Economisch isolement Japan is gevaar voor wereldeconomie

Het handelsoverschot van Japan is het Westen een doorn in het vlees. Vooral in de Verenigde Staten leidt het regelmatig tot heftige emoties. Japan en de Japanners, zo stellen commentatoren, zouden 'anders' zijn dan wij en we zouden ze dan ook met andere economische politiek te lijf dienen te gaan dan de westelijke landen onderling gewend zijn.

Wat is er waar van dat 'anders' zijn? Is de Japanse economische groei zo abnormaal hoog als vaak wordt beweerd? In feite was dat alleen zo in de periode 1950-1973. In dat tijdvak groeide het Japanse nationaal inkomen met ruim negen procent per jaar, evenveel overigens als Taiwan. Nadien is de groei in Japan sterk teruggelopen. In de periode 1973-1987 was de groei minder dan vier procent terwijl China, Korea en Taiwan meer dan 7,5 procent haalden.

Het veel gewraakte handelsoverschot van Japan is pas in de jaren tachtig sterk toegenomen: van 2 miljard dollar in 1980 naar 96 miljard dollar in 1987. Sindsdien daalt het surplus. In 1989 bedroeg het 77 miljard dollar. Ter vergelijking: het handelsoverschot van Duitsland met een bevolking half zo groot als Japan was in 1988 rond 80 miljard dollar.

Het saldo van de dienstenbalans is de afgelopen jaren zelfs sterk negatief geworden, vooral door het toerisme. Het resultaat is dat het overschot op de lopende rekening afnam van bijna 90 miljard dollar in 1987 tot minder dan 60 miljard dollar in 1989. De export van Japan bedraagt rond 11 procent van het nationale inkomen. Dat is weinig vergeleken met landen als Engeland, Duitsland en Nederland waarvoor dit cijfer respectievelijk 19, 27 en 45 procent is.

Pogingen om het overschot op de Japanse handelsbalans terug te dringen door verandering van de koersverhouding tussen yen en dollar hebben maar ten dele succes gehad. Wel trad een onvoorzien neveneffect op: gestimuleerd door de goedkope dollar ging Japan massaal overzee investeren en bedrijven opkopen. Dat had een nieuwe paniek in het Westen tot gevolg: de angst voor overwoekering door Japanse bedrijven binnen de eigen landsgrenzen.

Maar ook hier is reden voor relativering. Eind 1988 bedroegen de buitenlandse investeringen in de VS 1800 miljard dollar. Daarvan was 53 miljard uit Japan afkomstig. De totale buitenlandse investeringen in de VS verschaften in dat jaar werk aan 3,2 miljoen Amerikanen; 0,2 miljoen daarbij bij bedrijven die in Japanse handen waren. Voor Europa zijn de getallen nog bescheidener. De geaccumuleerde waarde van de Japanse investeringen in Europa bedroeg in 1989 30 miljard dollar. Daarvan was de helft geinvesteerd in banken en verzekeringsmaatschappijen en eenzesde gedeelte in industriele productie. Dit laatste betrof 400 ondernemingen met 100.000 banen. Eenzelfde aantal personen werkt bij de IBM filialen in Europa.

In perspectief bezien valt het dus wel mee met Japan, althans op het eerste gezicht. Dat heeft er toe geleid dat de belangstelling om Japan economisch betrokken te houden bij de wereldeconomie, afneemt, zodra de handelscijfers wat minder dramatisch zijn. Zo is het opvallend dat in de discussies over de toekomstige verhouding tussen de VS, Europa en het Oostblok, Japan niet of nauwelijks aan de orde komt. In deze discussies wordt als mogelijkheid overwogen om de economische samenwerking te concentreren bij de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) waarvan alle Europese landen alsmede de VS en Canada lid zijn, maar waarvan Japan geen deel uitmaakt. Japan is als het ware buiten het beeld geraakt. Dit lijkt mede gestimuleerd omdat Japan niet langer de functie heeft van kapitalistisch bolwerk in Azie in de koude oorlog.

Toch is zo'n Japans isolement om drie redenen gevaarlijk. Ten eerste omdat Japan de op een na grootste economie van de wereld is. Dat betekent dat er geen afspraken over internationale economische problemen kunnen worden gemaakt zonder Japanse deelname. Dit geldt zowel voor lange termijnvraagstukken zoals het schuldenvraagstuk van de ontwikkelingslanden als voor incidentele problemen zoals de financiering van de boycot van Irak. Ten tweede omdat de spanningen rond de Japanse handelsoverschotten en overzeese investeringen geluwd zijn, maar niet verdwenen. Als de dalende trend in het Japanse handelssurplus enkele maanden stagneert, zoals begin van dit jaar het geval was, springen alle seinen in Washington op rood en wordt onmiddellijk weer met een handelsoorlog gedreigd met alle rampzalige gevolgen van dien. Ten derde omdat Japan door zijn hoge besparingen en door zijn grote overschot op de lopende rekening de belangrijkste producent van kapitaal in de wereld is. In de komende tien jaar zal de wereldbevolking toenemen van 5 naar 6,2 miljard zielen. Het zal kolossale investeringen vergen om deze aanwas onder de pannen te brengen. Japans kapitaal is daarbij onmisbaar.

Om al deze redenen is het noodzakelijk Japan nauw bij de internationale economische besluitvorming te betrekken en dat stevig te institutionaliseren. Wat dat betreft is de oprichting van de Europese Bank van Wederopbouw en Ontwikkeling die tot taak heeft de herstructurering van Oost-Europa te financieren, een misser geweest omdat Japan in deze nieuwe bank een marginale positie heeft gekregen. Het onderbrengen van economische samenwerking bij de CVSE zou een herhaling betekenen.

De Japanse betrokkenheid bij de internationale economie moet niet bepaald worden door de grilligheid van de handelscijfers op korte termijn. De economische betrekkingen tussen het Westen en Japan zijn te belangrijk om ze te laten leiden door de waan van de dag. Voor de grote internationale problemen op de lange termijn die op ons afkomen, is de Japanse betrokkenheid bij de wereldeconomie onontkoombaar.