zou landelijke publiciteit van komen. ' Profiteer van het moment dat mensen emotioneel zijn geraakt', hield Kiekens zichzelf voor.

De volgende avond was er een vergadering met buurtbewoners, bejaardenverzorgsters, het Groene Kruis en de media. De wethouder was er ook, die had in de krant moeten lezen dat hij zou komen. Hij was kwaad op Kiekens, maar kon niet wegblijven. De ene klacht van de bewoners struikelde over de andere, van de slecht te ventileren woningen tot de riolering, van de tuin tot het zelf-denkende lichtknopje, dat de bejaarde bewoner, wanneer hij zich tot halverwege de trap had gesleept, in het aardedonker zette.

Een maand later was de riolering vervangen, de tuin opgeknapt, en waren er andere lichtknopjes. Er kwam een keet als buurtcentrum. In het huis van de overleden vrouw wilde niemand meer wonen. Dat werd het kantoortje van het bejaardenwerk.

Zo ging dat in de jaren zeventig in Den Haag. In de oude wijken was de stadsvernieuwing nog niet langs geweest. De bewoners hadden vele onderwerpen om zich druk over te maken, en de politiek geld om er wat aan te doen. Het waren de topdagen van het welzijnswerk; de professionele krachten die bewoners bijstonden en mobiliseerden bij het verbeteren van hun buurt. Over de gladde richel van gebruiken en gebruikt worden trokken de opbouwwerkers met de buurt ten strijde tegen de gemeentelijke overheid, die hen - tot verbazing van buitenlandse bezoekers - subsidieerde.

Een van de bekendste was Frans Kiekens (62), die deze maand ophoudt na 25 jaar bij de infanterie van de verzorgingsstaat. Afkomstig uit het katholieke club- en buurthuiswerk, was hij jarenlang opbouwwerker in Den Haags moeilijkste wijken: de Schilderswijk, het Transvaalkwartier en het Oude Centrum. Hij was de eerste speciale opbouwwerker voor Surinamers in Den Haag. Hij maakte zowel de onstuimige opkomst als de geleidelijke neergang van het welzijnswerk in de jaren tachtig mee en neemt afscheid op de drempel van een lichte herwaardering: de sociale vernieuwing.

De laatste tien jaar doceerde Kiekens tevens aan de Sociale academie en begon een praktijk als psycho-therapeut. Met het laatste gaat hij na de VUT door.' Van jongsaf aan heb ik sociaal werk willen doen. Op mijn zestiende kwam ik bij de Katholieke Arbeidersjeugd. Ik merkte al snel dat ik goed kon organiseren: dansavonden, tafeltenniswedstrijden en ik schreef krantjes vol.

Ik was gevoelig voor wat anderen zeiden, maakte hun problemen tot de mijne. Dat jezelf wegcijferen voor een ander; dat had ik natuurlijk in de katholieke kerk geleerd.' Door cursussen van het bisdom Haarlem kreeg ik inzicht in sociale problemen. Ik werd gevraagd om beroepskracht te worden bij de KAJ - 'vrijgestelde' noemde men dat toen. De parochie had via het werk een zekere greep op het geheel, ze gaf cursussen over het gezin, de liefde, problemen van meisjes. Daar kwamen priesters over spreken, wat ik op een gegeven moment vreemd vond: hoe kunnen die mensen oordelen over terreinen waar ze door het celibaat geen verstand van hebben?' Ik heb me uit de kerk moeten bevrijden. Eigenlijk vond ik het belachelijk dat het als doodzonde werd aangemerkt als je niet elke zondag naar de kerk ging. Ik wist: als ik een keer niet zou gaan, zou ik nooit meer gaan. Zo is het ook precies gebeurd, vijftien jaar geleden. Ik voelde grote bitterheid over de kerk. Die opgedrongen onvrijheid. Ik ben iemand die niet heel snel beslissingen neemt, maar als ik ze neem zijn ze definitief. Het type-Frank Rijkaard.' ' Het dagelijks werk van een opbouwwerker houdt in: veel vergaderen, telefoontjes aannemen van bewoners, ze doorverwijzen naar de gemeente of instellingen, gesprekken met de bewonersorganisatie, acties organiseren, brieven schrijven - maar ook koffie zetten en briefjes in de bussen stoppen. Ik ben een gatenvuller, ik doe wat anderen niet kunnen of willen om de zaak draaiende te houden. Ik bouw op: het directe leven in de buurt, in de straat en help bij alle dingen die mensen willen veranderen.' In de jaren zeventig kreeg je de professionalisering van het welzijnswerk. Vrijwilligers hadden daar veel moeite mee, ze waren bang dat de betaalde kracht tegen hun wil dingen zou veranderen. Die angst is terecht gebleken. Wij hadden geleerd kritisch te zijn, dingen open te breken, te veranderen. Ik geloof niet dat dat fout was. Alleen daar waar de professionals zich hebben vervreemd van de mensen, is het een vloek geweest.

