'Grosse Fuge' is zelfs voor Cleveland Orchestra te veel

Als het al zinvol is om Beethovens Grosse Fuge voor strijkkwartet in de orkestbewerking van Felix Weingartner of Jean Martinot uit te voeren, dan is buitengewone orkestdiscipline een eerste vereiste. Daaraan kon het Cleveland dat onder leiding van chef-dirigent Christoph von Dohnanyi het tweede concert voor zijn rekening nam in de serie 'Wereldberoemde Symfonieorkesten', moeiteloos voldoen.

Toch was de gestroomlijnde uitvoering van deze omstreden fuga, die al bij de premiere in 1826 'een babylonische spraakverwarring' werd genoemd, allesbehalve bevredigend. Ruim anderhalve eeuw later bleek Von Dohnanyi's gezag groot genoeg om met zijn leger van orkestmusici een warboel te vermijden. Helder omlijnd en met een glanzende orkestklank, die zelfs tijdens de grimmigste fortes en de meest subtiele pianissimo's zijn zuivere sonoriteit behield, werd de gecompliceerde thematiek van de Grosse Fuge uiteengezet. Desondanks klonk Beethovens schrijnende discours te wollig, te gesmoord en te platgeslagen om indruk te kunnen maken. Dat lag niet aan de instrumentale bagage van het Cleveland Orchestra, noch aan het gevoel voor timing en spanningsopbouw van Von Dohnanyi, maar aan de aard van deze 'kosmische meditatie', die een zo rigoureuze depersonalisatie van de vier tussen hemel en hel laverende gesprekspartners eenvoudigweg niet kan verdragen.

Veel beter kwamen de kwaliteiten van orkest en dirigent dan ook tot zijn recht in de even sprankelende als soepele vertolking van Lutoslavski's Concert voor Orkest uit 1954. De Intrada klonk als een energieke aaneenschakeling van verrassende samenklanken, waarna het aan de feerieke scherzo's van Mendelssohn verwante Capriccio als een ijlere windvlaag door de zaal wervelde. In de vrolijke finale voerden de verschillende instrumenten van het orkest een nu eens grappige en dan weer bizarre vreugdedans uit, waarbij voortdurend van partner werd gewisseld. Het concert werd besloten met de majestueuze interpretatie van Beethovens Zevende Symfonie, waarvan de opmerkelijke, licht aangezette treurmars aangrijpender klonk dan ooit, terwijl Von Dohnanyi zijn orkestleden in het afsluitende Allegro con brio wist aan te vuren tot aanstekelijke baldadigheid.