DE VERGETEN JUNGLE-OORLOG OP CELEBES

Op 9 maart 1942 om kwart voor acht 's ochtends las de commandant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, luitenant-generaal H. ter Poorten in een uitzending van de Nederlandsch Indische Radio omroep, het bevel voor waarin hij alle troepen van het KNIL opdroeg onvoorwaardelijk de strijd te staken en zich over te geven aan de hoogste Japanse bevelhebber in het gebied waar zich eenheden van het KNIL bevonden. Met deze oproep bezegelde hij de capitulatie en voldeed hij aan de Japanse eis tot onvoorwaardelijke overgave van het KNIL, een week nadat de Japanners op diverse plaatsen op Java aan land waren gegaan.

Enkele dagen tevoren, op 4 maart, was als gevolg van een door de Nederlandse regering in Londen uitgevaardigde instructie, een ander bericht aan de eenheden van het KNIL gezonden. Toen werd in een telegram aan alle troepencommandanten bevel gegeven zich niet te storen aan radioberichten waarin opdracht zou worden gegeven zich aan de vijand over te geven. In plaats daarvan diende de strijd zo lang mogelijk te worden volgehouden en zou deze als guerrilla moeten worden voortgezet.

Het is duidelijk dat deze tegenstrijdigheid bij de ondercommandanten slechts verwarring kon scheppen. Verantwoordelijk voor die verwarring was in de eerste plaats de regering-Gerbrandy in Londen die in de verste vere niet begreep wat er in Indie gaande was. Dat blijkt uit haar van alle werkelijkheidszin gespeende opdracht niet te capituleren en over te gaan op een guerrilla tegen de Japanners. Als argument voerde Gerbrandy in zijn telegramwisseling met de gouverneur-generaal, jhr. mr. A. L. W. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, aan dat de regering het voeren van een guerrilla in het licht van de totale oorlogsinspanning van belang achtte tegenover de rest van de wereld. Guerrilla dus in de eerste plaats als symbolisch gebaar; of het militair ook enige zin had speelde bij die overweging blijkbaar geen rol.

TER POORTENIn het kader van deze richtlijn uit Londen werd de gouverneur-generaal door de regering ook ontheven van het opperbevel over de land- en zeestrijdkrachten. Wat betreft het KNIL droeg hij dat op 4 maart over aan de niets vermoedende legercommandant, luitenant-generaal H. ter Poorten, die tot op dat moment onkundig was gehouden van de inhoud van de telegrammen die tussen de regering in Londen en de gouverneur-generaal waren gewisseld. Die overdracht impliceerde dat Ter Poorten het al genoemde 'guerrilla-telegram' moest versturen, een richtlijn dus waarmee Van Starkenborgh het niet eens was. De 'GG' heeft echter tot en met de capitulatiebesprekingen in Kalidjati met de Japanse bevelhebber Imamura geprobeerd dit Londense beleidsvoorschrift loyaal uit te voeren. Tijdens die onderhandelingen wilde hij niet verder gaan dan de overgave van Bandoeng, en verzette hij zich tegen een algemene capitulatie om, maar dat vertelde hij niet aan de Japanners, de strijd als guerrilla te kunnen voortzetten. Tenslotte was het legercommandant Ter Poorten die de onvoorwaardelijke capitulatie-eis van de Japanse bevelhebber aanvaardde omdat hij, zo schreef hij na de oorlog over de pogingen van de gouverneur-generaal, ' als militair het nutteloze daarvan inzag'. Op Noord-Celebes hadden de Japanners al op 11 januari landingen uitgevoerd en zij bezetten vrijwel onmiddellijk Menado. Een maand later, op 9 februari gingen ruim tweeduizend Japanse mariniers op Zuid-Celebes aan land en bezetten daar Makassar. Met uitzondering van het vliegveld Kendari in het zuidoosten, dat ook al in Japanse handen was gevallen, bevonden zich op 9 maart op het midden van het eiland op diverse buitenposten nog steeds kleine eenheden van het KNIL die op de grond geen aanraking hadden gehad met de vijand. Nadat bij deze eenheden het bericht over de onvoorwaardelijke capitulatie was ontvangen, wees niets erop dat zij dit bevel zouden negeren om zich in een guerrilla te storten. ' De tiende maart', aldus de schrijver van dit hier te bespreken drame de guerre, ' liet De Jong een witte vlag hijsen, en vertelde hij zijn troepen over de gebeurtenissen op Java. Hun wapens moesten ze inleveren.'

