Een lastige klant; Vijftien jaar Irakees-Nederlandsebetrekkingen

Het Westen heeft dictator Saddam Hussein de afgelopen jaren in het zadel gehouden, zo is de algemene opinie, maar welke rol heeft Nederland vervuld? De relatie tussen Nederland en Irak is nooit warm geweest, wel explosief. Een dossier over permanente botsingen, Iraakse heethoofdigheid en Haagse behoedzaamheid, diplomatie achter de schermen, miljoenenstroppen van het bedrijfsleven en een ontmoeting met 'de griezel' zelf. Hoofdrolspelers blikken terug.

Han Bergkamp is nauwelijks verbaasd als hij hoort dat Nader Nedda met de dood wordt bedreigd. De medewerker van de animal health (: -) van Philips Duphar dat veterinaire produkten aan Bagdad verkoopt, weet - halverwege de jaren zeventig - al langer dat zijn Iraakse adviseur en vertrouwensman gevaar loopt: raadgevingen voor buitenlandse bedrijven gelden in Irak als een 'illegaal bijbaantje' en een maandelijkse commissie van een paar honderd gulden als 'steekpenningen'. Het Ba'ath-regime heeft daar de kogel op gezet.

Bergkamp: ' Dreiging was er constant. Toen de Irakees ons vertelde dat hij ermee op zou houden, hadden we daar begrip voor.'

Na het vertrek van de gids weet Duphar nog maar incidenteel contact te leggen met Iraakse staatshandelorganisaties en kwijnt de handel met Bagdad.

De ervaring van Duphar in het midden van de jaren zeventig is niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis van de woelige relatie tussen Nederland en Irak in de afgelopen vijftien jaar. De episode wordt gekleurd door een opeenvolging van incidenten: publieke schofferingen door heetgebakerde Irakezen en gereserveerde reacties van Nederlandse politici en ambtenaren, de komst van omstreden Iraakse ambassadeurs, stille diplomatie en flirts van zakenmensen met een vaak slechte afloop.

De executie van ziekenbroeder Aronson

De diplomatieke betrekkingen tussen Irak en Nederland zijn nooit innig geweest, en zeker niet in 1973, wanneer de ambassadeur in Bagdad wordt teruggeroepen wegens de olieboycot door de Arabische Staten. Nederland is weinig geliefd in de Arabische wereld door de vriendschap met Israel. ' Wij hadden bezwaren tegen het regime in Irak vanwege de aanhoudende confrontatie met Israel en het optreden tegen de Koerdische nationalisten', zegt mr. C. Rutten, directeur-generaal politieke zaken op Buitenlandse Zaken in de periode na de olieboycot. ' Maar we hebben onze best gedaan om de betrekkingen met de Arabieren zo goed mogelijk te houden en verder te ontwikkelen.'

Hoe koel de relatie is, ervaart mr. G. Meihuizen. Nederland heeft hem in 1974 als zaakgelastigde naar Bagdad gezonden nadat de Iraakse regering het voorstel om een ander als ambassadeur te benoemen heeft afgewezen. Deze kandidaat heeft als diplomaat in Israel gewerkt, en dat is voor Irak onaanvaardbaar.

De benoeming van een tijdelijk zaakgelastigde is een beschaafd protest, maar al snel blijkt dat Meihuizen langer moet blijven. Begin november 1975 maakt de Iraakse televisie melding van de executie van de Nederlander Leendert Aronson, een ziekenverzorger die uit idealisme naar Irak is gereisd om Koerden te helpen. Bij navraag ontkent het regime de terechtstelling. Aronson, die over de Nederlandse en Israelische nationaliteit beschikt, is wel gearresteerd wegens ' spionage voor de zionistische vijand'. Terwijl premier Den Uyl ' een humanitair appel' doet op de Iraakse regering Aronson niet ter dood te brengen, probeert Meihuizen consulaire bijstand te verlenen, maar tevergeefs. ' Sinds wanneer is Nederland vertegenwoordiger van Israel?, kreeg ik steeds te horen.' Irak maakt in maart 1976 alsnog bekend dat de Nederlander is geexecuteerd. De Nederlandse regering roept zaakgelastigde Meihuizen terug ' voor consultatie' ; volgens minister mr. M. van der Stoel (Buitenlandse Zaken) een diplomatiek ' signaal van bijzonder ongenoegen' maar zonder veel inhoud. ' Wat konden we anders? De diplomatieke betrekkingen verbreken? In Irak zaten nog honderd andere Nederlanders. De zaak-Aronson had al bewezen hoe moeilijk het is om als regering bescherming te bieden', meent Van der Stoel.

