Staat legt schip met lading Irak aan ketting

ROTTERDAM, 14 sept. De president van de rechtbank in Middelburg, mr. G. R. Andre de la Porte, heeft gisteren de eis van de regering van Irak, dat een schip met bestemming Irak niet in Vlissingen mag worden gelost, afgewezen.

Het op de Bahama's geregistreerde schip Gur Mariner dat gisteren de haven binnenliep, is na aankomst op last van de Nederlandse Staat onmiddellijk aan de ketting gelegd in verband met het door de Verenigde Naties afgekondigde handelsembargo.

Het schip had volgens een woordvoerder van de reder machine-onderdelen en chemicalien in Rotterdam, Bremen en het Engelse Middlesborough nog voor het afgekondigde handelsembargo geladen en koers gezet naar Irak. Vlak voor het Suezkanaal heeft het schip in opdracht van de reder rechtsomkeert gemaakt en koers gezet naar Vlissingen.

De Rotterdamse advocaat G. J. W. Smallegange eiste gisteren in het kort geding namens de Iraakse regering van de reder dat de reis naar Irak onmiddellijk zou worden voortgezet en dat de lading niet in Vlissingen zou worden gelost. De douane in Vlissingen is van plan de lading te lossen en in bewaring te houden totdat geheel duidelijk is waar de goederen naar toe moeten en totdat vast is komen te staan dat de goederen niet naar Irak gaan. De rechtbankpresident wees de eis af. De 27 bemanningsleden kregen geen beperkende maatregelen opgelegd. Voor zover bekend is dit het eerste schip dat in verband met het handelsembargo van de VN aan de ketting is gelegd.