DE DALAI LAMA; Een half-marxistische priester-koning

De dertiende Dalai Lama van Tibet had een profetische blik. Voor hij in 1933 stierf, liet hij zijn volk bij testament een ernstige waarschuwing na.' Het zou kunnen gebeuren dat de religie en de regering hier in Tibet zowel van buitenaf als van binnenuit zullen worden aangevallen. Tenzij wij ons land bewaken, kan het gebeuren dat de Dalai Lama's en de Panchen Lama's, de Vader en de Zoon, en alle eerwaarde bewaarders van het geloof, zullen verdwijnen en naamloos worden. Monniken en hun kloosters zullen worden vernietigd. De regels van de wet zullen verzwakken. Het land en de eigendommen van de regering zullen in beslag worden genomen. Zij zullen zelfs gedwongen worden hun vijanden te dienen of door hun land te zwerven als bedelaars. Alle mensen zullen ten prooi vallen aan grote ellende en overweldigende angst; de dagen en nachten zullen langzaam voorbijgaan in lijden.' Deze voorspelling is bijna tot op de letter uitgekomen. Alleen waar het zijn eigen opvolger betrof, had de dertiende Dalai Lama het bij het verkeerde eind. Tenzin Gyatso, de veertiende Dalai Lama van Tibet, woont weliswaar al eenendertig jaar niet meer in zijn eigen land, maar verdwenen en naamloos is hij allerminst. Al die jaren heeft hij zich onvermoeid ingezet voor de rechten van zijn volk, waarbij hij onveranderd wees op de noodzaak van geweldloosheid. Verleden jaar leverde hem dat de Nobelprijs voor de vrede op. En terecht, zoals iedereen kan constateren die zijn deze week verschenen nieuwe autobiografie leest. Het bovenstaande citaat is eruit afkomstig. Het boek is een bijna onafgebroken pleidooi voor harmonie en dialoog met de Chinese vijand, zoals het een ware bodhisattva trouwens ook betaamt.

Een bodhisattva is iemand die op een haar na het boeddhaschap heeft bereikt. Op pag. 223 legt de Dalai Lama uit wat dat voor hem betekent.' Volgens het boeddhistische denken is een bodhisattva iemand die op weg naar het boeddhaschap zichzelf volledig wijdt aan het helpen van andere levende wezens om hen te bevrijden uit het lijden. (...) Bodhi betekent het begrijpen of de wijsheid van de uiteindelijke aard van de werkelijkheid, en sattva is iemand die gemotiveerd wordt door universeel mededogen. Het bodhisattva-ideaal is dus het streven om oneindig mededogen te beoefenen vanuit oneindige wijsheid.' LIJDENHet Tibetaanse volk heeft de afgelopen veertig jaar onder de Chinese bezetting onzeglijk veel geleden en het kan een leider met dergelijke eigenschappen dus heel goed gebruiken. De Dalai Lama is dan ook zomaar niet een politiek leider. Als een van de laatste priestervorsten op aarde was hij en is hij voor de grote meerderheid van zijn landgenoten nog steeds behalve wereldlijk ook geestelijk leider, een speciale afgezant van de Boeddha onder zijn volk.

Prins Siddharta Gautama uit het Noordindiase huis Sakya bereikte 2500 jaar geleden het boeddhaschap oftewel de Verlichting. Maar hij ging niet meteen dood. Hij verkoos nog veertig jaar te leven en de mensheid een weg naar de Verlichting te wijzen. De Boeddha onderwees dat alle leven lijden is. Drie grondeuvelen binden ons aan de schijnwerkelijkheid die dat lijden veroorzaakt, begeerte, haat en hartstocht. Maar er is een hogere, transcendente werkelijkheid waarin alle lijden voorgoed is beeindigd, waarin tijd en ruimte in elkaar vervloeien en waarin Alles gelijk is aan Niets. Wie dat doorschouwt, heeft de Verlichting bereikt en is bevrijd van Samsara, het Rad van geboorte, dood en wedergeboorte.

