Een Centre Pompidou voor Moskou?

In de tentoonstellingszaal staan, op ongelijke afstand van elkaar, drie geblutste metalen emmers. In een ervan zit een restje oranje verf. Het parket rondom de emmers is nat. De emmers zijn geen kunstvoorwerpen, maar gewoon redmiddelen tegen lekkage. De kunstvoorwerpen hangen aan de muur of staan op sokkels in de zaal. Landschapjes met Russische kerkjes, droeve figuren, eeuwige berkenbossen en huiskamertafereeltjes: dit is een expositie van Moskouse kunstenaars, georganiseerd door de Kunstenaarsbond, in het Huis van de Kunstenaars op de Koeznetski Most, hartje Moskou. De doeken zijn niet onverdienstelijk geschilderd, maar hangen wat doelloos en levenloos bij elkaar in de grote onaantrekkelijke ruimte, waar de stilte af en toe wordt doorbroken door een druppel die in een emmer plonst. Een paar mensen schuifelen langs de wanden. Een man buigt zich naar voren, naar een bruinkleurig interieur, en vraagt beleefd: Weet u misschien wat sepia is? Een oude dame, afgaand op de geur van versgebakken brood, informeert of het buffet open is. Dat blijkt niet het geval.

Dezelfde landerige sfeer hangt in het gebouw waar de Kunstenaarsbond is gevestigd, een stevig geel neoclassicistisch huis met witte zuilen aan de Gogolboulevard. Binnen staat alles in de steigers, arbeiders lopen de kamer van de bondsvoorzitter in en uit met grote potten verf. De voorzitter, Andrej Vasnetsov, kleinzoon van de bekende Russische schilder Viktor Vasnetsov, is in Parijs. De kunsthistoricus Joeri Osmolovski hij lijkt een beetje op Solzjenitsyn, ronde grijze baard zonder snor is sinds twee jaar secretaris van de bond, verantwoordelijk voor de contacten met de unierepublieken. 22.000 leden heeft de Kunstenaarsbond, plus 5.000 leden van jeugdgroepen, en dat aantal groeit gestaag, zegt Osmolovski. Waarom? 'Lidmaatschap van de bond geeft privileges, recht op twintig meter extra woonruimte, recht op een atelier, op kosteloos verblijf in de artistieke pensions van de bond en materiele hulp.' Vroeger was het in de Sovjet-Unie onmogelijk om als kunstenaar te werken als je geen lid was van de bond, die slechts het socialistisch realisme als toegestane kunstvorm erkende. De avantgarde kunstenaars kwamen niet in aanmerking voor een lidmaatschap en stonden aan vervolging bloot. Hun werk werd als ontaard beschouwd. Maar, haast Osmolovski zich uit te leggen, de bond heeft altijd als principe gehad zich niet in het conflict tussen de ondergrondse kunstenaars en de overheid te mengen. 'De bond had maar een credo: verdraagzaamheid en een brede orientatie.'

Nee, samenwerking met de ondergrondse kunstenaars was er niet, maar ze werden door de bond ook niet in hun bestaan gehinderd, aldus Osmolovski, die dat een zeer prijzenswaardig uitgangspunt lijkt te vinden voor een organisatie die het kunstleven in de Sovjet-Unie dient te stimuleren.

Osmolovski wil wel even een paar dingen rechtzetten. Het is een onjuiste voorstelling van zaken dat de bond uitsluitend het realisme in de kunst predikt. Bovendien kent het realisme vele gradaties. 'Wij hebben het pluralisme al lang geleden omarmd. In 1989 is de term 'socialistisch realisme' uit de bondsstatuten verwijderd. Het was een bedachte term, die ons is opgedrongen. We hebben nu heel wat avantgardisten onder onze leden. Ons enige criterium is professionalisme, want onder de avantgardisten is heel wat talentloos volk.'

Overigens wil Osmolovski ook wel kwijt dat de socialistisch-realistische doeken uit het nabije verleden op dit moment zeer in trek zijn in Amerika en de gewone realistische werken gretig van de hand gaan in Japan.

