Relatie Syrie en VS is opmerkelijk goed

ROTTERDAM, 14 sept. De betrekkingen tussen Syrie en de Verenigde Staten zijn al jaren opmerkelijk goed, zeker gemeten naar Damascus' betrokkenheid bij internationaal terrorisme en drugshandel en zijn schendingen van de mensenrechten, en Washingtons verklaarde afkeer daarvan. Dat Syrie nog altijd figureert op Washingtons lijst van landen die internationaal terrorisme steunen, verstoort de vriendschappelijke verhouding niet. Het bezoek van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, aan de Syrische hoofdstad vormt in feite ook niet meer dan een bevestiging daarvan.

Beide landen hebben elkaar nodig. Het economisch noodlijdende Syrie heeft dringend behoefte aan economische hulp altijd al en de laatste jaren nog eens extra, nu de Sovjet-Unie is afgevallen als leverancier. De Amerikanen op hun beurt hebben Syrie altijd gezien als een uiterst belangrijke speler in het conflict in het Midden-Oosten en de laatste jaren bovendien als onontbeerlijke helper om hun gijzelaars in Libanon vrij te krijgen. 'Zolang wij de gijzelaars niet terugkrijgen, kan Assad doen wat hij wil', verzuchtte een Amerikaans Congreslid in 1986. In dat jaar vaardigde de Amerikaanse regering niettemin economische sancties tegen Syrie uit en verlaagde het de diplomatieke betrekkingen wegens de Syrische betrokkenheid bij niet minder dan 46 terroristische incidenten sinds 1983. Het State Department noemde daarbij de 'blijvende steun voor de meest actieve en brute internationale terroristengroep die op dit moment actief is, Abu Nidal', aldus een mededeling van het State Department. Abu Nidal had in de voorgaande jaren van zich doen spreken door de aanvallen van december 1985 op de luchthavens van Wenen en Rome, waarbij meer dan 20 mensen om het leven kwamen, maar waarvan de VS Libie de schuld hadden gegeven. Directe aanleiding tot de sancties was echter het ophanden zijnde bezoek van de Britse premier Thatcher, die de vorige maand juist de diplomatieke relaties met Syrie had verbroken, nadat was komen vast te staan dat de Syrische autoriteiten direct waren betrokken bij een poging een passagiersvliegtuig van de Israelische luchtvaartmaatschappij El Al op te blazen.

Maar die sancties waren althans deels schone schijn. Symbolisch was het verbod om in de VS vliegtuigbiljetten voor de Syrische luchtvaartmaatschappij te verkopen: de luchtvaartmaatschappij vloog niet op de VS. Een woordvoerder van het State Department erkende dan ook dat de regering niet geloofde dat de sancties 'een onmiddellijk en dramatisch effect' zouden hebben.

In september 1987 keerde de Amerikaanse ambassadeur in Damascus, William Eagleton, naar zijn post terug. Syrie had immers in juni het kantoor in Damascus van Abu Nidal gesloten, wat door het State Department werd begroet als uiting van de 'bredere Syrische houding, politiek en gedrag met betrekking tot terrorisme'.

Dat Syrie Abu Nidal toestond te blijven opereren in door Syrische troepen beheerst gebied in Libanon, werd met de mantel der liefde bedekt.

Ook het einde van de gijzeling van de Amerikaanse journalist Charles Glass in augustus, waarvan tot op heden niemand weet of het nu een ontsnapping of een vrijlating was, werd zonder meer aan Syrische goede diensten toegeschreven. 'We zijn de regering van Syrie dankbaar voor haar inspanningen om zijn vrijheid te bewerkstelligen', zei een woordvoerster van het ministerie van buitenlandse zaken. In oktober van het voorgaande jaar had de toenmalige minister van buitenlandse zaken George Shultz zich nog aanzienlijk cynischer uitgelaten: 'Hoeveel invloed (op de ontvoerders) ze (de Syriers) hebben, is de vraag. Wat ze hebben gedaan is dat ze een land zijn geweest, waarnaar gijzelaars lijken te komen en waar ze werden vrijgelaten. En ze hebben dat aspect van de zaak goed afgehandeld.'

Groot-Brittannie heeft zijn relaties met Syrie overigens nog altijd niet hersteld, omdat premier Thatcher niet van Syries goede gedrag overtuigd is.

Libanon

Met name ambtenaren bij het State Department en de Nationale Veiligheidsraad die zich met het Midden-Oosten bezighielden, huldigden de mening dat ruimschoots rekening diende te worden gehouden met het feit dat de Syrische president Hafez al-Assad een hoofdrolspeler is in de verschillende regionale conflicten. Nadat de Amerikaanse mariniers in 1983 uit Beiroet waren weggeterroriseerd, liet men dit strijdtoneel des te gretiger aan Assad over (hoewel de samenwerking tussen beide landen in Libanon al van 1976, het begin van de burgeroorlog, dateerde). In de nazomer van 1988 zochten de twee landen bijvoorbeeld samen een geschikte, pro-Syrische kandidaat uit voor het presidentschap van Libanon de Amerikaanse onderminister van buitenlandse zaken voor het Midden-Oosten, Richard Murphy, bleef daarvoor zes dagen in Damascus. De Libanezen zelf ging het echter te ver. De presidentsverkiezing mislukte, wat leidde tot het aantreden van generaal Aoun, die vervolgens door Syrie werd bestreden met steun van Washington hoewel de generaal zeker aanvankelijk brede steun onder de Libanese bevolking genoot. De Amerikaanse ambassadeur in Damascus deed ook zijn uiterste best concurrerende christelijke leiders aan te zetten tot strijd tegen Aoun die nu stilzwijgende steun van Syrie geniet, want bondgenootschappen wisselen snel in het Midden-Oosten.

Ook het aan zekerheid grenzende vermoeden dat de in Syrie gevestigde terroristenleider Ahmed Jibril van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina-algemeen commando (PFLP-gc), verantwoordelijk was voor de bomaanslag op de Boeing 747 van Pan Am, die op 21 december 1988 boven het Schotse Lockerbie ontplofte, verstoorde de relaties niet. Washington richtte enkel het verzoek tot Syrie Jibril uit te wijzen. De Syrische autoriteiten antwoordden dat zeker te zullen doen als ze de bewijzen kregen van Jibrils schuld. Een recent Frans rapport, volgens hetwelk Syrie medeschuldig was aan de bomexplosie in een passagiersvliegtuig boven Niger in het najaar van 1989, is van Westerse zijde tot dusverre geheel genegeerd.

De Syrische opstelling tegenover de Verenigde Staten werd het afgelopen voorjaar door een Iraanse vice-president gebruikt voor een pleidooi voor toenadering van Teheran tot Washington. Hij wees erop dat Syrie contacten met Washington niet had geschuwd, en daarvan ook profijt had getrokken. Het leverde de Iraanse functionaris slechts een storm van protest op.

    • Carolien Roelants