Menselijk

DE TENUITVOERLEGGING van een economische boycot ten opzichte van een bepaalde staat is een zware opdracht, zelfs indien, zoals thans in de kwestie-Irak het geval is, de boycot uitvloeisel is van een besluit van de Verenigde Naties. Er zijn problemen van organisatorische aard als de feitelijke verbreking van de verbindingen, van politieke betekenis als het waarborgen van een loyale uitvoering door alle andere landen en van morele waarde als het begrenzen van de gevolgen voor onschuldige slachtoffers. Tot het laatste heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties beslist nu geloof moet worden gehecht aan berichten dat buitenlanders in Koeweit, en met name Aziaten, onder een ernstig voedseltekort te lijden hebben.

Maar iedere stap in een dergelijke toestand veroorzaakt onmiddellijk nieuwe problemen. De eerste is de hulp Koeweit binnen te krijgen met inachtneming van de voorwaarden van de Veiligheidsraad, de tweede als de Irakezen die voorwaarden aanvaarden de naleving ervan af te dwingen en de hulp bij degenen te krijgen voor wie zij bestemd is. Het risico is niet denkbeeldig dat internationale voedseltransporten terecht komen bij de Iraakse strijdkrachten zelf. Verhalen van vluchtelingen over beroving en plundering door Iraakse soldaten geven wat dat betreft te denken, zelfs in het geval de Iraakse autoriteiten zouden willen meewerken.

ER DIENT zich overigens nog een complicatie aan: komen de Koeweitse burgers die in hun land zijn opgesloten en wier lot niet minder ernstig is dan dat van de buitenlanders niet evenzeer voor bijzondere ondersteuning in aanmerking? En hoe moet er worden gereageerd indien in Irak zelf de machtelozen zouden kreperen? Met andere woorden: hoe organiseert men een doeltreffende boycot met een menselijk gezicht? Onder bijzondere omstandigheden is dat mogelijk zoals de geallieerde hulp aan het bezette Westen van Nederland heeft laten zien. Maar daarbij was de medewerking afgedwongen van een al verslagen bezetter, bij voortgezet slecht gedrag wist deze zich bij voorbaat extra gestraft.

In de verhouding tot Irak is van iets dergelijks geen sprake, Saddam Hussein stelt zich dagelijks op als de man die weet aan het langste eind te trekken. Hoezeer ook het besluit van de Veiligheidsraad op humanitaire gronden op instemming mag rekenen, dat neemt niet weg dat daarmee de boycot van het regime in Bagdad is versoepeld. De tegenstander, de volkerengemeenschap, heeft met zijn menselijkheid zijn kwetsbaarheid getoond. Saddam Hussein zal daar verder gebruik van weten te maken.