Zeker is dat Nederland voorlopig geen ambassadeur zal sturen. ' De affaire-Aronson was een dieptepunt in de diplomatieke relatie met Irak. Een schandelijke zaak', zegt Van der Stoel. Ondanks de politieke koelte groeit bij het Nederlandse bedrijfsleven de interesse voor Irak. In de jaren zeventig stijgt de export naar Irak tot enkele honderden miljoenen guldens per jaar. Bagdad profiteert steeds meer van de olierijkdom en investeert behalve in consumptieve importen van zuivelprodukten vooral in de ontwikkeling van het land. Landbouwgronden worden ontgonnen, irrigatiewerken opgezet, en wegen en kanalen aangelegd.

Irrigatiewerken

Het Nederlandse ingenieursbureau Nedeco werkt aan vele projekten mee. Civiel ingenieur en projektmanager Wim in 't Veld, een regelmatig bezoeker van Irak, is betrokken bij het ontwerp en de uitvoering van irrigatie- en drainagewerken die van de vlakte tussen de Eufraat en de Tigris een vruchtbaar landbouwareaal moet maken. De projekten Hilla-Diwanya, honderd kilometer ten zuiden van Bagdad, en Abughraib, rond de Iraakse hoofdstad, belopen 300 miljoen tot 2,4 miljard gulden. De werken hebben onder meer tot doel de verzilting - vanwege de hoge temperaturen blijven minerale zouten in de aarde achter - tegen te gaan door het land via kanalen en sloten door te spoelen met rivierwater.

De Nederlandse ingenieurs ondernemen met buitenlandse collega's een veelbelovende poging om de vruchtbare Mesopotamische vlakte te bevloeien. Maar na verloop van jaren, en zeker nadat Saddam Hussein in juli 1979 president is geworden, rijzen grote problemen. Veel boeren weten simpelweg niet hoe zij de irrigatiesystemen moeten bedienen en daardoor wordt volgens In 't Veld ' de situatie op vele plaatsen nog erger dan toen we eraan begonnen. Er is geen land ter wereld dat zo veel geld heeft geinvesteerd met zo weinig resultaat.' Veel projekten verzanden in de bureaucratie. In 't Veld merkt dat steeds minder Irakezen verantwoordelijkheid durven te nemen voor de goedkeuring van werken uit angst voor de nieuwe president; en niet ten onrechte. Vijf hooggeplaatste Irakezen met wie In 't Veld al jaren samenwerkt worden in de zomer van 1979 gearresteerd. Een van hen is adviseur van de minister van irrigatie die de Nederlander nog heeft rondgeleid bij een bezoek aan Nederland. ' Niemand kon me vertellen wat hij had gedaan. Op een dag in december hoorde ik dat hij die ochtend samen met de anderen was opgehangen. Ik heb toen wel even gedacht: barsten jullie hier maar.'

Van der Stee te Bagdad

De machtswisseling in Bagdad voltrekt zich juist wanneer de Nederlandse regering de diplomatieke en economische banden met Irak wil aanhalen. Nederland benoemt in 1979 weer een ambassadeur. En nadat staatssecretaris mr. K. H. Beijen (buitenlandse handel) als eerste bewindsman sinds jaren Bagdad bezoekt, besluit het kabinet in hetzelfde jaar een zware handelsmissie naar Irak te sturen. Minister drs. G. M. V. van Aardenne (Economische Zaken) komt niet voor de reis in aanmerking door zijn gebrekkige beheersing van de Engelse taal en afkeer van reizen. Hij wordt vervangen door landbouwminister mr. A. van der Stee die begin november in een volgepakte Fokker Fellowship met tientallen bestuursleden van Koninklijke Olie, Ogem en Daf in Bagdad landt. Zijn gastheer, de Iraakse minister van landbouw, is voor hem geen onbekende. Van der Stee kan zich nog herinneren hoe ' buitengewoon teruggetrokken' de man als onderminister het jaar ervoor een lunch op een landbouw-conferentie in Rome heeft bijgewoond. Later heeft de Nederlandse bewindsman gehoord dat zijn Iraakse collega zo bedrukt was omdat hij kort daarop de executie van zijn voorganger moest aanschouwen. Het slachtoffer behoorde tot de groep van een kleine dertig topfunktionarissen die nadat Saddam Hussein zich president heeft gemaakt, is geelimineerd, zo heeft Van der Stee verder vernomen.

De sfeer in Bagdad is ' lichtelijk unheimisch, nog beklemmender dan de Sovjet-Unie'.

Ofschoon de Nederlandse bewindsman als een ' grootvorst' wordt ontvangen, vraagt hij zich soms af of de Irakezen hem tijdens prive-gesprekken niet proberen te verleiden tot onvriendelijke uitspraken die mogelijk worden afgeluisterd.

