WAT WIJ ZIEN EN HOREN

Wij vinden dat jullie allemaal je ouders moeten verbieden om in huis te roken. Tenminste als je zelf thuis bent of een broertje of zusje van je. Dan moeten ze maar even de tuin in lopen of in het washok gaan staan.

Nee, niet op de wc, dan stinkt het er dubbel en peuken blijven heel lang dobberen ook al trek je nog zo vaak door. We hebben het nu over een peuk die wij zelf gezien hebben. Van een oom van ons. Zo'n dikke, die peuk dan. Het leek wel van een klapsigaar. Nee, gewoon verbieden. Kinderen hebben toch ook wat te zeggen over hun eigen gezondheid. Als ze dat niet doen, pak je je rugzak, doet je jas aan en zegt: 'Ik verdwijn hier uit dit ongure rookhol. Ik wil geen ouders hebben met longkanker.'

Bij ons was een keer een gekookt bietje in de koelkast achtergebleven. Gewoon vergeten. Het lag er wekenlang achter een potje honing een beetje sloom te rotten in een luchtdicht afgesloten plastic zakje. Toen onze papa het ontdekte riep hij ons erbij of hij iets lekkers voor ons had en hij kneep erin en bleef er maar in knijpen. Hij scheen het nogal leuk te vinden. Het werd helemaal donkerrode brij en er bewogen snotbellen van roze schuim tegen het plastic. We hadden pas iets over de gevolgen van roken gezien op de tv en vroegen, 'Ziet zo longkanker eruit'.

En onze papa zei, 'Ja, maar dan gebakken'.

En dat vonden we zo erg dat we onze ouders wilden waarschuwen, want die roken ook, wel niet op hun longen en natuurlijk niet waar we bij zijn, want dan woonden we hier niet meer, maar toch. En als je dan weet dat ze ons ieder duizend gulden beloofd hebben als we niet voor ons achttiende roken. We zouden wel willen dat iemand ze heel veel geld beloofde als ze voor hun tachtigste niet meer zouden roken.

Op een ochtend zijn we stilletjes naar beneden geslopen en hebben onze pyjama's vol oude kleren gestopt en een kop erop gemaakt met een muts en een opgerolde roze kous van onze mama als mond en daar hebben we een sigaret in gestopt. Zo legden we ze op de grond in de kamer. Of ze neergestort waren na het laatste trekje. Met tekeningen van enge doodshoofden eromheen en eronder: roken is DOODgewoon! Toen onze papa binnenkwam zei hij nogal kwaaiig: 'Ik zie het al! Dat weerzinwekkende dooie slachtoffer daar ben ik'.

We schrokken een beetje en toen zeiden we gauw: 'Nee hoor, dat is Hitler'.

Onze papa begon vreselijk te lachen en zei: 'Ach lieve jongens, Hitler was een hele nette man. Die rookte niet en hij dronk ook niet'.

En toen hij de kamer uitging zei hij zachtjes, 'Had hij dat maar wel gedaan. Dan was hij misschien voor z'n veertigste aan longkanker gekrepeerd'. Nu willen we jullie even aan het lachen maken door een mop te vertellen.

Want onze papa zegt altijd, als je schrijft en je maakt de mensen aan het huilen moet je ze ook weer op tijd aan het lachen maken. Er was eens een oude dame die een schitterend gazon had. Het was zo mooi dat de tuinman zijn klompen uitdeed als hij het ging maaien en als er een musseveertje op lag moest het meteen eraf. Maar op een ochtend keek ze door het raam en zag tot haar schrik dat het groene tapijt vol vieze bergjes modderige aarde lag. 'Een mol, ' schreeuwde ze. 'Help, een mol!' Ze maakte een sprongetje van woede en krijste om de tuinman. Hij moest meteen de mol vangen. Op zijn sokken, maar dat was eigenlijk niet nodig meer want het hele gazon was toch verpest, ging hij met een doos en een schep op jacht tussen de molshopen. Toen hij het blinde diertje gevangen had, dat radeloos met zijn roze pootjes tegen het karton krabde, vroeg hij de oude dame wat hij met het ondiertje moest doen. Zou hij het voor haar ogen met de schep op het terras zo plat als een hamburger slaan of zou hij dat angstige bontjasje in de open haard tussen de vlammen gooien. 'Nee, zo gemakkelijk komt dat kreng niet van mij af, ' zei de oude dame. 'Ik wil dat er het ergste mee gebeurt dat er maar met iemand gebeuren kan. Hij moet levend begraven worden.' Lachen jullie al? Mollen zijn hele lieve beesten, maar je moet oppassen want ze kunnen hard bijten. Een kindervingertje is een soort engerling of emelt voor ze. Onze papa vertelde dat als hij vroeger een mol zag ronddwarrelen die zijn duistere gangetje kwijt was, hij met de steel van zijn pijp even op de rug van het angstige diertje drukte om het goed te kunnen bekijken. Dan bleef de afdruk van de vlijmscherpe tandjes in de steel achter. Oppassen dus! O, een pijp! Daar hadden we helemaal niet aan gedacht toen hij ons dat vertelde. Onze papa heeft dus vroeger ook nog een pijp gerookt. En hij heeft het altijd over een enkel onschuldig panatellaatje. Daar zullen we eens even wat van gaan zeggen!wordt vervolgd

    • Bob En Jan Wolkers