DE DIKKE MAN (XXII)

De Dikke Man sloeg de eerste de beste zijstraat in, en bevond zich opeens in een volstrekt andere omgeving. Terwijl de Ring Boulevard, met zijn royale aanleg en dat toch wel joyeuze aanpalende Parkje Van De Portugese Apotheker, nog een zeker air van grootsteedse lichtzinnigheid ademde, had hij nu een geheel ander gebied van het metropolistische leven betreden, namelijk dat van de grauwe huurkazernes, slordige straten, fantasieloze architectuur.

Toch was deze buurt hem dierbaarder dan menig andere; in ieder geval liet hij zich geen ogenblik in de luren leggen door de schijnbare eenvormigheid van die laat-negentiende-eeuwse stadsuitbreiding. Het basispatroon van deze wijk, De Buis geheten, was zo had hij eens vernomen gedicteerd door de slootjes in het polderlandschap van weleer. Maar als ergens ter wereld welke gedachtenassociatie dan ook met enigerlei manifestatie van natuur belachelijk, zo niet ongepast, ja zelfs tegennatuurlijk mocht heten, was het wel hier, in dit puur stedelijke decor. En juist tegen deze achtergrond had hij de allereerste jaren van zijn schooltijd doorgebracht.

Hij boerde flink, rook de laffe bierlucht, werd misselijk, en kreeg vervolgens een felle aanval van acute honger te verduren. Hij bleef staan, en kromp ineen. Toen hij zich weer oprichtte, zag hij de bakkerswinkel.

Even later kon hij kiezen tussen: paneertje, speciaaltje, kaas-uienstok, Belgische bol, tosti-brood, vloertje, volkoren-notenbrood, roggeknar, torenweit, moutje, supertje, allinson, korstje, Italiaans landbrood, lampion-wit, lampion-bruin, maisbrood, kloosterbrood, sojabrood, toscana's, sojastokje, zuurdesem, sesam, sesam pidie, pandabrood, volkorenstoet, rozijnenbrood, baguette-wit, baguette-volkoren, sesam-volkoren-baguette, sesam-baguette-wit, half afgebakken kadetjes, zonnebloembrood en galle. 'En?', vroeg het meisje achter de toonbank. 'Ik weet het niet', zei De Dikke Man, enigszins moeilijk. 'Die is dronken', mompelde een vrouw achter hem. 'Nou, komt er nog wat van?', vroeg het meisje.

De Dikke Man draaide zich om, en verliet met gebogen hoofd de brood-boutique. Zijn honger had onverbiddelijk plaatsgemaakt voor een verstikkend vol gevoel. Voetje voor voetje ging hij vlak langs de trottoir-rand.

Vroeger siepelde hier meestal water in de goten, dacht hij; waarom vandaag de dag niet meer? Papieren bootjesvan verlangenvarenrichting jeugddichtte hij, terwijl zijn mistige blik langs de huizenrijen schoof, en hem dierbare details de revue passeerden.

Z o arriveerde hij in een wolk van weemoed en mistroostigheid bij De Oude School. Eerst nam hij het gebouw langdurig en nauwgezet in zich op, om voorts pardoes plaats te nemen op de stoep ervoor. Brommers en fietsen reden af en aan, jongens en meisjes voerden luidruchtige gesprekken met elkaar. Een fletse namiddagzon droop langs de gevels aan de overkant.

Hij dacht aan het verleden, zonder evenwel bewust contouren in de tijd aan te brengen sferen, gebeurtenissen, jaartallen gleden, soepel en grillig, over elkaar heen. 'Ik weet te weinig', wist hij zeker; sinds ik niet meer voor een krant schrijf, is mijn interesse vervaagd zolang ik mij niet meer op een of ander onderwerp dien te concentreren, dwaalt mijn geest almaar lethargischer rond; wanneer ik niet gedwongen ben tot formuleren, blijft mijn uitdrukkingsvermogen stomp, roestig, invalide. 'Kan ik u ergens mee van dienst zijn?' De Dikke Man keek moeizaam op, en bekeek lodderig de jongeman die het woord tot hem gericht had; een kennelijke allochtoon, hoogstwaarschijnlijk van Turkse afkomst, uitermate hedendaags gekleed, tot in de puntjes verzorgd. 'Ik ben hier op school geweest', zei De Dikke Man met een nogal machteloze armzwaai naar het gebouw achter hem. 'Vroeger werd er kleuter- en lagere-school-onderwijs gegeven.'