Van der Stee, die in vijf dagen tien ministers spreekt, vindt de zakelijke ontmoetingen ' bijna vijandig'. Keer op keer wordt hem de Nederlandse vriendschap met Israel onder de neus gewreven. ' Ik heb af en toe tijdens gesprekken de neiging gehad om op te stappen.' Het onderwerp beheerst ook de gemoederen in een restaurant, waar Van der Stee tot zijn verbazing wordt ontvangen door het ongebruikelijke aantal van zes ministers onder wie de vice-premier, tezamen een kwart van het Iraakse kabinet. Gezeten op kussens op de vloer krijgt de Nederlander tijdens de dis plotseling een felle aanval te verduren. ' U bedriegt ons', opent de vice-premier het tafelgesprek in het Engels. ' En we dachten nog wel dat we vrienden waren.'

De Iraakse toorn is opgewekt door een bezoek van minister dr. J. de Koning (ontwikkelingssamenwerking) op hetzelfde moment aan Israel, een reis waar Van der Stee niet van op de hoogte is. De Nederlandse bewindsman is sprakeloos door de ' weinig gepolijste omgangsvormen' van zijn gastheren. ' Aan de andere kant was het een stommiteit van de eerste orde om die reis van De Koning niet af te stemmen terwijl de situatie zo precair lag.' Het conflict is binnen 24 uur opgehelderd wanneer de Irakezen wordt uitgelegd dat het bezoek aan Israel geen bijzondere achtergrond heeft. Is Van der Stee bij zijn vertrek nog pessimistisch over het welslagen van de missie, bij terugkeer beschouwt hij zijn reis als een ' doorbraak' in de handelsbetrekkingen. ' De Irakezen waren uiterst ambitieus. Bagdad moest de metropool van het Midden-Oosten worden.'

Op Schiphol verklaart Van der Stee: ' Er liggen daar voor miljarden guldens aan mogelijkheden'.

Het Nederlandse bedrijfsleven heeft voor een miljard gulden aan orders in portefeuille. Ook is een eerste stap gezet voor het sluiten van een technische en economische overeenkomst met Irak, een van de laatste handelsverdragen in de rij die Nederland in de Golfregio zal afsluiten. Een bijzondere ambassadeur in Den Haag

De belangstelling van het Nederlandse bedrijfsleven is eind jaren zeventig merkbaar tijdens de jaarlijkse receptie in de Iraakse ambassadeurswoning in Den Haag. Zo'n honderd tot honderdvijftig bedrijven bezoeken de cocktail. ' De ambassadeur was vooral bezig met politiek, niet zozeer met commerciele activiteiten', weet de voormalige tweede ambassade-secretaris Barwari. ' Het ging hem puur om via de bedrijven het Nederlandse standpunt ten aanzien van de politiek van Irak te beinvloeden'. Barwari, een Koerdische nationalist, verbaast zich over het gemak waarmee de Nederlandse regering ambassadeurs uit Irak toelaat. Ambassadeur Abul Khail, die van eind 1978 tot 1980 in Den Haag verblijft, staat in Iraakse kringen bekend als lid van de Mukhabarat, de Iraakse geheime dienst. Hij is van zijn diplomatieke post in Canada door de plaatselijke autoriteiten verwijderd omdat hij al te nadrukkelijk Koerden heeft bespionneerd. Nederlandse oud-bewindslieden en ambtenaren zeggen niets te weten van een omstreden verleden van Khail. ' Met hem was naar mijn weten niks aan de hand', zegt voormalige directeur-generaal Rutten.

Juist tweede secretaris Barwari brengt de Nederlandse regering in verlegenheid. Kort na de machtsovername door Hussein wordt hij teruggeroepen naar Bagdad, waar hij ontdekt dat hem een gewelddadig onderhoud wacht. Hij vlucht terug naar Nederland en duikt onder, mede uit angst voor ambassadeur Abul Khail. In oktober 1979 vraagt Barwari politiek asiel aan, net wanneer Van der Stee en inmiddels ook minister dr. C. A. Van der Klaauw (Buitenlandse Zaken) een reis naar Irak voorbereiden.

Het bezoek van Van der Klaauw, dat bedoeld is om de relaties na de missie-Van der Stee verder op te warmen, loopt eind februari 1980 op een rel uit. Anderhalf uur voordat de minister het vliegtuig naar Bagdad wil nemen, laat Irak weten dat hij niet welkom is - de gastvrijheid die Nederland in diezelfde week biedt aan de Verenigde Staten, Egypte en Israel voor vervolgbesprekingen over het Camp David-akkoord blijkt Irak niet op prijs te stellen. ' Een klap in het gezicht', zegt Van der Klaauw. Maar diplomatieke sancties tegen Irak komen niet ter sprake. ' De verhoudingen lagen toch al zo gevoelig.'

D66-kamerlid en oud-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken mr. L. J. Brinkhorst reist - op uitnodiging van de Iraakse regering - naar Bagdad om de ergernissen weg te nemen.

