Uit in tranen; Kinderboek

Sinds enkele weken wordt ons bestaan geregeerd door een jeugdige kater. Wanneer ik mij met levensgevaar door pingpongballen, propjes en nepmuizen een weg naar het bureau heb gebaand geeft de nieuwe huisgenoot met grote vasthoudendheid te kennen, dat schrijven over kinderboeken behoort tot de volstrekt overbodige menselijke bezigheden. Ik vrees derhalve dat mijn kijk op de jeugdliteratuur tijdelijk beperkt zal zijn. Bij prentenboekenuitgeverij De Vier Windstreken verscheen een opvallend geillustreerde versie van De gelaarsde kat. Uit vele sprookjesbundels is dit slimme dier ons overgeleverd als een zwierige heer met kanten kraag en bepluimde hoed. De Poolse illustrator Stasys Eidrigevicius schilderde de kat in zijn meest kale, maar indrukwekkende vorm. Op de omslag staat hij op zijn achterpootjes, slechts in zijn cyperse vel, voorpoten strijdlustig gevouwen, de enorme ogen kwaad in de te grote kop. De laarzen, symbool van menselijke waardigheid, zijn hier gereduceerd tot babyschoentjes. De kat kan het alleen als kat wel af. De intrigerende, duistere prenten zullen kinderen op zoek naar lieve sprookjesplaten mogelijk afschrikken. Met hun surrealistische accenten volgen ze niet zozeer het verhaal, maar lichten details uit. In de geschiedenis van de Markies van Carabas benadrukken ze meer de volkse, aardse kant dan de glanzende wereld van koetsen, kastelen en prinsessen. Bovenal maakt Eidrigevicius duidelijk dat dit sprookje een hommage is aan de kat, dat eigengereide, sluwe, vleierige en soms angstaanjagende dier. Niet voor niets heette het verhaal in de door Perrault in 1679 opgetekende versie: Le maitre Chat ou le Chat botte.

In het werk van de in 1988 overleden Amerikaan Arnold Lobel wemelt het van de beesten: kikkers, padden, uilen, biggen, muizen en sprinkhanen. De kat kwam nog niet voor, misschien omdat hij zich niet zo goed leent om als vermomd mens op te treden, want dat doet Lobels menagerie. Uil is de melancholicus, die boven zijn theepot snikt over de vergeefsheid van het bestaan. Bastiaan Big gaat over het aandoenlijke gedoe van twee kleuters, die toevallig een krulstaart en grote rose oren hebben. In Sprinkhaan op stap wordt sprinkhaans argeloze kijk op het leven voortdurend geconfronteerd met de overwegingen van eeuwig langs hun zelfgebaande paadjes voortsjokkende insekten. Onlangs verscheen Lobels uit 1985 daterende Whiskers and Rhymes, een serie poezeportretten, die in vertaling de titel Kattekrabbels meekreeg. Het boekje bevat met zwier en plezier getekende, keurig aangeklede katten, die aan het eten, ruzien, lezen en tanden poetsen zijn. In combinatie met de versjes van Theo Olthuis is een bakerrijm-achtige bundel ontstaan, waaruit het aan kleuters vast prettig voorlezen is. Toch hebben deze katten, hoe aaibaar, olijk of narrig ze er ook uitzien lang niet het niveau van Lobels vroegere werk. Daarvoor zijn ze te eenduidig en vrijblijvend. In simpele, voor kinderboekbegrippen saai gekleurde tekeningen en zuinig geformuleerde, spirituele tekstjes heeft Lobel jarenlang allerlei lieve beesten in merkwaardige situaties laten verzeilen, maar eigenlijk legde hij het mensenleven vast in kleine miniaturen. Naar zijn eigen zeggen was elk kinderboek dat hij maakte 'based on adult preoccupations'. Hoewel Bij Uil thuis geldt als zijn meesterwerk zijn de Kikker en Pad-verhalen mij het meest dierbaar. Hoe warm en onvoorwaardelijk is de vriendschap tussen de neurotische Pad en de nuchtere Kikker en hoe wonderlijk zijn hun gedachtenkronkels. Onnavolgbaar is het verhaal van de koekjeshonger. Kikker meent dat alleen wilskracht hen kan verhinderen zich doodziek te eten aan de berg koekjes die ze net gebakken hebben. Hij legt uit: 'Wilskracht is erg je best doen om iets niet te doen wat je eigenlijk graag wilt doen.'

Pas wanneer de koekjes aan de vogels zijn opgevoerd beschikt het tweetal over voldoende wilskracht. Volgens Pad smaakt die echter naar niets en de filosofische discussie eindigt in het bakken van een taart. Door Lobels ziekte en uiteindelijke dood behoort dit soort wijsheid in beestevel tot een afgesloten periode in zijn oeuvre. Voor de jeugdliteratuur is dat een groot verlies.

    • Bregje Boonstrastasys Eidrigevicius
    • Kattekrabbels. Uitg. Ploegsma. Prijs Fl.14