Beloning en straf

Wat is de beste wijze om een plant te prijzen die erg zijn best doet? Zelf gebruik ik varianten van de Beth Chatto-manier, bijvoorbeeld een joviaal ' Goed zo!' Planten die er slecht uitzien krijgen meer aandacht; de neiging is hier nog sterker om de verpleegsterstoon aan te slaan: ' Nu gaan we beter worden!' Maar voor sommige planten is te veel aanmoediging niet goed. Je geeft ze alles wat een plant begeert en ze lachen je alleen maar uit en profiteren van je. Zich koesterend in onverdiend zonlicht nemen ze het hele bloembed over, in vruchtbare grond zaaien ze zich uit naar alle kanten. Half uitgehongerd en half in het donker gedragen ze zich veel beter, dan kijken ze dankbaar naar je op, tikken aan hun pet en doen wat er van ze verwacht wordt.

Het observeren van een plant die met veel enthousiasme groeit is zeer bevredigend; het feit dat de eerste planten die je zelf hebt geplant ook echt groeien is op zichzelf al zo'n aanleiding tot dankbaarheid dat het een poosje kan duren voor het tot je doordringt dat niet alles is zoals het wezen moet. Dit inzicht wordt niet bereikt door te kijken naar de plant zelf, die nu haast zienderogen in omvang toeneemt, maar naar haar buren die verdwijnen, spoorloos zo lijkt het wel, onder die overweldigende zee van bladeren. Alweer een duistere tuiniersterm geillustreerd door de werkelijkheid: ' Wat doet deze plant?' ' Deze plant woekert.' De best gedijende plant in mijn tuin is op het ogenblik Lamium maculatum 'Album', een witte variant van de dovenetel, alom aangeprezen als grondbedekker op schaduwrijke plaatsen. De gewone dovenetel (zonder 'Album') heeft donkergroene bladeren met wat Graham Stuart Thomas beschrijft als ' een witte streep zoals over het voorhoofd van een das', en lichtpaarse bloemen. Het is immergroene plant; je ziet ze veel. Niet bepaald aanvallig, de plant maakt op een of andere manier een slordige indruk, zoals afgetrapte gymschoenen. Er bestaat ook een gele variant, L.m. 'Aureum', die ik niet ken.

De witte soort (die soms beschreven wordt als 'zilver', waarmee het de enige zilverbladige plant zou zijn die van schaduw houdt) is veel aantrekkelijker, hoewel sommige mensen vinden dat ze er uitzien alsof ze zich niet lekker voelen. De bladeren hebben geen enkele gelijkenis met de dasseneus; ze zien er meer uit of iemand ze heel nauwgezet had beschilderd met witte verf - en daarin beter was geslaagd op de grote bladeren dan op de kleinere - zorgvuldig een strook aan de rand groen latend. Deze netel heeft tamelijk mooie kleine witte bloempjes die in een kring rond de stengel zitten en er uitzien, als ze opengaan, als vissen op de waterspuwers van barokke fontijnen. Als de gewone netel een van haar voorouders is dan moet luchtpostpapier een andere zijn; het blad voelt niet alleen papierachtig aan maar als je er over strijkt klinkt het ook als iemand die een brief zit te lezen. En er is de geur: uitgesproken netelig.

Ik plantte er drie van, veel te dicht bij elkaar, op wat ik voor een beschaduwde plek hield, in het enigszins verhoogde bloembed met een rand van bakstenen dat zich daar bevond; en na een paar korte momenten van verbaasd ongeloof in eigen geluk (dovenetels zijn immers vaak het laatste redmiddel voor plaatsen waar niets anders wil groeien), barstten zij los. De drie divisies waren in een oogwenk met elkaar versmolten, zonder enig spoor achter te laten van hun oorspronkelijke groepering, en begonnen zich over het bloembed te verspreiden op zoek naar nieuw territorium. Het resultaat is schitterend, golven en kolken van witte blaadjes aanstormend over de grond. Op donkere dagen is het effect wit met een zweem groen, in het zonlicht lijkt het witter. Zelfs in het donker zie je een witte plek, met de witte tabaksbloemen er achter vormt het een soort nachttuin.

Lamium verspreidt zich over de grond en had dus geen moeite met het nemen van een hindernis als bakstenen, om zich vervolgens op het lager gelegen grind te werpen. Haar taak was, in mijn ogen tenminste, vervuld. Maar als een ware thug, zoals zulke planten in het Engels wel worden genoemd, weet de dovenetel van geen ophouden en is nu een veldslag begonnen tegen het loodkruid (Ceratostigma plumbaginoides) ernaast. Deze gedijde, na een weinig belovend begin, juist heel aardig; gelukkig is het zelf ook een verwoede kruiper en dus geen hulpeloos slachtoffer, zoals de kleine violier aan de andere kant, die eenvoudig ging liggen en de strijd opgaf. Maar het loodkruid verspreidt zich via ondergrondse uitlopers en de belligerenten zijn dus op een interessante wijze aan elkaar gewaagd. Kan een onderzeeboot een slagschip tegenhouden? Het is een belangwekkende nieuwe ontwikkeling elke ochtend stukken plant af te moeten knippen inplaats van aan te moedigen tot groei. Nog interessanter zal het zijn stukjes van die veroveraar te verbannen naar steeds minder herbergzame delen van de tuin om te zien hoe hij zich daar zal weren. Straf kun je het niet noemen, maar dan zijn we tenminste even af van dat uitgestreken gezicht.