De affaire van de nachtkijkers

In september van datzelfde jaar breekt de oorlog uit tussen Iran en Irak. Het spookbeeld van het moslim-fundamentalisme, de gijzeling van Amerikanen in Teheran en de Iraanse betrokkenheid bij terrorisme voeden de afkeer van Iran en daarmee een - verholen of openlijke - voorkeur van Westerse landen voor Irak. Dat het bewind van Saddam Hussein zich op een gewelddadige manier in stand houdt, zoals nog in veel rapporten van Amnesty International beschreven zal worden, neemt het Westen op de koop toe. ' Het is een keus tussen twee kwaden', zegt een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken. ' Het Westen deed een oogje dicht bij de inval van Irak. Ook Nederland was in het begin tegen Iran.'

Toch besluit het kabinet al snel, terwijl Frankrijk super-etendard straaljagers en Exocet-raketten aan Irak levert, de wapenexport naar Iran en Irak te verbieden. En daardoor heeft de Optische Industrie de Oude Delft (Oldelft) volgens president-directeur dr. ir. S. Duinker ' een probleem', want het bedrijf heeft net voor 400 miljoen gulden een nieuw contract gesloten met Irak voor de levering van nachtzichtapparatuur. Sinds 1974 heeft het bedrijf al voor 110 miljoen gulden aan nachtkijkers gezonden naar Irak. Premier Den Uyl, minister Van der Stoel en minister Lubbers (Economische Zaken) hebben hiervoor destijds toesteming gegeven, vooral met het oog op de werkgelegenheid bij Oude Delft, de geringe kansen op deelneming van Irak aan een oorlog in het Midden-Oosten en de ' laag gekwalificeerde' status van de apparatuur. Wanneer het PvdA-Kamerlid Van den Bergh zijn partijgenoot Van der Stoel scherp ondervraagt of het materiaal niet kan worden ingezet tegen Koerden, antwoordt de minister onder meer dat ' guerilla's doorgaans niet 'snachts worden uitgevochten'.

Van den Bergh: ' Ik heb toen een geweldige ruzie met Van der Stoel gehad. Ik vond dat hij het te veel vergoelijkte.'

Als de exportvergunning uit 1974 niet wordt verlengd in 1980, bedenkt Oldelft een uitweg. ' We zijn naar Portugal gegaan', zegt Duinker. Via Portugal, Tanzania en Engeland bereiken de nachtkijkers tussen 1981 en 1983 alsnog Irak; een ' onoplettendheideid' van Economische Zaken, meent een opsporingsambtenaar. ' Er gingen zoveel nachtkijkers naar Portugal dat heel Lissabon ermee op straat kon lopen.'

Later wordt Oldelft voor de omleidingsroutes vervolgd en veroordeeld tot een geldboete van 25.000 gulden.

Duinker vindt de opwinding over militaire leveranties aan Irak nog altijd overdreven. ' Als je vliegvelden aanlegt, chemische fabrieken helpt opzetten en telecommunicatie levert aan Irak, dan vindt men het allemaal prachtig, maar als iets een knal kan geven, dan kan het plotseling niet meer.' De aard van een regime als het Iraakse vormt in zijn ogen geen belemmering voor het bedrijfsleven. ' Er is toch geen enkel bedrijf dat statuten heeft waarin staat dat de bedrijfsvoering afhankelijk is van de morele afwegingen van de president-directeur?'

De Bagdad Fair

Het oorlogsgeweld in de Golf vermindert aanvankelijk niet de interesse van het Nederlandse bedrijfsleven. De zogeheten ' Bagdad Fair' - een beurs waar in totaal 3000 bedrijven uit 300 landen deelnemen - heeft in 1981 het hoogste aantal Nederlandse deelnemers: liefst 37 bedrijven reizen af naar dit evenement dat door de staatshandelorganisaties en de particuliere bedrijven beschouwd wordt als de beste gelegenheid om kennis te maken en transacties af te sluiten. De Bagdad Fair, ingericht met landenpaviljoens, is doorgaans ' meer een kermis' door de grote toeloop van de bevolking, vindt drs. J. J. M. Willemse, Midden-Oosten-deskundige van de Exportbevorderings en Voorlichtingsdienst van het ministerie van economische zaken. Maar in 1981 heerst vooral een grimmige sfeer op de beurs, waar militairen in de stand van Oce-Van der Grinten spontaan een reeds verkochte kleurenkopieermachine invorderen. De deelnemers moeten diverse keren een goed heenkomen zoeken bij luchtalarm tijdens raketaanvallen op Bagdad. Dat overkomt ook staatssecretaris ir. W. Dik (Economische Zaken), aanwezig voor gesprekken over de handelsovereenkomst, die het terras van zijn hotel op aanraden van de directie verlaat. Twee jaar na het uitbreken van de Golfoorlog bereikt de Nederlandse uitvoer een hoogtepunt met een omvang van 781 miljoen gulden aan goederen, nog altijd slechts enkele procenten van de totale invoer van Irak. Nederland exporteert voor 275 miljoen gulden aan landbouwprodukten als melkpoeder en kippe-eieren en voor ruim een half miljard gulden aan industriele produkten zoals machines en apparaten (230 miljoen) en chemische en farmaceutische produkten (90 miljoen). Bredero bouwt er appartementen, Stork PMT levert kippenslachterijen, de grote Nederlandse zuivelcooperaties trachten hun melkpoeder te slijten, Zanen Verstoep baggert, NKF legt kabelnetwerken en Saval-Kronenburg beveiligt de boorplatforms tegen brand. Landen als West-Duitsland en Frankrijk exporteren in 1982 respectievelijk tien en vijf keer zo veel. ' Nederland bevindt zich in de achterhoede van de Iraakse handelsrelaties', zegt drs. F. A. Engering, directeur-generaal buitenlandse economische betrekkingen van het ministerie van economische zaken.

