Nederlands theater verloochent wortels niet meer

ROTTERDAM, 14 sept. Voor de buitenlandse theatercriticus die maar zo af en toe in Nederland kan zijn, biedt het jaarlijkse Theaterfestival een vrij compleet overzicht van de ontwikkelingen in het Nederlandse theater zij het dat het gebodene natuurlijk de keuze van de jury weergeeft, die niet per se representatief voor het totale Nederlandse theateraanbod behoeft te zijn. Daarnaast betekent het festival voor mij als lid van de selectie-commissie voor het Internationaal Theaterfestival van Santarcangelo (Italie) een kans om niet alleen een aantal Nederlandse produkties te zien, maar ook Nederlandse theatermakers te ontmoeten en met hen over toekomstige internationale samenwerking te spreken.

Ik volg het Theaterfestival al sinds het in 1987 voor het eerst gehouden werd met grote belangstelling en nu ik er voor de vierde keer ben, begin ik hier en daar een richting te ontwaren in de ontwikkeling van het Nederlands/Vlaamse theater.

Wat me in 1987 versteld deed staan was de uitbundige inventiviteit, de anarchie, de ogenschijnlijke traditieloosheid, misschien het best gekarakteriseerd door de Needcompany met hun stuk Need to Know, een verrassende terreinverkenning op verschillende gebieden van de theaterbeleving. Ik vond dit een gezonde, boeiende tendens, al had ik ernstige twijfels over de toekomst ervan: de wortels van het Europese theater werden al te nadrukkelijk afgekapt.

De manier van omgaan met klassieke teksten blijkt intrigerend en in ontwikkeling. Afgezien van Dirk Tanghes bedroevende, populistische strip-versie van Shakespeare (getuigend van een neerbuigende teneur die, als hij niet is verdwenen, althans op het Festival niet meer vertegenwoordigd is) was er de uitzinnig komische karikatuur van De kersentuin van Frank Strijards en het gezelschap Art en Pro, de Macbeth-uitvoering van De Tijd, die wel wat humor had kunnen gebruiken, en vorig jaar de Medea van Toneelgroep Amsterdam, waarin Griekse tragiek werd teruggebracht tot binnenskamers burgermansleed.

Dit jaar brengt dit gezelschap samen met de Belgische groep De Tijd een modern-klassiek stuk: de recent herontdekte, originele versie van Frank Wedekinds Lulu, in een vertaling van Judith Herzberg, een van de vier produkties die ik deze week heb kunnen zien. Wat me aan deze voorstelling gezien mijn eerdere ervaringen meteen verraste, was dat ze zo trouw bleef aan het origineel, en geen opzettelijk eigenzinnige versie probeerde zijn.

Deze voorstelling, van het elegante decor van Jan Versweyveld en de regie van Ivo van Hove tot het uitmuntende spel van alle acteurs, vertegenwoordigde een theaterwereld, hoop ik te mogen aannemen, die een hoognodige en heel verfrissende periode van verandering en opstandigheid heeft doorgemaakt maar nu voldoende zelfvertrouwen en volwassenheid bezit om weer aansluiting bij het verleden te zoeken.

Een zeer gelukkige greep was wel Chris Nietveld in de titelrol. Heel geleidelijk verandert ze van het sensuele Naturkind uit de openingsscenes in de wereldwijze vrouw die niettemin haar levensvreugde weet te behouden, tot ten slotte in de laatste scenes het meelijwekkend besef van hopeloos verraad doorbreekt.

Een gezelschap dat nog elk jaar heeft meegedaan draagt de toepasselijke naam Discordia. Toen ik de groep van regisseur Jan Joris Lamers, die ook meespeelt in de voorstellingen, in 1987 voor het eerst zag in Thomas Bernhards Ritter Dene Voss, was ik meer dan bereid de voorstelling te accepteren als een van de vele vrije verkenningen van het spectrum aan theatrale mogelijkheden.

Sindsdien heb ik van Discordia Sardoe/Wilde/Shaw gezien, waarin de enige aanhorenswaardige clausen van die auteurs afkomstig waren, en vorig jaar een opzettelijk verwrongen versie van Judith Herzbergs uitstekende stuk Kras. De groep schijnt er voornamelijk naar te streven zo min mogelijk van de oorspronkelijke bedoelingen van de schrijver heel te laten door ze te smoren onder een dikke laag Lamers-ego, en lijkt zo obscuur mogelijk te willen zijn een houding die inmiddels haast zo gedateerd is als Jan Joris Lamers haardracht. Dit enfant terrible van middelbare leeftijd heeft blijkbaar door een of andere duistere oorzaak een grote invloed op zijn publiek een invloed die, vind ik, grenst aan het funeste (en ik ben bepaald niet de enige buitenlandse recensent die hij heeft weten te shockeren zonder verder ook maar de geringste indruk te maken). Zijn Wanja is een gemakzuchtige, oppervlakkige karikatuur van een van de mooiste stukken uit het repertoire. Wat beoogt dit amateuristische kannibalisme? Het publiek lijkt helaas vooral af te komen op de kinderachtige, goedkope sensatie een groot toneelstuk op barbaarse wijze te zien verkrachten. Dit is Nederlands theater op zijn slechtst. Een veel positievere constante factor op de vier tot nu toe gehouden is het werk van Frans Strijards. Na zijn bewerking van Tsjechovs De kersentuin in 1987 (een nogal Lamers-achtige voorstelling), hebben we de afgelopen drie jaar drie van zijn eigen stukken kunnen zien die aantonen dat Strijards zijn wortels in het Europese theater niet alleen niet verloochent, maar ze zelfs van levensbelang acht als voedingsbodem voor eigen werk.

Zijn Het syndroom van Stendhal toont de verdere ontwikkeling van een steeds zelfverzekerder persoonlijke stem en stijl in deze wervelende draaikolk van individuen die eigenlijk nooit met elkaar in contact komen, met reminiscenties aan Tsjechov, Arthur Miller, Feydeau, Thomas Bernhard en (dank zij Stans Lutz' prachtige decor) Hollywood. Dit is niet het werk van een gemakzuchtige egoist, maar van een vakman die een hecht gebouwd stuk niet beschouwt als een capitulatie voor de oppositie.

Botho Strau' De tijd en de kamer in de produktie van het Arca Theater had mijn bijzondere interesse, daar ik dit prachtstuk op mijn omzwervingen langs de theaters van Europa al verschillende keren heb gezien. Ook het Arca Theater heeft zich helaas laten misleiden door het verlangen om anders te zijn en heeft Strau' aanwijzingen opzettelijk genegeerd ten koste van het stuk zelf. De verdeling van het toneel in drie niveaus was naar mijn oordeel een zinloze inbreuk op een van Strau' fundamentele uitgangspunten. Door het uiterst trage tempo van deze voorstelling, met zijn lange, dramatisch zinloze stilten ging het merendeel van de elegantie en lichtvoetige esprit van het stuk teloor.

Vertaling Rene Kurpershoek

Della Couling schrijft voor het Engelse dagblad The Independent over Europees theater. Deze week bezocht ze voor de vierde maal het Theaterfestival in Rotterdam. Volgens Couling, die op verzoek van NRC Handelsblad haar indrukken noteerde, is het Nederlandse theater na een opstandige periode nu volwassen genoeg om weer aansluiting te zoeken bij de traditie.

    • Della Couling