De Jong was de eerste luitenant J. A. de Jong die in maart 1941 detachementscommandant en hoofd van civiel bestuur in het plaatsje Kolonodale aan de oostkust van Midden-Celebes was geworden. Het KNIL-detachement waarover hij het bevel voerde, telde zo'n zestig man.

Tegen eind maart was De Jong nog steeds van plan zich over te geven, en de zevenentwintigste ging hij zelfs op weg naar Menado om zich met zijn troepen bij de Japanners te melden. Dat de gebeurtenissen een andere wending zouden nemen en De Jong met medestanders toch de strijd als guerrilla zou voortzetten, was in de jaren vijftig al in het kort beschreven in deel V van de reeks Nederlands-Indie contra Japan.

FASCINATIEAanvankelijk wilde Hegener van deze geschiedenis een soort case study maken, waarin de vraag centraal zou staan wat het wegvallen van de hierarchische structuur voor invloed heeft op het handelen van de militair. In de loop van het onderzoek raakte hij echter steeds meer gefascineerd door de gebeurtenissen zelf, waardoor zijn oorspronkelijke thema op de achtergrond raakte. Door minutieus bronnenonderzoek, door vraaggesprekken met overlevenden in Nederland en door zelf ter plaatse nog in leven zijnde tijdgenoten en overlevenden van de guerrilla op te sporen, is een zeer aangrijpend en op vele punten gecorrigeerd verslag ontstaan over wat zich tussen 9 maart en 9 augustus 1942 de dag waarop De Jong en zijn collega-detachementscommandant uit Poso, eerste luitenanat W. H. J. E. van Daalen, in handen van de Japanners vielen in Midden-Celebes, en in het bijzonder in de landstreek Mori, heeft afgespeeld.

Hegener heeft zichzelf uiteraard de vraag gesteld wat De Jong heeft bewogen tenslotte toch met een troep getrouwen (inlandse en Nederlandse militairen) de guerrilla te zoeken. Toen hij op weg was naar Menado, had De Jong tijdens een overnachting een radio-uitzending ontvangen uit Australie. Daarin had de commandant van de Militaire Luchtvaart van het KNIL, generaal-majoor L. H. van Oyen, die al in februari met de vliegeropleiding naar Australie was gezonden, de 'plechtige belofte' gegeven dat men degenen te hulp zou komen die de strijd als guerrilla voortzetten. Zonder dat de inhoud van deze toespraak onmiddellijk invloed had op het plan van De Jong zich in Menado over te geven, was hier toch een alternatief geboden. Vervolgens bleek dat de Japanners drie Indonesiers, onder wie een deserteur, naar het plaatsje Poso hadden gestuurd om de KNIL-militairen op te halen. Hiermee was de teerling geworpen, schrijft Hegener, want De Jong was niet van plan zich over te geven aan een deserteur.

Hegener maakt overigens duidelijk dat De Jong niet zo maar even op een achternamiddag tot de guerrilla besloot. De enige overlevende Nederlander, sergeant J. Klinkhamer, vertolkte tegenover Hegener de mening die in 1942 iedere Nederlander in Indie had: dat binnen enkele maanden de Geallieerden zouden komen om Nederlands-Indie te bevrijden. Het guerrilla-besluit, aldus Klinkhamer, was mede op die veronderstelling gebaseerd. Niemand werd gedwongen mee te doen; degenen die zich bij hem volgden, waren allen vrijwilligers. Een voormalige ziekenverpleger van het KNIL die al negentien jaar met pensioen was en die in de buurt in een kampong woonde, reageerde positief op het verzoek zich bij de guerrillastrijders aan te sluiten. De munitie werd verdeeld, de man honderd patronen, en De Jong maakte duidelijk dat men vele ontberingen zou kunnen verwachten. In totaal had hij honderdvijfentwintig man bij elkaar.