Het Tibetaanse boeddhisme is een afgeleide van het Indiase Mahayana-boeddhisme, dat ervan uitgaat dat in beginsel iedereen boeddha kan worden. Het Mahayana ontwikkelde het bodhisattva-ideaal om zoveel mogelijk mensen in staat te stellen het pad van de Boeddha tot het einde toe te volgen. Het Tibetaanse boeddhisme verhief dat ideaal tot instituut door een incarnatie van Tsjenresig, de bodhisattva van het mededogen, tot hoofd van de geloofsgemeenschap en dus van het Tibetaanse volk uit te roepen.

Tsjenresig was een leerling van de Boeddha, die van zijn meester opdracht kreeg het woeste en onbeschaafde volk van Khabatsjen ('Land van de Sneeuw', Tibet dus) ten noorden van de Himalaya te temmen. In het middeleeuwse Tibetaanse geschrift Nani Bkahbum spreekt Tsjenresig zijn volk aldus toe. ' Vrede zij met u, mijn beminde Khabatsjen. In komende tijden zal ik wederkeren, in wel duizend verschillende gestalten, om u steun en troost te bieden.'

Inmiddels heeft Tsjenresig er zo'n zeventig gestalten opzitten, waarvan de laatste veertien als Dalai Lama.

De huidige Dalai Lama neemt zijn opdracht zijn volk steun en troost te bieden, zeer serieus. Al tientallen jaren reist hij de wereld over om de zaak van zijn volk te bepleiten. Maar hij verliest zich nooit in voor de hand liggende tirades tegen de perfide Chinezen. Integendeel, tegen alle verdrukking in blijft hij pleiten voor vreedzame coexistentie met de machtigste buurman. Hij heeft zich al herhaalde malen bewonderend uitgelaten over het marxisme en maakt daarbij een scherpe scheiding tussen de uitgangspunten van die leer en wat Marx' leerlingen ervan maakten.

KARL MARXToen ik hem zes jaar geleden in zijn Indiase ballingsoord Dharamsala sprak, pleitte hij er zelfs voor, dat er in de toekomst een 'soort boeddhistisch communisme' zou ontstaan. ' Ik heb het gevoel, ' zei hij, ' dat Marx' sociaal-economische theorie in zekere zin met het boeddhisme overeenstemt. Niet de nadruk op het individu, maar denken in termen van gemeenschap, van wat bevorderlijk is voor de gemeenschap.' In zijn nieuwe autobiografie bespeelt de Dalai Lama opnieuw dat thema. Op pagina 103 schrijft hij over zijn bezoek aan China in 1954. ' Ik was er zeker van, en dat ben ik nog steeds, dat het mogelijk zou zijn een synthese te bereiken tussen het boeddhisme en de zuiver marxistische theorieen, waardoor werkelijk een doeltreffende manier van het beoefenen van politiek zou kunnen ontstaan.'

En op pagina 250 noemt hij het ' van levensbelang (...) dat er een dialoog komt tussen het boeddhisme en het marxisme, overal waar dat nog bestaat, en in feite tussen alle godsdiensten en politieke ideologieen. Deze twee benaderingen van het leven spiritueel en materieel vullen elkaar duidelijk aan. Het is jammer dat men meestal de neiging heeft ze als tegenstellingen te zien. Als materialisme en technologie werkelijk het antwoord vormen op alle problemen van de mens, dan zouden er in de geavanceerde industriele samenlevingen alleen maar lachende gezichten te zien zijn, en dat is bepaald niet zo. En als mensen zich alleen maar bezig zouden moeten houden met spirituele zaken, zou de gehele mensheid, volgens hun godsdienstige overtuiging, een gelukkig leven hebben. Maar dan zou er geen enkele vooruitgang plaatsvinden. Materiele en spirituele ontwikkeling zijn echter beide noodzakelijk. De mensheid mag niet stagneren, want dat zou zoiets zijn als doodgaan.' Op pagina 292 culmineert het humane syncretisme van de Dalai Lama zelfs in de mededeling: ' Voorzover ik mij (...) ergens politiek mee verbonden voel, ben ik waarschijnlijk nog steeds half-marxistisch. Ik heb geen probleem met het kapitalisme, zolang het op een menselijke manier wordt beoefend, maar mijn religieuze overtuigingen brengen mij meer in de richting van het socialisme en internationalisme, wat meer overeenstemt met de boeddhistische principes.' Tot dusver hebben de ouvertures van de Dalai Lama bij de Chinese leiders echter weinig uitgehaald. Na de gruwelijke jaren zestig en zeventig, waarin honderdduizenden Tibetanen omkwamen als gevolg van honger, moord en marteling, brak eind jaren zeventig een periode van liberalisering aan. Die duurde echter niet lang. In 1983 brak opnieuw een golf van repressie aan en sinds de volksopstand in Lhasa van september 1987 waarvan voor het eerst ook televisiebeelden te zien waren hebben de Chinezen de deur voor een dialoog, die enige tijd op een kier had gestaan, weer potdicht gedaan. Zelfs op het vredesvoorstel dat de Dalai Lama in 1987 deed in het Amerikaanse congres, en waarbij hij voor het eerst de eis van onafhankelijkheid liet vallen, kreeg hij tot dusver geen antwoord.' Het ziet er somber uit voor de Tibetanen. Nu al wonen er meer Chinezen dan Tibetanen in Tibet, en als het zo doorgaat verkeren mijn landgenoten in het grote gevaar in hun eigen land gereduceerd te worden tot een toeristische attractie, ' schrijft de Dalai Lama. Niettemin blijft hij er opgewekt onder.