'O, wat grappig', zei de jongen, 'ik weet niet beter dan dat dit een MAVO is.' 'Geen probleem', zei De Dikke Man, 'en in welke klas zit jij?' 'Ik ben leraar', zei de jongen lachend. 'Ik geef geschiedenis.'

'Dat is een mooi vak', zei De Dikke Man. 'Een heel mooi vak, zelfs. Besef van tijd dat is een groot goed.' De jongen glimlachte, welwillend tot op het superieure af. 'Ik bedoel: mijn stad is de uwe niet', zei De Dikke Man. 'Waarmee ik niets onvriendelijks wil zeggen', voegde hij hier haastig aan toe. 'Natuurlijk niet', zei de jongeman, wiens mond bleef glimlachen terwijl zijn ogen iets verstrakten. 'Geen tijd', zei De dikke Man, en zweeg abrupt. 'Neemt u mij niet kwalijk', zei de jongeman. 'Neenee', zei De Dikke Man haastig, 'zo bedoel ik het niet. Geen Tijd zo heet dat werkje. Ik vond het laatst in een antiquariaat. Naast een prijzenboekje uit 1947, samengesteld door het toenmalige Directoraat Van De Prijzen. Grappige lectuur. Kan ik u aanbevelen. Hoeveel kostte een brood in 1947 annex: hoeveel soorten brood waren er toen verkrijgbaar? Maar om op dat andere geschrift terug te komen, dat Geen Tijd daarin vond ik twee foto's van De Brede Gedempte Verkeersader, u weet wel, die van Het Grote Station naar het Geld Plein loopt. De ene foto toont die Brede Gedempte Verkeersader in ongedempte staat aan het begin van de vorige eeuw, en daartegenover is een afbeelding geplaatst van diezelfde straat gedurende de afgelopen jaren vijftig.

Fascinerend om naar te kijken.' De Dikke Man tastte moeizaam in een van zijn broekzakken, en haalde een vodje papier te voorschijn. 'En dit is het bijschrift. Ik heb het overgeschreven', zei hij, en citeerde luid: 'Men voelt de wens opkomen eens aan den lijve te ervaren wat het betekent, een dag, met de mogelijkheid tot het trekken van een vergelijking, te kunnen leven in het Amsterdam van 1900 laat ons zeggen van Woensdag 6 Juni 1900, om het wat realistischer te maken. Niet de feiten uit het verleden zijn tenslotte belangrijk, niet datgene wat men gewoonlijk in geschiedenisboeken aantreft, maar het onbeschrijfbare: de algemene levenssfeer, de stemming op straat, de geuren, de manier van spreken van de mensen en vooral de wijze waarop zij hun leven ervaren: hun begrip van de tijd van het leven... ' Hij zweeg, streek het vodje op zijn knie enigszins glad, en borg het omstandig op in dezelfde broekzak waaruit hij het gehaald had. 'Hun begrip van de tijd van het leven', herhaalde hij, wazig kijkend. 'Ik ken toevallig de man die het geschreven heeft', fluisterde hij. 'Het is De Kleine Grijze Chroniqueur, die nu dik in de zestig is. Toen hij deze wijze, neen, verstandige woorden aan het papier toevertrouwde, moet hij midden twintig geweest zijn. Toch al is zijn toon-van-later aanwezig en ook dat is een overpeinzing waard. Hoe schuift de mens al levend over zichzelf heen? Dat is pas geschiedenis. Vindt u niet?' Hij keek op. De jongen was verdwenen.

D e Dikke Man stond op, en strekte zijn benen.

En het huis is van een anderen je komt er niet meer inmaar het huis is van een anderen je komt er niet meer indichtte hij.

A an de overzijde zag hij een Amerikaanse toerist, die zich krom lachte terwijl hij een fiets bekeek, die, geketend aan een lantaarnpaal, twee in elkaar geramde wielen vertoonde.(wordt vervolgd)

    • Ischa Meijer