Oud en ziek

De Kunstenaarsbond van de Sovjet-Unie is in moreel en financieel opzicht failliet en absoluut niet in staat zich te hervormen. Viktor Misiano, kunstcriticus en voormalig conservator van het Poesjkin-museum voor schone kunsten ('Het museum is doodziek en sterft langzaam af, tweederde van de medewerkers zijn oud en ziek, de directrice is een stalinist met een rok aan, moderne kunst houdt voor haar op bij Matisse') laat er geen misverstand over bestaan dat het afgelopen is met de bond, al zit die nog met zijn dikke lijf op al zijn tentoonstellingszalen. 'De Kunstenaarsbond heeft eerst een paar stappen gezet in progressieve richting. De bond organiseerde tentoonstellingen van Robert Rauschenberg, Francis Bacon, Gilbert and George, Morandi, die zijn van groot belang geweest voor ons land. Maar het geld is op, want de ruggegraat van de bond is gebroken. De monumentalisten krijgen geen opdrachten meer en die brachten het geld in het laatje. Wie bestelt er nog een portret van Lenin? Welk bedrijf heeft nog geld voor een muurschildering of een mozaiek? Niemand plaatst meer een bestelling. De enige overlevingskans is de westerse kunstmarkt en de avantgarde, dat begrijpt de bond heel goed, verkoopt het beste.' Na de avantgarde kunst jarenlang te hebben verzwegen en doodgedrukt is zij inmiddels de laatste rendabele melkkoe voor de zieltogende bond geworden. De bond heeft een kunstsalon, via welke de kunstenaars hun werk naar het buitenland kunnen verkopen. Nog steeds gaat 55 procent van de verkoopprijs in valuta naar de staat en 45 procent naar de bond. De kunstenaar ziet er maar 10 procent van. Osmolovski geeft de schuld aan het ministerie van cultuur, dat dit zo heeft gedecreteerd. De bond komt voor de kunstenaars op, zegt hij, maar het klinkt niet erg overtuigend in het afbladderende bolwerk. Er zijn overigens niet veel kunstenaars meer die hun werk via de bond verkopen. Er zijn tal van mogelijkheden om de overheid te omzeilen. Vijf kunstwerken mag een kunstenaar meenemen als hij naar het buitenland gaat. Het effectiefste middel is in het buitenland werken en de doeken daar meteen verkopen. In de Sovjet-Unie is geen markt voor beeldende kunst en trouwens, wat koop je vandaag de dag voor een roebel?

Waanzin

Edik Sjtejnberg (56), een van de eersten der ondergrondse avantgardisten uit de jaren zestig, snakt naar normale galerieverhoudingen, die een einde maken aan de financiele inmenging van de staat. 'Ik ben sinds drie jaar lid van de bond, maar ik heb er nog nooit iets aan gehad. In het Westen kan ik overal tentoonstellingen organiseren, maar de Kunstenaarsbond heeft mij nog nooit voorgesteld mijn werk te exposeren. Wat er op dit moment in het Huis der Kunstenaars op de Koeznetski Most hangt heeft het niveau van de Jaren van de Stagnatie (de Brezjnev-tijd), maar dan zonder ideologie.' Sjtejnberg, wiens werk deze maand te zien is in de Heerlense Stadsgalerij en vanaf 22 september ook in het Amsterdamse Stedelijk Museum, heeft eenmaal een eigen expositie gehad in de Sovjet-Unie. Dat was in 1987, in galerie Hermitage, de eerste onofficiele galerie van Moskou, die geen lang leven beschoren was. Sjtejnberg vindt dat hij behoorlijk geluk gehad heeft: zijn vaste galerie in het Westen is Claude Bernard in Parijs, en dat is een heel fatsoenlijke. De afgelopen twee jaar is hij veel in het buitenland geweest en hij heeft er een ding begrepen: een westerse kunstenaar heeft het moeilijker dan een Russische. 'Een westerse kunstenaar moet een sportsman zijn, hij moet weten te overleven in de kunstbusiness. Kunst heeft kennelijk geen vrijheid nodig om te groeien.

