Een boek voor het ontbijt

Van alle historici uit het Engelse taalgebied van de twintigste eeuw heeft A. J. P. Taylor veruit het mooiste proza voortgebracht. De dertig boeken die hij over de diplomatieke en politieke geschiedenis van Europa heeft geschreven, inclusief een amusante intellectuele autobiografie, kenmerken zich door een even sierlijke als gespierde dartelheid die zijn stijl een shakespeariaanse kwaliteit geeft. Een van zijn oud-leerlingen noemde hem bij zijn overlijden, vorige week, een schrijver die soms sprak met de stem van God, maar niettemin werd Taylor regelmatig door vastlopende gedachten gekweld en moest hij zich, als elke schrijver, soms door diepe geestelijke crises heen worstelen. Dat niemand daar iets van merkte, kwam doordat hij daarnaast en tegelijkertijd een boekbesprekerspraktijk dreef die dertig jaar onafgebroken in vol bedrijf was. Hij verslond daarvoor zoveel boeken ('Taylor las voor het ontbijt een boek', zoals een Nederlandse historicus met vrolijke afgunst opmerkte) dat hij vrijwel geen archiefonderzoek meer hoefde te doen voor zijn omvangrijke studie van de twintigste eeuwse Engelse geschiedenis (English History 1914-1945), die in 1965 verscheen. Alle bronnen daarvoor zaten, zoals hij uitdagend verklaarde, al in zijn hoofd.

Taylor zal bij het schrijven van dat standaardwerk vast wel eens een boek hebben geraadpleegd, maar uit de stijl is op te maken dat het in hoofdzaak steunt op 'spontane geleerdheid'. Het is een onmiskenbaar kunstwerk, dat van het begin tot het einde volstaat met prachtige zinnen als 'Hij was het geschenk van Engeland aan de moderne tijd, een figuur die de mensheid zich waarschijnlijk nog zal herinneren lang nadat al haar schrijvers, politici en geleerden zullen zijn vergeten, even tijdloos als Shakespeare, en even groot'.

Het gaat hier niet om Churchill, maar om Chaplin. En deze: 'Het pleit voor zijn levenskunst dat hij zijn persoonlijke en politieke belangen zo goed wist te beschermen dat de stormen die over zijn hoofd zijn losgebroken zijn dubbele leven nooit omver hebben geblazen, zoals het ook voor het fatsoen van het Engelse publieke leven in die dagen pleit dat LG en Frances Stevenson nooit in een schandaal terecht zijn gekomen, hoewel hun buitenechtelijke betrekkingen in ruime kring bekend waren'. Alleen A. J. P. Taylor schreef met zoveel compassie over politici in wier psychische dynamiek hij ge(F)interesseerd was, in dit geval Lloyd George.

Uit zijn Personal History, die hij kort voor zijn tachtigste verjaardag publiceerde, blijkt dat Taylor meer in Max Beaverbrook geloofde dan in een god, want 'Max' (die hij kinderlijk vereerde en over wie hij een pregnante biografie schreef) wist hem telkens over zijn dode punt te praten. Bij Beaverbrook (krantenmagnaat die zich als minister in het oorlogskabinet van Churchill een geniaal organisator van de Engelse wapenproduktie toonde) stond hij voor eeuwig in het krijt omdat die zijn 'intellectuele leven had gered' toen er halverwege het schrijven van zijn English History geen woorden meer uit zijn pen wilden komen en Taylor er de brui aan gaf.

Taylor was in de Depressie van de jaren dertig blijven steken doordat hij bij het beschrijven van de sociale misere emotioneel in de knoop raakte, maar Beaverbrook haalde hem uit de put door een kwaadaardige satire over de politiek van Baldwin c.s. te improviseren die Taylor de inspiratie gaf zijn werk af te maken. Als deze broze oude man (die aan jicht leed) zich nog zo over de geschiedenis kan opwinden, bedacht hij, dan moet ik het toch zeker kunnen, en in een ruk voltooide hij zijn English History een van de hoogtepunten in zijn oeuvre, waarmee hij aantoonde de sociale en economische geschiedenis evenzeer te beheersen als de diplomatieke historie die zijn specialiteit was. In een grote panoramische greep behandelde hij in dat ruim zevenhonderd bladzijden tellende werk (een opdracht van de Oxford University Press) de politieke geschiedenis van Engeland en Ierland, maar ook de opkomst van de bioscoop, de auto, de bus, de radio en al die andere nieuwe verschijnselen uit de twintigste eeuw, die zulke ingrijpende veranderingen teweegbrachten in de wereld en het dagelijks leven van de Britten.

De opwinding die in 1961 en lang nadien over zijn Origins of the Second World War ontstond (dezelfde orkaankracht die hier ooit over Motleys History of the United Provinces losbarstte) was hoofdzakelijk het gevolg van vooringenomen reacties van recensenten die ten onrechte meenden dat Taylor Adolf Hitler had witgewassen. Maar dat boek ging veel minder over Hitler en diens ideologie (waarvoor Taylor nooit veel belangstelling heeft gehad) dan over de rol van Engeland en Frankrijk in de oorlogsvoorbereidingen.

Taylor is verketterd om zijn opvatting dat Hitler in principe niet slechter en gewetenlozer was dan vele andere staatslieden uit zijn tijd. De Engelse historicus Alan Bullock bij voorbeeld heeft lang tot de critici van Taylor behoord, maar in de paperback-uitgave van zijn Hitler-biografie heeft hij Taylors visie dat Hitler geen idee had wat hij deed en van de ene improvisatie in de andere verviel, toch volledig overgenomen. Taylor zag daarin zelf het bewijs dat zelfs zijn meest bestreden opvattingen meer invloed op het denken van zijn vakgenoten hebben gehad dan dezen wel hebben beseft.

Over Hitler zullen de historici eens uitgepraat raken, maar ook daarna zal Origins of the Second World War nog worden gelezen, al is het maar om de stijl waarop ook volgende generaties niet uitgekeken zullen raken. Nergens zijn de grootse misgrepen van Churchill en de ondergang van de wereldmacht van Engeland met zoveel dramatische kracht samengevat als op een bladzijde waarin Taylor een typering geeft van het Land-Lease program, dat de Amerikaanse hulp aan de Engelse oorlogvoering verzekerde, maar dat Engeland verarmde en het land zijn plaats als wereldmacht (ten gunste van de Verenigde Staten) kostte.

Roosevelt omspeelde met zijn Land Lease-gulheid de tegenwerking van het Amerikaanse Congres waardoor Amerika via de achterdeur aan de oorlog kon meedoen, maar Churchill had niet door dat Engeland financieel tot het bot werd uitgekleed en ook nog zijn atoomgeheimen moest afstaan zonder daarvoor enige zeggenschap te krijgen.

Voor de links-radicale Taylor werd de rechts-radicale Churchill de tragische held die de economische macht en de zeggenschap aan Washington prijs gaf zonder er iets voor terug te vragen. 'He gave to the Americans all the British scientific secrets and asked for nothing in return'.

Taylor is in zijn meest sardonische element in zijn commentaren op de dubbele bodem van de Amerikaanse edelmoedigheid en de naiviteit van Churchills psalmgezang over Engelands 'special relationship', een vriendschap met de VS (zijn moeder was een Amerikaanse) die eenzijdig steunde op een vertrouwen dat volgens Taylor door en door misplaatst was.

    • H. A. van Wijnen