Vrijheid in ballingschap vertoont geen spoor van wrevel of rancune. Het boek is het lucide relaas van een man die het boeddhistische ideaal van innerlijke vrede in hoge mate heeft verwezenlijkt en die vanuit die gemoedstoestand het menselijk gewriemel met goedmoedige spot, maar ook met een scherpe blik beziet. Een stilistisch meesterwerk is het zeker niet. Maar het bevat kostelijke anekdotes over het merkwaardige hofleven in het oude Tibet en ontmoetingen met uiteenlopende figuren als Mao Zedong, Zhou Enlai ('Chew and Lie') en Pandit Jewaharlal Nehru, en is alleen al daarom de moeite van het lezen meer dan waard.

VERTALINGDe Dalai Lama schreef al eerder een autobiografie, My Land and My People (Potala Corporation, New York 1962), daarbij geassisteerd door de schrijver David Howarth. Maar dat boek ging niet verder dan het jaar 1960, vlak na zijn aankomst in India. De nieuwe biografie begint opnieuw bij het begin, maar gaat nu verder, tot begin 1990. Deze keer maakte de Dalai Lama gebruik van de Engelse journalist Alexander Norman als ghostwriter. Dat eerste boek was naar mijn smaak beter geschreven, maar dat kan deels ook liggen aan de Nederlandse vertaling van de nieuwe biografie. Helaas is die vertaling (die door omstandigheden zelfs twee dagen eerder verscheen dan het Engelse origineel) hier en daar nogal keutelig van stijl, en zij wemelt van de taalfouten.' Tussen de beide landen zal geen rook noch stof worden gezien' (p.56). ' Hier hadden de gebeurtenissen een merkwaardige atmosfeer' (p.98). ' ... de meeste van mijn informatie' (p.142). '... nadat de Monlam ceremonie klaar was (degene met de lange recitatie)' (p. 147). '... honderden guerrillastrijders... , wiens taak het was... '

(p.157). '... de 31 jaar dat ik nu in India doorbreng' (p.207). '..hebben wij technieken ontwikkeld die ons in staat stelt' (p.241). ' Zowel de berg Kailash en het Mansorova Meer' (p.245). ' De derde delegatie... Bij hun terugkeer... '

(p.261). En ga zo maar door. Bovendien is op pagina 49 sprake van de 'Australier' Heinrich Harrer, terwijl deze beroemde schrijver-bergbeklimmer toch wel degelijk een Oostenrijker (Austrian) is. Ook wordt op pagina 186 gewaagd van 'een papiermolen met aanverwante bedrijven', waarbij ik durf te wedden dat er 'paper mill' (papierfabriek) stond. En (ook op pagina 186) in India wordt gewisseld in roepies, niet in 'roepia's', dat doen ze in Indonesie.

Vertalen is niet ieders werk. Als er een tweede druk komt, wat ik de Dalai Lama en het Tibetaanse volk toewens, moet er eerst nog maar eens een goede redacteur overheen. De uitgever kan er dan meteen ook mooi een verklarende woordenlijst en een personenregister aan toevoegen. Die heb ik nu node gemist.

    • Vert. Door Lies van Velsen
    • Karnak 1990