De kunsthandel is moordend en wilde waanzin: een Jasper Johns die even duur is als een Van Gogh, dan zijn de verhoudingen zoek. Onze jonge kunstenaars zijn blij dat ze zo goed verkopen, maar straks is die 'boom' over en vallen ze in een groot gat.' Sjtejnberg zou in het Westen financieel makkelijk kunnen leven, zijn werk wordt gretig gekocht, maar hij wil niet emigreren. Toch heeft hij over de toekomst van zijn land geen enkele illusie. In de coulissen zit al een grijze dictator verborgen, meent de kunstenaar. De democraten bevallen hem al evenmin als de communisten. 'Als de Moskouse burgemeester Gavriil Popov de nieuwe eerste partijsecretaris van de Russische communistische partij Ivan Polozkov geen verblijfsvergunning voor Moskou wil geven omdat hij hem niet aanstaat, als de democraten de gebouwen van de communistische partij willen afpakken, dan zijn we weer terug in 1917, dat zijn Leninistische methodes.' Ook over de nieuwe wereld van de kunst in zijn land is Sjtejnberg niet optimistisch. 'Ik ben van kindsaf aan opgevoed op zoek naar de verloren cultuur en in haat jegens de bolsjewieken. Maar de kunst verandert nu in gewone handelswaar en verliest daarmee voor mij haar aroma, haar vorm. De mentaliteit van de jaren zestig gaat helaas verloren.' Werken in het buitenland en tot zijn eigen verbazing was hij daar heel goed toe in staat heeft natuurlijk veel materiele voordelen, maar voor Sjtejnberg is het grootste voordeel dat hij dan niet aan de politieke show hoeft mee te doen die in Moskou continu wordt opgevoerd. 'Ik ben van nature weinig toegankelijk, maar al anderhalf jaar moet ik hier zodra ik naar buiten treed een masker opzetten. Men maakt een ster van mij en die last moet ik dragen.'

Sjtejnberg vertrekt binnenkort opnieuw voor een half jaar naar het buitenland, ditmaal naar Parijs, waar zijn galeriehouder een appartement voor hem heeft gehuurd.

Veel Russische kunstenaars worstelen met hun nieuwe status, zoals de hele Sovjet-maatschappij op dit moment wanhopige pogingen doet een nieuwe plaats te vinden in de wereld. De oude structuren werken niet meer, maar alternatieve initiatieven kunnen zich nog niet echt vrij ontplooien. Daarbij stuit men bijna voortdurend op het schrijnende geldgebrek: de Sovjet-Unie is failliet en dat maakt het ook in het kunstleven bijna onmogelijk iets op poten te zetten. Jarenlang wordt er al gepraat over de oprichting van een museum voor moderne kunst, de Duitse chocoladebaron Ludwig heeft een deel van zijn collectie moderne kunst aan het ministerie van cultuur beloofd, maar er is nog geen enkele stap ondernomen om dit plan te verwezenlijken.

De nieuwe minister van cultuur, de acteur Nikolaj Goebenko, leerling van toneelregisseur Joeri Ljoebimov van het Tagankatheater, huist in een in crisis gedompeld ministerie, waar de ene reorganisatie door de andere wordt gevolgd. Volgens Viktor Misiano kwijt hij zich bar slecht van zijn taak. 'Goebenko is al een jaar minister en pas na negen maanden heeft hij voor het eerst de afdeling beeldende kunst bij elkaar geroepen! Hij weet niets van beeldende kunst en hij speelt bepaald niet de rol die bij voorbeeld Jack Lang in het Franse kunstleven heeft gespeeld. Goebenko ging naar Rome en wat nam hij mee? Het Bolsjoj Theater! Had hij, nota bene zelf afkomstig uit het moderne toneel, nu niets beters kunnen bedenken? Vijf jaar na het begin van de perestrojka wordt het culturele gezicht van de Sovjet-Unie in het Westen nog steeds bepaald door het Bolsjoj, chochloma (beschilderd houten serviesgoed LS) en de Franse impressionisten uit het Poesjkinmuseum!' Er gaan in Moskou geruchten dat Goebenko van plan is het hele ministerie van cultuur op te heffen. Alle unierepublieken hebben hun eigen ministerie van cultuur en wanneer de Sovjet-Unie een federatie wordt van soevereine republieken is een unieministerie niet meer nodig.

