Gerrit is een optimist, maar verder is alles oke

DEN HAAG, 14 sept. De eerste ondervoorzitter van de Senaat, de PvdA'er prof. dr. L. M. de Rijk, wist het twee weken geleden bij het 175-jarig bestaan van de Eerste Kamer mooi onder woorden te brengen. 'Wat gevaarlijk is, is de verwatering van de ministeriele verantwoordelijkheid. Van een glaszuivere en glasharde staatsrechtelijke notie lijkt zij te denatureren tot een zaak van nogal plooibare morele toerekening.'

Zijn partijgenoot in de Tweede Kamer F. Castricum zei het in het debat over de bouwsubsidies in mei 1988 zo: 'In onze politieke cultuur leiden fouten nauwelijks tot consequenties en worden ongecompliceerde en verfrissende stellingnames al snel tot misverstand of kanttekening gedevalueerd.'

Regeringspartijen bespreken volgens hem de politieke toekomst van aangeschoten bewindslieden meestal 'met meel in de mond'.

Het eindresultaat liet zich voorspellen: 'De leer is sterk, maar het zitvlees mag er ook wezen.'

Het klonk wat vermoeid, deze analyse van een oppositioneel Kamerlid dat jarenlang maar geen invloed kon krijgen.

Wie aldus gewapend de politieke reacties op de besloten tweedaagse hoorzitting over de controle op de visvangst overziet, herkent veel. Het is nu de PvdA die met meel in de mond spreekt, de oppositie die ongecompliceerd stelling neemt, het CDA dat plooibaar toerekent en de minister die zich aan het kanttekenen zet. Zal Braks het overleven, of krijgt hij net als destijds Brokx een 'amice-briefje' van de fractievoorzitter, waarin de rekening wordt opgemaakt en meteen geincasseerd? Vooralsnog lijkt Brinkman minister Braks de hand boven het hoofd te houden. De nieuwe fractievoorzitter speelt op 'safe' tegen de langstzittende minister van Lubbers. Er is zelfs voor een harde opstelling gekozen. Braks is 'versterkt' uit de hoorzitting te voorschijn gekomen, luidt het consigne. De fractie is positief, ja zelfs optimistisch over het politieke lot van de man die al in 1987 na een soortgelijke affaire door de Kamer politiek in gebreke was gesteld, maar toen voorwaardelijk mocht aanblijven. Maar eigenlijk telt dat niet meer. Toen Kok 'ja' zei tegen Braks als kandidaat-minister veegde hij meteen die lei schoon, zegt men in de CDA-fractie.

Natuurlijk, het gaat niet goed met de vangstcontrole, maar daar weet de Kamer van. Braks heeft het ons zelf verteld. De minister is eerlijk geweest, hij heeft het juiste beeld geschetst en daarbij ook de juiste toon aangeslagen. Er is niet strafbaar gehandeld op zijn departement, zo heeft Justitie vastgesteld die aantijging is dus uit de lucht gegrepen. Goed, Gerrit is een optimist en als optimisten slecht nieuws vertellen moet je goed luisteren. Maar verder is alles oke.

Bij zo'n afzijdige houding van het CDA over het politieke lot van Braks ligt de bal bij de PvdA. Aldaar houdt men zich angstvallig aan de rechte weg. Als de feiten helder zijn, velt de fractie een oordeel, heet het daar. En tot die feiten behoort ook de verdediging van de minister. Misschien zijn er maandag ook nog wel wat extra vragen te stellen. Stilletjes hoopt de fractie dat de feiten onhelder blijken en dat de frauderende vissers op een hoop met de snelheidsmaniakken en belastingfraudeurs gegooid kunnen worden. Daar hebben Maij-Weggen en Kok toch ook geen greep op? Wie weet hoeveel verontruste politie of belastinginspecteurs daar met paniekschattingen op de stoep staan.

