Gesprek Opec en olieconsumenten dringend gewenst

Het is vandaag dertig jaar geleden dat de OPEC in Bagdad werd opgericht. Veel reden tot feestvreugde hebben de olie-exporterende landen niet. Iraks annexatie van mede-lidstaat Koeweit heeft de toch al wankele eenheid van de organisatie er niet groter op gemaakt. Niettemin blijkt zij keer op keer te beschikken over een krachtig recuperatievermogen. Het is tijd dat het Westen eens nadenkt over een gesprek met de verguisde OPEC, gemeenschappelijke belangen zijn er genoeg.

Dat de OPEC het zolang heeft kunnen uithouden, komt misschien wel doordat zij geen kartel vormt, in tegenstelling tot wat veelal wordt aangenomen. Volgens de economische handboeken vallen kartels op den duur altijd uiteen en de OPEC zou daar een goede illustratie van zijn. De werkelijkheid bleek weerbarstiger de OPEC acteerde bijvoorbeeld veel meer als prijsvolger dan als prijsleider en de doodsklok werd de afgelopen vijftien jaar meermalen ten onrechte geluid.'s Werelds grootste olievoorraden bevinden zich in de bodem van de OPEC-landen, waarvan alleen in de Golfstaten zo'n 65 procent. Vroeg of laat, daarover lopen de meningen nauwelijks uiteen, wordt het olieconsumerende Westen meer afhankelijk van OPEC-olie. Of we daarmee wederom 'in de tang raken van de OPEC' zo we dat ooit al geweest zijn daarover wordt wel verschillend gedacht.

De olie-importerende landen hebben een aantal opties om hun eenzijdige afhankelijkheid van olie uit de Golf te verkleinen. Combinaties van opties zijn daarbij denkbaar. In de eerste plaats kunnen zij hun olieverbruik terugbrengen door er zuiniger mee om te springen. Japan is op dit gebied het verst gevorderd.

In de tweede plaats kan worden gezocht naar olie in 'veilige landen'. Met zo'n optie zijn grote bedragen gemoeid. Een recente studie van Cambridge Energy Research Associates (CERA) spreekt zelfs over een budget van 654 miljard dollar om in de te verwachten groeiende vraag naar energie te kunnen voorzien (milieukosten meegerekend). Overheidssteun, zoals in Frankrijk waar Elf Aquitaine wordt gestimuleerd om in te schrijven op moeilijk winbare concessies in de Noordzee, zou in sommige gevallen de helpende hand kunnen bieden. Vooral op het gebied van onderzoek en ontwikkeling is zeker nog veel vooruitgang te boeken. Opvallend bij de discussie over 'veilige landen' is dat onder die noemer tegenwoordig ook de Sovjet-Unie valt.

Allesbehalve schoon

Een derde weg die gevolgd zou kunnen worden is die van het gebruik van alternatieve energiebronnen. Hierbij lopen echter vaak twee doelstellingen door elkaar. Enerzijds bespreekt men de alternatieve energiebronnen uit de gedachte om tegen een zo gunstig mogelijke prijs onafhankelijk te worden van de olie-exporterende landen. Anderzijds richt men zich op het gunstige perspectief dat alternatieve bronnen bieden voor het milieu.

Als we echter de verschillende energiebronnen de revue laten passeren, blijken deze twee motieven door Fortune onlangs al van de fraaie term 'envenergy' voorzien niet zo eenvoudig met elkaar te verenigen. Het probleem is dat de schoonste energiebronnen, zoals biomassa en zonne-, wind- en getijdenenergie, op grote schaal moeilijk uitvoerbaar zijn of pas economisch interessant worden als de prijs van olie rond de 50 dollar per vat komt te liggen.

De goedkoopste alternatieven, zoals kolen en synthetische olie uit teerzanden of leisteen, hebben als nadeel dat ze allesbehalve schoon zijn bij verbranding en ook bij de winning een enorme aanslag op het milieu betekenen. Kernenergie is daarnaast wel goedkoop en schoon wat betreft de verbranding, maar heeft als nadeel dat het sinds de ramp in Tsjernobyl de publieke opinie tegen zich heeft.

Het enige werkelijke alternatief lijkt aardgas te zijn. De verbranding is schoner dan die van aardolie(-produkten) en de winningskosten zijn concurrerend. Aardgas heeft echter als nadeel dat 80 procent van de bekende reserves in slechts tien landen ligt, waaronder een klein aantal OPEC-landen in het Midden-Oosten die ruim eenderde van de wereldreserves onder de grond hebben. Ook hier speelt de Sovjet-Unie met het oog op de toekomst een dominante rol: liefst 40 procent van de bekende voorraden bevinden zich in Siberie.

Afspraken

Realistischer dan de twee laatstgenoemde opties lijkt een vierde: een gesprek tussen olie-importerende en olie-exporterende landen. Hier en daar dringt het besef door dat de OPEC nooit de boeman is geweest waarvoor zij lange tijd is gehouden. Het wordt dan ook hoog tijd dat men zich in het Westen realiseert dat de belangrijkste OPEC-leden ook belang hebben bij afspraken over een gegarandeerde afzet tegen vastgestelde en stabiele prijzen. Sommige landen, Koeweit en Saoedi-Arabie voorop, hebben grote belangen in de geindustrialiseerde wereld. Daarmee hebben ze oog gekregen voor de stabiliteit van de Westerse economieen.

Daarnaast werkt een aantal Golfstaten aan het opzetten van downstream-activiteiten, zoals raffinage, petrochemie en een eigen distributienetwerk. Stabiele en niet al te hoge prijzen zijn daarbij ook voor deze landen een levensvoorwaarde. Tenslotte beseffen de Golflanden dat, als de prijs van ruwe olie te veel stijgt, alternatieve bronnen dichterbij komen wat hun afzet in gevaar brengt.

Het gevaar bestaat dat de markt dit probleem zelf oplost als de Westerse overheden niet tot een gesprek komen met exporterende landen. Onder verwijzing naar de sterk groeiende ontwikkeling van de downstream-activiteiten van KPC uit Koeweit en ARAMCO uit Saoedi-Arabie wordt in oliekringen al gesproken over de toekomstige 'vijf stiefzusters': Shell, Exxon, BP, KPC en ARAMCO. Dat roept herinneringen op aan de 'gouden tijden' van de 'zeven zusters', toen de grote oliemaatschappijen de markt beheersten. Het valt te betwijfelen of overheden en consumenten daarmee blij zouden zijn.

    • P. Aarts
    • Omgeving van de Erasmus Universiteit
    • Volkenrecht aan de Universiteit van Amsterdam
    • G. Eisenloeffel De auteurs zijn universitair docent aan de vakgroep Internationale Betrekkingen
    • respectievelijk aan de vakgroep Strategie