' Tegelijk kreeg je de politisering. De linkse partijen, en vooral de CPN, zagen in dat je via het welzijnswerk een enorme politieke invloed kon uitoefenen. Ik vond het vooral eng, dat van de ene naar de andere actie hollen, iedere dag met een ander spandoek in je hand. Ik had een enorme hekel aan dat manipulatieve. Mensen werden min of meer geprest om overal in het land naar politieke optochten te gaan. Je kreeg scherpe kritiek als je niet meedeed, dan was je een reactionair. Ik wilde met mensen concreet dingen opbouwen, was niet zo politiek ontwikkeld. En dus ook een reactionair.' Ik heb een tijdje het marxisme bestudeerd en er goede dingen uitgepikt, maar ik ben geen lid geworden van de CPN. Ik vond links veel te sterk van bovenaf gestuurd. Dan zou ik na de katholieke kerk in het volgende gesloten huis terecht zijn gekomen.' Het idee van opbouwwerk is telkens veranderd. Participatie van bewoners, solidariteit en weer later heette het emancipatie, vrijmaking. Zelf zou ik zeggen: mensen bewust maken van de situatie waarin ze leven. Ik voelde niets voor het opbouwwerk als politieke strijd; dan zou ik mensen gebruiken. Voor mij was het: mensen helpen in de door hen gevoelde problemen.' Een ambtenaar van de gemeente heeft me eens gezegd: we waren bang voor jou op het stadhuis, jij gooide alles ondersteboven. Dat wilde ik eigenlijk ook. De overheid is zo log en gesloten voor bewoners, daar moet je doorheen breken.' De oude wijken hadden vroeger een heel ander karakter. Je had veel woningen met een paar gezinnen over een trap. Dat maakte het leven anders. Door de woonvorm waren de mensen gedwongen tot sociaal contact. Het was gehorig en dat gaf nogal wat onenigheid.' De mensen zochten hun vertier in de knijpjes, de kroegjes, en in de majoretteverenigingen.

De majorettevereniging had iets demonstratiefs: kijk 's, we zijn er ook nog, we betekenen ook wat. Een soort zelfbevestiging.' Er was veel armoede, maar het was stille armoede. De mensen praatten er minder over dan nu. Armoede is volgens mij niet alleen weinig geld, armoede is ook helemaal los van de natuur staan. De mensen kwamen nooit buiten hun wijk. We zijn toen begonnen met het Katholiek Maatschappelijk Werk in de zomer vakantiekampen te organiseren bij Overloon. Daar konden mensen uit de wijk heen met grote gezinnen van tien, twaalf kinderen.' De eerste confrontatie met de natuur was er een van schrik, de mensen voelden zich op zichzelf teruggeworpen. Er waren mensen die hadden last van de stilte en de duisternis, die gingen na een paar dagen weg. Terug naar de wijk. Toen de caravanhausse kwam, zijn we opgehouden met die kampen.' Het buurtleven is kapot gemaakt door de televisie, dat is de splijtzwam geweest. Vroeger kwamen de mensen veel bij elkaar over de vloer en huurde men bij elke gelegenheid een zaal voor een feestje. Nu heeft iedereen zich in z'n eigen hutje verschanst. ' En dan heb je de enorme volksverhuizingen. De min of meer gedwongen verhuizingen zijn de negatieve kant van de stadsvernieuwing, daar hebben we nooit rekening mee gehouden. Het lijken kleine afstanden, van de Schilderswijk naar Moerwijk, maar voor de bewoners is het een volksverhuizing. De mensen voelen zich in andere wijken als een buitenlander die voor het eerst in Den Haag komt. De gevolgen van de stadsvernieuwing beginnen nu pas door te dringen. De vervreemding, het vandalisme, de verloedering.' Ik heb me altijd verzet tegen het denken in steen en niet in mensen. De stadsvernieuwing heeft een hele hoge prijs gehad: het einde van een sociale structuur.' ' Bij een beperkt aantal andersgekleurden in een wijk is het racisme nog net beheersbaar. In de wijk het Oude Centrum is in de afgelopen zes jaar het percentage buitenlanders gestegen van vijftien tot twintig procent. Het blijkt dat je dan ongeveer de grens bereikt. Omdat het geleidelijk gebeurt, wennen de mensen eraan, dan loopt het niet uit de klauwen. Daar waar de stijging in een versneld tempo ging, zoals in de Schilderswijk, werden de blanke mensen overdonderd. Daar ligt het percentage allochtonen over de veertig, in sommige delen van de wijk over de zestig.'