Wilde plannen

De onderhandelingen voor het museum voor moderne kunst mogen in het slop zijn geraakt, Leonid Bazjanov, kunsthistoricus en destijds het brein achter galerie Hermitage, loopt alweer met nieuwe grootse plannen rond. Moskou moet zijn eigen Centre Pompidou krijgen en het gaat Centrum voor moderne kunst heten. Het centrum is een voortzetting van Hermitage en de toestemming is er al. Bazjanov wappert met een brief met handtekening van premier Ryzjkov waarin deze een gebouw op de kade tegenover het Kremlin voor het centrum bestemt, maar het gebouw is helaas nog bezet door een ministerie. De gemeenteraad heeft het centrum al officieel geregistreerd, maar opnieuw is geld het grote probleem. Bazjanov hoopt op buitenlandse sponsors. Het centrum moet tentoonstellingsruimte herbergen, een begin maken met een eigen pinakotheek, er komen vijf gespecialiseerde galeries in de stad, een filmstudio, een geluidsstudio, theater, video-art en een huis waar kunstenaars ateliers kunnen huren. Eind oktober wil Bazjanov de eerste internationale Art Fair in Moskou organiseren, MIF genaamd, wat naast Moscow International Fair ook 'mythe' of 'legende' betekent. Ondanks deze wilde plannen staat Bazjanovs gezicht bezorgd. 'Er is de laatste twee jaar veel veranderd in het kunstleven. De periode van euforie is opgevolgd door commerciele agitatie. De kunstenaars zijn veranderd in privehandelaars. Dat is een ongezonde ontwikkeling. De kunsthandel moet via gerenommeerde galeries gaan.

De kunststroom naar het Westen loopt grotendeels via kleine dealers en dat brengt onze kunst in discrediet.' Kunstenaars raken ook emotioneel in problemen, nu hun positie zo snel veranderd is. Vroeger was er een duidelijke scheidslijn tussen 'wij' en 'zij', die lijn is vervaagd. 'Mensen die vroeger de avantgardisten haatten organiseren nu tentoonstellingen van hun werk. Kunstenaars die vroeger verboden waren worden nu opeens vaandeldragers van de moderne kunst genoemd, er is ongelooflijk veel hypocrisie en valsheid in deze nieuwe situatie, ' aldus Bazjanov. 'De kennismaking met westerse kunst via enkele goede tentoonstellingen heeft een lawine aan informatie opgeleverd, maar helaas is het resultaat voorlopig alleen maar negatief. Er vindt een oppervlakkige assimilatie plaats, plotsklaps is iedereen modernist geworden.' De kunstenaars waren niet voorbereid op hun nieuwe rol, zegt Viktor Misiano, en veel vriendschappen gaan teloor door de concurrentie waaraan zij opeens bloot worden gesteld. 'Het is niet alleen voor de Kunstenaarsbond een probleem zich aan te passen aan pluralisme en marktmechanismen, voor ons geldt hetzelfde. We moeten van een atmosfeer van een geheime broederschap overstappen in een volwaardig artistiek bestaan en dat is niet eenvoudig. Voor het eerst ontstaan er polemieken over esthetische principes, maar vooralsnog dragen die grotendeels een destructief karakter.'

De idealist Bazjanov is volgens Misiano een van de slachtoffers van die situatie. Hij voelt zich verraden door zijn kunstenaars, die hij bij elkaar heeft gehaald in zijn galerie Hermitage. In feite vindt er gewoon een normaal proces van differentiatie plaats: de talenten en de karakters zijn te verschillend gebleken nu de gemeenschappelijke vijand is weggevallen en daarom zal het Bazjanov niet licht vallen de kunstenaars rondom zijn Centrum voor moderne kunst te verzamelen, denkt Misiano, die overigens zelf in het organisatiecomite zit.

De Sovjet-Unie is failliet, en binnenlandse sponsors zullen dan ook niet makkelijk gevonden worden. Er zijn, zegt Misiano, twee modellen voor sponsoring: het Franse model, waarbij alles door de staat betaald wordt, en het Amerikaanse, waar alles in handen is van privesponsors. 'Wij hadden eerst het Franse model. Nu is de staat bankroet, maar het Amerikaanse model kunnen we niet invoeren omdat er geen kapitaalkrachtige privebedrijven zijn. De enige hoop is dus het Westen, maar westerse sponsors zijn op dit moment alleen geinteresseerd in het organiseren van tentoonstellingen van Russische kunst in het Westen. Dat levert reclame op. Investeren in Bazjanovs centrum is voor hen niet interessant genoeg.'