Irak betaalt niet meer

Na 1982 daalt de Nederlandse export. De oorlog begint zich te wreken op de Iraakse economie en daarmee op de betalingsmoraal. Wie Nederlandse zakenmensen beluistert, hoort dikwijls verhalen over gedeeltelijk of zelfs geheel uitblijvende betalingen, oplopend tot miljoenen guldens. Nedeco verliest enkele miljoenen guldens op een studie voor een groot projekt dat vrijwel onbetaald blijft. Exportdeskundige Willemse kent gevallen van ' huilende directeuren, die geen cent kregen voor een projekt.'

Veel werknemers van bedrijven die hun werkzaamheden willen beeindigen bij betalingsmoeilijkheden, krijgen botweg geen uitreisvisum zodat ze wel moeten doorwerken.

De Verenigde Bedrijven Bredero is een van de zwaarst gedupeerde ondernemingen. Het bedrijf heeft net voor het uitbreken van de oorlog een contract getekend voor de bouw van negen torens met elk zestien verdiepingen aan woonappartementen. Het prestigieuze projekt in Haifa Street

r 200 miljoen gulden mee gemoeid is, loopt uit op een drama dat bijdraagt aan de latere ondergang van Bredero.

Al snel na het begin van de bouw signaleert ir. J. Karelse, de projektleider van Bredero in Irak, dat de scherp stijgende kosten van cement, grint en werkkrachten tot verliezen leiden. De bouwers werken ' onder oorlogsomstandigheden' en worden tevens vijandig bejegend door de bevolking. Voor de torens wordt immers een belangrijk deel van de oude middeleeuwse stad platgegooid. Ook het regime houdt de bouwers nauwlettend in de gaten: als Karelse in een telex naar Utrecht overgaat op de Nederlandse taal, wordt hij via het apparaat gesommeerd de Engelse taal te gebruiken. ' We waren ook verplicht mensen van de Ba'ath-partij in dienst te nemen. Zij moesten doorgeven waar ik was geweest en met wie ik had gesproken.' Eind 1982 deelt de burgemeester van Bagdad plotseling mee dat de kas leeg is. Bredero sluit leningen af om de bouw zelf te financieren in plaats van onverrichterzake huiswaarts te keren. Kort na de oplevering ziet Karelse vanaf het dak van zijn huis nog juist een raket neerdalen in de buurt van de woontorens in Haifastreet. De torens worden op een haar na gemist, maar de inslag van de raket bezorgt Bredero nieuw werk.

De oplevering wordt een slepende affaire. Op het stadhuis durft niemand meer een handtekening onder de opleveringscontracten te zetten - de burgemeester is inmiddels op beschuldiging van corruptie geexecuteerd. Als na een ' eindeloos gechicaneer' Karelse definitief Irak verlaat, bedragen de totale verliezen van Bredero 40 miljoen. De Nederlandsche Credietverzekeringsmaatschappij (NCM), waar de financiering herverzekerd is, heeft daarnaast nog eens 60 miljoen gulden te goed.