De concentratie in een paar wijken was voor de buitenlanders geen keus. Daar waren de eersten heen gegaan, daar waren vaak slechte huizen te koop. Ik heb nooit geloofd in een spreiding van buitenlanders over de stad, van bovenaf opgelegd. Er had een openstellingsbeleid moeten zijn; daar waar de gemeente en de woningbouwverenigingen woningen bezitten, had men de buitenlanders moeten uitnodigen om te komen wonen. Tegen de bezwaren van bewoners van die wijken in.' Ik zie niets in die zogenaamde hardere benadering van buitenlanders, waar je nu veel over hoort. Natuurlijk, Nederlands leren vind ik ook belangrijk. Maar in het verleden is er te weinig gedaan om met die mensen in contact te treden. Er is geen klimaat geschapen waarin mensen zich volwaardig konden voelen. Het merendeel woont in de slechtste woningen, ze hebben weinig of geen scholing en de werkloosheid is onder buitenlanders het hoogst. Er was hier in de stad een vakopleiding voor buitenlandse kinderen, een voorportaal voor de officiele vakopleiding, waar ze door hun achterstand nog niet aan toe waren. Wegens bezuinigingen opgeheven. We zijn niet te zacht geweest, we zijn te hard geweest. ' In de Schilderswijk nemen de spanningen niet toe. De mensen hebben gewoon gekozen. Zij die geen buitenlanders in de wijk wilden, zijn weggegaan. De mensen die bleven, hebben de de verandering geaccepteerd. Ik ben er niet somber over. De oplossing zit in de kinderen. Een Turks kind dat hier in Nederland is geboren en achttien jaar is, voelt zich eigenlijk een Nederlander. Je lacht je rot: die kinderen praten platter Haags dan een Hagenaar.' ' Waarom stemt de halve stad niet meer? De politiek is het contact met de oude wijken kwijt. De bezuinigingen zijn sluipenderwijs uitgevoerd, de mensen zijn apathisch geworden.

'Ze doen toch maar', dat zeggen de meeste mensen.' De vervreemding woekert door. Je kunt zeggen: al die voorzieningen en al die welzijnswerkers hebben dus niet geholpen. Maar als wij er niet waren geweest, was de puinhoop vele malen groter geweest. Ik kan het niet bewijzen, nee, maar daar ben ik van overtuigd. De buurthuizen hebben in ieder geval iets van de functie van de huiskamer overgenomen, daar kun je komen kaarten en je eigen thermoskan koffie meenemen.' Er zijn mensen geweest, die jaren geleden een opstand in de oude wijken voorspelden. Maar die opstand zal nooit uitbreken. De politiek is te handig geworden. Plannen worden in het geheim voorbereid, er zitten politieke cadeautjes in voor partijen die niet in het college van B en W zitten. Daarna krijgen de bewonersgroepen openlijk te horen: als je een steentje uit het plan haalt, dan dondert de hele muur om. Het plan moet overeind blijven. Zo is het hier in Den Haag ook gegaan met het plan van het linkse college voor de binnenstad. Het is bewonersverlakkerij.' Sociale vernieuwing is alleen een nieuw woord, een nieuw jasje. Het voornaamste is: naar de mensen luisteren. De mensen serieus nemen. Als je dat niet doet, vermoord je je politieke systeem.' ' Op mijn vijftigste ging ik in therapie. De Speyer-therapie, gebaseerd op fantasieverhalen en lichaamsaanraking. Toen ontdekte ik veel over mezelf, onder meer dat ik het welzijnswerk gebruikt had voor mijn eigen problemen. Het was een manier om contact te krijgen met anderen. Ik had vooral gegeven en daar raak je leeg van - er moet een evenwicht zijn tussen geven en nemen. Twee jaar later ben ik zelf therapeut geworden. Zo heb ik een interessante ontwikkeling doorgemaakt: van de individuele hulpverlening, via het begeleiden van groepen naar de psychotherapie. Nu weet ik dat ik met mensen individueel verder kom. Ik voel me een biljarter, met de ene bal bespeel ik de andere. Via het individu bereik ik weer anderen. Het is eigenlijk effectiever. Ik ben niet somber geworden door dit werk. Maar ik vind de stad in wezen een onding. Nu heb ik de keus. Zodra het kan, verhuis ik. Naar de Veluwe.'

    • Peter ter Horst