Beetje champagne

In het Paleis van de Jeugd bezoek ik de vernissage van 'Katalog'. Hier hangt een heel andere sfeer dan op de Koeznetski Most. Moderne kunst, modern publiek, moderne kapsels, meisjes met extravagante hoofddeksels, de meesten jong. Veel buitenlanders, een enkele Italiaanse galeriehouder keurt het gebodene, er wordt gefotografeerd en er is zelfs een beetje champagne. Katalog biedt een aantal bekende namen als Joeri Albert, Sven Gundlach, Vadim Zacharov, Ilja Kabakov, Viktor Pivovarov en Dmitri Prigov (die ook allemaal meedoen aan de expositie in het Stedelijk Museum). De tentoonstelling is mogelijk gemaakt door de Amerikaans-Russische joint venture Sintez, die in computertechniek, videoproduktie, reclamefilms, maar ook in landbouwprodukten doet. Voor Aleksandr Heismann van de firma is het allerbelangrijkste de tentoonstelling naar het Westen te brengen met als doel de verkoop voor harde valuta, al doet hij zich idealistischer voor dan hij is, wanneer hij spreekt van een 'onderzoekstentoonstelling' met een achterliggende idee. De Kunstenaarsbond? Daar heeft hij nog nooit mee te maken gehad en dat ligt ook niet in de bedoeling. Anatoli Zjoeravljov, die met drie werken op de tentoonstelling vertegenwoordigd is een zwart vlak, een hoopje letters en een combinatie van die twee is net terug uit Duitsland, waar hij heeft gewerkt en verkocht. Via de Kunstenaarsbond heeft hij een keer een doek verkocht, het geld heeft hij nog niet gezien, dus sindsdien gebruikt hij andere methoden.

Iedereen is het erover eens: er is nog steeds geen binnenlandse markt voor kunst. 'Onze nieuwe bourgeoisie is niet te vergelijken met de Franse bourgeoisie, die driehonderd jaar cultuur achter zich heeft, ' zegt Misiano, die op de vernissage honderduit Italiaans babbelt met buitenlandse gasten. (Zijn Italiaanse ouders emigreerden in de Stalin-tijd naar de Sovjet-Unie). 'Onze bourgeoisie bestaat uit nouveaux riches, uit gangsters, uit mafia.'

Russen, zo is zijn vaste overtuiging, zijn niet visueel maar literair ingesteld en bovendien traditioneel erg conservatief van smaak. 'Een intellectueel die elegant gekleed gaat wordt al gauw als dandy beschouwd. Russen hebben een cultus van ascetisme. Als je de nieuwste roman niet hebt gelezen kun je in gezelschap niet meepraten, maar dat geldt niet voor de laatste tentoonstelling. In de Brezjnevtijd gingen mensen niet naar illegale tentoonstellingen voor de kunst, maar voor de catharsis. Het was een politieke daad. Vandaag de dag zijn de tentoonstellingszalen leeg.' Edik Sjtejnberg is het niet met Misiano eens, Misiano denkt als een Europeaan. 'Het onesthetische karakter van de Rus heeft een duidelijke oorzaak: de weerzinwekkende Sovjet-geschiedenis. De mensen hebben zeventig jaar niets te zien gekregen, daarom kunnen ze zich nog als kinderen verbazen. Moskou is Europa niet, 't is of je een straathond met een Sint Bernhard vergelijkt.'

Zwarte vierkanten

Op de tentoonstelling hangt een kunstwerk dat Misiano's woorden over de literaire aard van de Russen lijkt te onderstrepen. Dmitri Prigov werkt met woorden. Twee zwarte papieren vierkanten hebben als bij een adventskalender uitgesneden deurtjes die omhoog te klappen zijn. Het linkse vierkant bevat de hierarchie van de 19-de eeuwse, pre-revolutionaire schrijvers met Poesjkin als generalissimus bovenaan, gevolgd door de maarschalken Dostojevski, Gogol en Tolstoj en zo aflopend in belangrijkheid. Het rechtse vierkant toont de hierarchie van de Sovjet-schrijvers met Maksim Gorki als generaal en Jevgeni Jevtoesjenko onderaan als luitenant. Onder het flapje staat 'top secret'. De tentoonstelling 'Binnen de USSR en erbuiten' wordt van 22 september tot en met 4 november gehouden in het Stedelijk Museum Amsterdam. Werk van Edik Sjtejnberg, Joeri Albert en Vadim Zacharov is nog tot en met 21 oktober te zien op de tentoonstelling 'USSR, drie kunstenaars, twee generaties' in de Stadsgalerij Heerlen.

    • Erbuiten' te Zien