Nederland versus Frankrijk en de VSOp diplomatiek niveau geeft Nederland onder invloed van minister mr. H. van den Broek (Buitenlandse Zaken) intussen meer gestalte aan een neutraal standpunt. Ministeriele bezoeken aan Irak of politieke consultaties zijn uit den boze, en de 'bilaterale contacten' beperkt. Tegelijkertijd begeeft Nederland zich op het pad van de stille diplomatie. Door toedoen van Nederland lopen de spanningen bij de Verenigde Naties in New York hoog op. Zo stelt oud-minister Van der Stoel, inmiddels de Nederlandse permanente vertegenwoordiger bij de VN, in oktober 1983 de tekst op van een resolutie die oproept tot een onmiddellijk bestand in de oorlog. ' Hoe kritisch we ook tegenover Iran stonden, we moesten in het oog houden dat de Veiligheidsraad volslagen passief bleef en dat Irak een daad van agressie had gepleegd', zegt Van der Stoel. Iran, dat zich sinds het uitbreken van de oorlog min of meer heeft afgewend van de Verenigde Naties uit woede over de Westerse houding jegens de Iraakse agressor, reageert niet negatief, maar wil wel enkele aanpassingen in de tekst. Er gloort hoop dat een voorzichtig begin kan worden gemaakt met onderhandelingen. ' Op een buitenstaander zal deze resolutie waarschijnlijk een redelijke en evenwichtige indruk maken', schrijft de betrokken beleidsambtenaar drs. R. H. Serry later in een artikel in de Internationale Spectator. ' Zelden zullen de officiele VN-documenten echter zo weinig inzicht hebben verschaft over wat zich achter de schermen [... ] heeft afgespeeld.' De Nederlandse poging wordt eensgezind gedwarsboomd door Irak en zijn belangrijkste wapenleverancier Frankrijk.

De Nederlandse tekst die aanvankelijk alleen bedoeld is voor Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten, blijkt al snel te circuleren bij de Iraakse missie. Frankrijk drukt vervolgens met stilzwijgende steun van de Verenigde Staten de oorspronkelijke Nederlandse tekst door de Veiligheidsraad in de vorm van de resolutie 540, zonder de aanpassingen die met Iran besproken zijn. Iran wijst daarna volgens ieders verwachtingen het bestand af en Nederland is diep teleurgesteld over het gedrag van de bondgenoten. ' Alleen met de Engelsen vormden we een team', zegt Van der Stoel die niet zelden op zijn lippen moet bijten als hij gekritiseerd wordt. ' De Iraakse ambassadeur zei dat wij onnozelaars waren en dat wij ons door Iran om de tuin lieten leiden.' De eierdans van Nederland om Iran voor de eerste keer in de onderhandelingen te betrekken blijft in Bagdad niet onopgemerkt, ervaart staatssecretaris van Economische Zaken mr. drs. F. Bolkestein, die toevallig op dezelfde dag als de resolutie 540 wordt aangenomen, 31 oktober 1983, zijn handtekening plaatst onder de nog steeds niet afgesloten economische samenwerkingsovereenkomst tussen Nederland en Irak. De Iraakse eerste vice-premier die hem ontvangt in een ' onaangename ruimte zonder daglicht', begint Bolkestein te kapittelen: ' Vanwaar deze onvriendelijke daad?' ' Welke? Wij zijn neutraal', antwoordt Bolkestein. Maar de Nederlandse neutraliteit is Bagdad niet genoeg. De gastheer sommeert in een ' frontale confrontatie' dat Nederland onverwijld de zijde van Irak kiest. Tijdens zijn verblijf heeft Bolkestein ook een ' buitengewoon merkwaardige' ontmoeting met Saddam Hussein. De Nederlandse bewindsman wordt na een uur in een hotel te hebben gewacht met verscheidene buitenlandse collega's in mercedessen ' gepropt' en met hoge snelheid door Bagdad gereden. Aangekomen in een geheel verlaten wijk moeten de bewindslieden antichambreren in een bedompt gebouw waar zij na twee uur te horen krijgen dat de ontmoeting elders plaatsheeft; een gebruikelijke veiligheidsmaatregel in Irak.

Na een volgende tocht door de duisternis wordt het internationale gezelschap ministers een huis aan het water van de Tigris binnengeleid. Bolkestein: ' De grote Saddam Hussein nam plaats tussen mij en een Saoedische minister. Hij begon in het Arabisch een drie kwartier durende monoloog over het belang van de strijd tegen het fundamentalisme. De aanwezige Arabieren werden door hem betiteld als 'mijn broeders', de rest als 'mijn vrienden'. En dan keek hij naar mij, de griezel.' Het profiel van de leider en de toestand in zijn land staan volgens Bolkestein een handelsovereenkomst allerminst in de weg. ' Mijn stelling is altijd geweest dat de mensenrechtensituatie in een land niet wordt verbeterd door het verbieden van de handel. Integendeel. De economische ontwikkeling stimuleert juist de ontwikkeling van de mensenrechten.' De handelsovereenkomst met Irak, die onder meer voorziet in een gemeenschappelijke overlegcommissie, schildert hij af als ' een buitengewoon vaag verhaal, zoiets van: baat het niet dan schaadt het niet'.