Nadat begin juni radiocontact was gekregen met Australie, begon daar een plan op gang te komen om de KNIL-guerrilla op Midden-Celebes materieel te steunen. Het zou echter vijf weken duren voordat een vliegtuig zou verschijnen boven de plek die De Jong radiografisch had opgegeven om er uitrusting, wapens en munitie af te werpen. Op dat moment waren de guerrillastrijders echter al helemaal omsingeld door de Japanners, en de afgeworpen goederen vielen in handen van de vijand.

Van degenen die door de Japanners werden gevangen genomen, werden de Nederlanders en het kampong-hoofd Lonsi Rabeta die De Jong en zijn groep tot op het laatste moment had gesteund, gemarteld en onthoofd. Een man wist aan de dood door het zwaard te ontkomen, namelijk de al genoemde Europese sergeant Klinkhamer. Hij slaagde erin zich met hulp van enkele bewoners van een kampong tot oktober 1945 schuil te houden op een verlaten plek in de rotsen, waar de bevolking haar doden in uitgehouwen graven had bijgezet.

WREEDHEIDDe vraag is of degenen die achter hun bureau de woorden hadden bedacht waarin de troepen tot guerrilla werden opgeroepen, wel hebben beseft wat ze in feite ontketenden. Aan de wreedheid van de Japanners hoeft men niet te twijfelen, maar zij stonden in hun recht toen zij na de onvoorwaardelijke capitulatie van het KNIL op 9 maart, alle guerrillastrijders als franc-tireurs beschouwden. In wezen betekende de overmoed, de hybris, die sprak uit de aansporingen om de strijd als guerrilla voor te zetten zeker nadat het KNIL had gecapituleerd een aansporing tot ontduiking van het oorlogsrecht, en het blootstellen van de eigen soldaten aan berechting door de vijand.

Het is triest uit Hegeners boek te moeten concluderen dat na de oorlog de verantwoordelijke autoriteiten hun verantwoordelijkheid verloochenden, en bijvoorbeeld degenen die Klinkhamer drieeneenhalf jaar voor de vijand verborgen hielden, niet hebben beloond voor hun met grote risico's omklede standvastigheid. Klinkhamer zelf werd buitengewoon bevorderd tot sergeant-majoor, maar een onderscheiding kon er niet af. Daarvoor had hij waarschijnlijk als De Jong, Van Daalen en de anderen moeten worden onthoofd.

Nog ongelooflijker wordt het als men hoort dat Klinkhamer niet in aanmerking kon komen voor de uitkering van vijfenzeventighonderd gulden omdat hij niet in een kamp had gezeten. Het lijkt dat hier de minister van Defensie, die de zorg voor de veteranen als een speciaal onderdeel van zijn beleid ziet, iets heeft goed te maken.

Ontdaan van valse heroiek heeft Hegener met zijn boek een voorbeeldig stukje militaire geschiedenis geschreven dat ik iedereen aanraad te lezen die enigerlei belangstelling heeft voor het voormalig Nederlands-Indie. Kritiek is er natuurlijk altijd te leveren: een djaksa zou ik bijvoorbeeld een openbare aanklager noemen en geen inheems rechter. Ter Poorten heeft zich niet overgegeven ' nadat hij krijgsgevangen was gemaakt', zoals op pagina 130 staat vermeld. Ter Poorten deed dat in volle vrijheid. Tot welke misverstanden het door Londen geinspireerde telegram van 4 maart aanleiding kon geven, blijkt uit het feit dat generaal Overakker, die na 9 maart de strijd op Sumatra voortzette, het radiobericht van die ochtend blijkbaar niet vertrouwde en meende dat Ter Poorten dat als krijgsgevangene had voorgelezen.

Vermelding verdient tenslotte nog dat het boek als inleiding ook nog een stukje zeer interessante vooroorlogse koloniale geschiedenis bevat. Hegener heeft voor Indonesische woorden gewoon de oude in Nederland gangbare spelling gebruikt. Een ook voor deze krant navolgenswaardig voorbeeld omdat niemand mij kan wijsmaken dat de gemiddelde Nederlander weet dat met bijvoorbeeld 'Cilacap' de plaats Tjilatjap wordt bedoeld.

    • Contact 1990