Ook bij het CDA doet deze redenering opgeld. Het ministerschap lijkt een inspanningsverbintenis, geen resultaatsverbintenis. Men moet doen wat men kan, maar als een minister een groep zonder normbesef treft, vissers of andere vandalen van de rechtsstaat, dan heeft dat geen politieke consequenties. Stilzwijgend is daarmee de omvang van de ministeriele verantwoordelijkheid uit handen gegeven. Naarmate de normovertreders minder hanteerbaar zijn, hoeft de minister zich ook minder van de Kamer aan te trekken, luidt deze staatsrechtelijke vondst. De visaffaire lijkt zich politiek toe te spitsen op de vraag of Braks terecht naliet de Kamer te informeren over het bezoek van ing. J. K. Nooitgedagt van de Nederlandse Vissersbond en K. Kramer van de Federatie van Visserijverenigingen in januari van dit jaar aan zijn departement. Dit duo kwam bezorgd vangstoverschrijdingen tot wel 80 procent melden. De minister werd toen door zijn ambtenaren geadviseerd deze informatie voor zich te houden. 'Boterzacht' was het oordeel, en de minister deed er goed aan de Kamer alleen betrouwbare informatie over te brengen. Kramer en Nooitgedacht brachten echter ook een bezoek aan de voorzitter van de vaste Kamercommissie voor de visserij Eversdijk (CDA). Deze had net twee lelijke tegenvallers geincasseerd hij mocht niet in het kabinet en hij mocht ook geen Kamervoorzitter worden. Dat had de baas in het Torentje zo beslist. Kennelijk is Kamerlid het hoogst bereikbare, moest hij met een blik in de spiegel concluderen. Ruim een week na het bezoek van de twee vissersvoormannen nam Eversdijk wraak in het Journaal. Hij verklaarde dat er vangstoverschrijdingen waren van 'dertig tot zestig procent' en bracht zo partijgenoot Braks in moeilijkheden. (Een AID-inspecteur zou er later via hetzelfde medium een schepje bovenop doen.) In het daarop volgende Kamerdebat sprak Braks echter de gedenkwaardige woorden: 'Ik heb geen enkele aanwijzing dat de overschrijding in de orde van grootte van die dertig tot zestig procent zou zijn'.

Die aanwijzingen waren er echter wel, zo ontdekte de Kamer deze week. Het probleem was alleen dat de minister ze als niet serieus beoordeelde. Zelfs lichtte hij de Kamer er niet vertrouwelijk over in. Maar betekent dat dan ook dat die aanwijzingen helemaal niet bestonden? De oppositie had het ongecompliceerde antwoord: natuurlijk niet, die bestonden wel en de minister had dat moeten zeggen.

Als Braks zich maandag in de Kamer verdedigd zal hij juist dat moeten uitleggen. In de Kamer wordt verwacht dat hij zal aanvoeren dat de informatie niet alleen oncontroleerbaar was maar bovendien in vertrouwen en op persoonlijke titel aan hem was overgebracht. Een minister die dat meteen aan de volksvertegenwoording overbrieft zal nooit meer spontaan uit zijn ambtelijk apparaat of uit de beroepsorganisaties te horen krijgen welke rampen er dreigen. De minister mag, nee moet zelf beoordelen wat hij vertelt en wat niet.

Dit pleidooi is eerder gevoerd en niet zonder succes. Staatssecretaris Van Amelsvoort (financien) kwam in mei in problemen omdat hij de Kamer geen informatie had gegeven over een tegenvaller van een 1 miljard aan belasting-inkomsten door interne problemen bij de fiscus. Ook hier ging het om een uitgelekte notitie die door bezorgde ambtenaren naar buiten was gebracht. Van Amelsvoort hield echter alle boten af. Hij vond dat er sprake was van ambtelijke informatie die eerst nog intern besproken moest worden. De cijfers waren 'onrijp' en bovendien wilde hij de Kamer 'niet dol maken'.

Dat werd geslikt, zij het dat de bewindsman per motie werd verzocht voortaan 'tijdig en periodiek' de Kamer in te lichten.

Braks lijkt op zo'n zelfde verdediging af te koersen. Zou hij hebben verklaard dat de toegestane vangsten met 60 procent werden overschreden dan was er een storm van verontwaardiging in de visserswereld opgestaan. Zou hij 30 procent hebben genoemd dan had de Kamer daar meer van willen weten, zo luidt deze theorie. En dus werden het algemeenheden: 'De overtreding van de visserij-regelgeving gaat onverkort door.'

Evenals het zagen aan de poten van de stoel van Braks.

    • Folkert Jensma