Volgens het Kamerlid Van den Bergh wordt de politieke aarzeling in Nederland intussen steeds groter. ' De Nederlandse houding werd bepaald door een mengeling van gene en het economische belang. Het kon eigenlijk niet, maar: vooruit dan maar', zegt Van den Bergh. Het zal tot september 1986 duren voor het verdrag daadwerkelijk wordt geratificeerd.

Scrupules

De Iraakse woede over de rol van Nederland in de VN is nauwelijks getemperd of beide landen staan weer tegenover elkaar. In maart 1984 bevestigt een VN-rapport het gebruik van verschillende strijdgassen aan het Iraaks-Iraanse front. Hoewel niemand direct beschuldigd wordt, weet iedereen dat Irak de gassen heeft gebruikt om de opgelopen druk van de Iraanse troepen te weerstaan.

De Nederlandse vertegenwoordiger Van der Stoel neemt het initiatief om het zwijgen van de Veiligheidsraad te doorbreken en - zonder namen te noemen - een veroordelende uitspraak te ontlokken. Door dezelfde rolverdeling van de Westerse landen - Amerika afzijdig, Frankrijk op de hand van Irak en alleen Engeland als medestander van Nederland - wordt ten slotte geen resolutie maar een veel minder gezaghebbende presidentiele verklaring aangenomen. Nog altijd beter dan niets, meent Van der Stoel.

Achteraf vindt hij het ' wat curieus' dat Nederlandse diplomaten in maart 1984 in New York de gifgasaanvallen van Irak proberen te veroordelen en de regering tegelijkertijd het door Bolkestein getekende handelsverdrag in de Tweede Kamer presenteert. ' Tussen de intensivering van de handel en onze opstelling in New York zit een discrepantie', meent Van der Stoel.

Het verwondert hem niet. ' Buitenlandse Zaken is doorgaans strenger in zijn toetsing van betrekkingen en meer bezig met zaken als onderdrukking en spanningsgebieden, terwijl Economische Zaken meer kijkt hoe bedrijven via export op de been kunnen blijven. Als er niet een acute crisis is, zal er heel weinig overleg zijn op dit punt tussen BZ en EZ.' Hij spreekt zelfs van een ' duidelijke discrepantie' in het beleid als hem de inhoud van een handleiding voor de Nederlandse zakenman in Irak wordt voorgehouden. In het mijnenveld van de Iraakse ergernis over de Nederlandse neutraliteit wordt de zakenlieden uitgebreid de weg gewezen door de ambassade in Bagdad en het ministerie van economische zaken. Iedere zinspeling op Israel - in woord, geschrift, kleur of afbeelding - dient zorgvuldig vermeden of desnoods uitgewist te worden, luidt het advies. (zie kader)Een zogenaamde negatieve goederenverklaring waarbij wordt aangegeven dat de produkten die Irak binnenkomen in ieder geval niet uit Israel afkomstig zijn, is een eis die de Irakezen onvermijdelijk stellen. Een euvel dat als het aan de Nederlandse regering ligt ' zoveel mogelijk' voorkomen dient te worden, maar uiteindelijk geen belemmering vormt om zaken te doen. In Nederland zelf leidt het gebruik van gifgassen in 1984 binnen een maand tot de uitbreiding met elf groepen chemicalien van de lijst van strategische goederen waarvoor een exportvergunning moet worden aangevraagd. Met 45 stoffen krijgt Nederland jaren later de langste lijst van alle EG-landen. De regering zal er ook in slagen de andere landen te bewegen tot een - gedeeltelijke - uibreiding van de lijst. Door de eindbestemming scherper te controleren is het vergunningenbeleid zeer effectief, menen ambtenaren op Economische Zaken, wijzer geworden door Oldelft-affaire. ' Ik denk dat Nederland scherper oplet dan de overige EG-partners', oordeelt directeur-generaal Engering van Economische Zaken.

De verscherpte regelgeving komt het Arnhemse bedrijf Melchemie een jaar later op vervolging te staan. Melchemie, sinds het begin van de jaren zeventig exporteur van chemicalien voor onder meer de Irakese zeep- en leerindustrie met een eigen vestiging in Bagdad, heeft als tussenhandelaar zonder vergunning een landbouwbestrijdingsmiddel geleverd aan Irak. De onderneming wordt veroordeeld tot een boete van honderdduizend gulden en voorwaardelijke stillegging van het bedrijf. Volgens directeur mr. L. O. Zandkamp ondervindt Melchemie jaren later nog publicitaire schade van de transactie. ' Wij hebben nooit bewust componenten voor gifgas geleverd', zegt hij. ' Maar over ons wordt zelfs verteld dat wij met gasmakers op de Bagdad Fair hebben gestaan.' Naarmate de Golfoorlog voortduurt, schrompelen de financiele reserves van Irak ineen en taant de Nederlandse export. Doordat veel Iraaks kapitaal nodig is voor de oorlogsinzet en het herstel van de vernielde olieinstallaties, stelt het land zijn prestigeprojekten in de ontginning van landbouwgronden voorlopig uit. Het zakendoen wordt ook niet makkelijker doordat de NCM in 1986 geen polissen meer op Irak afsluit en de overige banken niet erg gretig zijn.

