De neus op kantoor; 567

'In de subway ruikt het 's ochtends naar zeep.' Die zin heb ik weleens gebruikt, denk ik. Zo zal iedereen wel zinnen hebben die telkens weer tevoorschijn komen omdat ze hem een particuliere boodschap van vreedzaam gehalte vertellen. Deze roept voor mij het beeld op van een stuk of wat mensen - ongeveer dertig, zoveel er in mijn blikveld gaan - die misschien een uur geleden nog onder de douche hebben gestaan en, door deze dag nog niet beschadigd, naar hun werk gaan. De zeeplucht verspreidt hun onschuld.

De werkelijkheid is natuurlijk anders. Hoe het komt interesseert me niet, maar in de tram ruikt het ook 'sochtends al veel minder naar zeep. Er is daar een groter verscheidenheid van geuren en luchten en het scala wordt rijker en bekender als je de deur van het kantoor achter je hebt dichtgedaan.

Meteen in de hal werd ik gewaar dat de chef zeker al vijf minuten binnen was. Hij is een van de laatsten in de hele stad die na het scheren zijn gezicht nog bedauwt met een scheerwatertje uit de jaren zestig, Old Spice. Daar moet hij toen wel een krat van hebben gehamsterd. Het was bedoeld voor de ambitieuze jongere van toen en als je zelf nog aan Pitralon vasthield en opeens aan Old Spice werd blootgesteld, kreeg je het gevoel dat je tegen de grond werd geslagen. In de hal liep ik dus door die late werveling. De chef neemt altijd de trap naar boven zodat je hem nooit in de lift ruikt. Dat is een voordeel omdat vooral de lift een belangrijke ruimte is voor wie op zijn neus afgaat: daar wordt ieder aroma het best geconserveerd.

De secretaresse was er ook al. Ze wast zich met een concentraat van karnemelkzeep en dan komt er een nabehandeling met Johnson babypoeder. Die geur doet me denken aan de tijd dat ik nog jonge vader was. Al vlug mengde dit spoor zich met de al onzichtbaar geworden slierten van een sigaar, afkomstig van een jonge jongen die het nog ver zal brengen. Ik vraag me weleens af in hoeverre sigarenlucht bijdraagt tot een goed verloop van de carriere. Ik denk dat er een breekpunt is, al weet ik niet waar. Iemand die bijvoorbeeld tot zijn veertigste naar sigaren ruikt kan daarmee de indruk wekken dat hij het nog helemaal gaat maken. Dan is er, tussen 40 en 45, een periode van vaagheid. Wie het na zijn 45ste helemaal heeft gemaakt, kan ter accentuering daarvan steeds dikker sigaren gaan roken, maar een sigaar plus een halve mislukking na je vijftigste begint naar het ouwemannenhuis te ruiken.

Intussen was het een uur of tien geworden. Ik heb een klein kamertje aan het begin van de gang. Iedereen komt langs, ik laat de deur open en zonder dat ik naar buiten hoef te kijken weet ik of ze allemaal present zijn. De man van de postkamer die er al was toen ik hier kwam werken, heeft een oude beddelucht die verder nergens meer voorkomt. Zo zou ik iedereen wel kunnen kenschetsen maar omdat er sommigen zijn die dit misschien lezen, doe ik dat niet. Het gaat me om iets anders.

Over de werking van de geur bij dieren bestaat een hele wetenschap. De parfumindustrie maakt er dankbaar gebruik van. Maar voorzover ik weet is er nog geen verband gelegd tussen geur en motoriek. Ja, het stinkdier gebruikt zijn merkwaardig wapen terwijl het zich uit de voeten maakt, maar ik bedoel iets anders. Iedereen die op een kantoor werkt heeft wel een of twee collega's die, als ze iets uitleggen, achter je gaan staan, zich over je heen buigen en dan meekijken op het papier waarop het vraagstuk staat dat moet worden verklaard en dan eventueel iets aanwijzen.

Ik doe dat nooit en ik laat het me ook niet doen: mijn stoel staat zo dicht tegen de muur dat er niemand meer tussen kan. Maar in andere lokalen is hier en daar tussen stoel en muur een flinke ruimte die de uitlegger naar believen kan gebruiken. Vroeger was ik ook op zo'n kwetsbare plaats aangewezen en toen heb ik gemerkt dat de collega's met het sterkste aroma ook de diepste buigers en hardnekkigste aanwijzers zijn als ze je iets uitleggen. Het gaat me niet om 'ongewenste intimiteiten' en dergelijke moderne verschijnselen. Dat overbuigen en aanwijzen was er al toen niemand nog van 'ongewenste intimiteiten' had gehoord.

Zo ben ik langzamerhand tot de slotsom gekomen dat een zeer matig gebruik van zeep samenhangt met een grote behoefte aan uitleggend optreden. Het is wat in de psychologie, geloof ik, een onderdeel van een Gestalt wordt genoemd, een eenheid die automatisch en onherroepelijk verandert als je er ook maar een van de samenstellende delen aan wijzigt.

Ik ben er nog niet tevreden over: iets zegt me dat de verklaring niet volledig is. We hebben hier op de zaak een paar geboren uitleggers. Als ik, zoals vandaag, 'sochtends in de lift al merk dat er een binnen is, ga ik achteloos de gang op en kijk terloops in de andere lokalen. Bij mezelf noteer ik alle gedragingen die ik daar waarneem. Langzamerhand ontstaat er een kleine wetenschap van motoriek en aroma, waarover ik misschien nog nader zal publiceren. Voor ervaringen van anderen houd ik me intussen aanbevolen.