Nieuwe hoop

Inmiddels dient zich in Den Haag een nieuwe ambassadeur met een omstreden verleden aan. Mundhir Al-Wandawi, die van begin 1986 tot in 1989 in Nederland verblijft, is volgens ambtenaren en zakenmensen een ' charmante' en ' stijlvolle' verschijning met een voorliefde voor renpaarden. ' Een trotse Arabier. Lid van het oude Ba'ath-regime. Hij kon mooi vertellen over zijn verrichtingen hoe hij als piloot in de revolutie van 1963 het presidentiele paleis beschoot', zegt een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken.

In eigen land maar ook in literatuur over de geschiedenis van de Ba'ath-partij is Al-Wandawi vooral bekend als het hoofd van de nationale garde, de prive- militie van de Ba'ath-partij die in 1963 werd opgericht. In die functie is hij verantwoordelijk voor bloedige wraakacties onder de communisten, Koerden en andere politieke opponenten. De schattingen van het aantal doden dat hierbij is gevallen, varieren van duizend tot meer dan tienduizend. Den Haag kent volgens ambtenaren wel degelijk de minder positieve aspecten van de persoon Al-Wandawi, maar acht die aspecten niet belastend genoeg om zijn voordracht te weigeren.

De recepties van de Iraakse ambassadeur in Den Haag zijn de afgelopen jaren matig bezocht, maar dat verandert in de zomer van 1988. De dag van de jaarlijkse receptie, 17 juli, valt toevallig samen met het aanbieden van een bestand door Irak aan Iran. Aanvankelijk is de ambassadeurswoning op enkele belangstellenden en Al-Wandawi na uitgestorven, totdat het nieuws over het bestand over de radio klinkt. Amper een uur later stroomt het huis vol met Nederlandse zakenlieden.

De hoop bloeit weer op dat de export naar Irak, het jaar daarvoor gedaald tot een dieptepunt van 6oen gulden, zal aantrekken. Het blijft bij mooie voruitzichten. De oorlog heeft Irak opgezadeld met een buitenlandse schuld van 60 miljard dollar. De aloude betalingsproblemen steken weer de kop op. De NCM heeft begin 1989 - mede op aandrang van het bedrijfsleven - als proef voor een bedrag van 40 miljoen gulden aan kredieten herverzekerd, maar ziet niets van deze investering terug.

De Nederlandse staat, die het risico van de NCM herverzekert, heeft begin augustus 1990 nog zo'n 170 miljoen gulden van Irak tegoed. ' Dat is vervelend, maar het is nog altijd niet zoveel als de vele honderden miljoenen die verloren zijn op Polen of Argentinie', zegt directeur-generaal Engering van Economische Zaken. Hij wijst erop dat in Irak tot voor augustus 1990 nog slechts tien Nederlandse bedrijven actief waren. Het aantal werknemers ter plaatse is in een paar jaar tijd geslonken van 300 naar 48. ' De Nederlandse bedrijven zien het niet meer zitten', stelt Engering vast. In de handelsrelatie met Irak heeft Nederland achteraf gezien de plank misgeslagen, is het oordeel van diverse betrokkenen. ' Het is een geweldige flop geworden door de oorlog. Achteraf gezien hebben we ons vergist', zegt oud-minister Van der Stee. ' Die grote sommen oliegeld die Irak te besteden had bleken luchtkastelen', zegt Bolkestein die zich dan ook weinig enthousiast toont over ' exotische markten'.

' Ik vind dat we beter een halte eerder kunnen uitstappen en dichter bij huis moeten blijven.' Directeur-generaal Engering: ' Niemand wist dat de oorlog acht jaar zou duren. Die inschatting van de perspectieven is destijds wel begrijpelijk geweest. ' Een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken zegt: ' Het bedrijfsleven zelf is doorgegaan, maar niet met stimulansen van BZ of EZ.' In politiek of diplomatiek opzicht heeft Nederland het niet slecht gedaan, is de overheersende mening. De afgelopen jaren heeft de regering ook nog pogingen ondernomen om de situatie van de mensenrechten in Irak in VN-verband aan de kaak te stellen, door gebrek aan steun van de Arabische wereld overigens zonder resultaat. ' Nederland heeft meer dan de meeste andere Westerse landen gewezen op de gevaren van het bewind in Bagdad', zegt oud-minister en ex-VN-vertegenwoordiger Van der Stoel. ' Wij hebben ons nooit illusies gemaakt over het Iraakse regime.'

    • Steven Adolf
    • Robert van de Roer