Eeen hondsdolle muis

Met mijn vriend Jan was ik op vakantie in Friesland. We logeerden in een huisje dat aan een dijk ligt. 'Laten we naar de Waddenzee gaan', zei Jan op een dag.

Het was mooi weer maar we trokken toch jassen aan want in Friesland waait het altijd hard. Friesland is namelijk zo plat als een pannekoek. Vanaf de dijk zagen we heel in de verte een boom staan. Verder zagen we alleen maar lucht. 'Leuk dat het hier zo kaal is dan kan je de wolken goed zien', zei Jan. Er waren die dag veel wolken. 'Ik zie een wolk die op een watje lijkt', zei ik. 'Oh, dat is een schapewolk en die vage witte strepen boven de horizon noemen ze windveer', antwoordde Jan. Er kwam juist een wolk aandrijven die er uitzag als een suikerspin waarin gehapt was. 'Hoe noemen ze zo'n wolk?' vroeg ik. 'Een slordige wolk', antwoordde Jan.

We volgden het pad naar de Waddenzee, en zagen weilanden en akkers. Jan had intussen weer een mooie wolk ontdekt. 'Zie je die lekkere grote stapelwolk? Wat een dikzak he', hoorde ik hem zeggen.

Omdat hij met zijn hoofd in de wolken liep, had hij niet in de gaten dat er een muis op het pad zat. Het was een veldmuis met bruine kraalogen en een klein snorretje. Er zat een zwarte veeg op de wang van de muis. 'Je trapt bijna op een veldmuis, professor Wolk', zei ik tegen Jan terwijl ik naar de muis wees. De muis had ons kennelijk gehoord maar in plaats van op de vlucht te slaan, begon hij opgewonden te piepen waarbij hij op zijn achterpoten ging staan. 'Misschien is het een jonge muis die midden op het pad in slaap is gevallen en kwaad is omdat we hem wakker gemaakt hebben', zei Jan. De muis was op zijn pootjes gaan staan en rende nu regelrecht op Jan af. Daarna klauterde de muis op zijn linkerschoen om via zijn sok in zijn broekspijp te klimmen. 'Dat is nou echt iets voor een jonge muis zonder ervaring. Een volwassen muis zou zoiets stoms nooit doen', zei Jan. De muis was intussen in zijn broekspijp tot kniehoogte opgeklommen. 'Het kriebelt', zei Jan die flink met zijn been begon te schudden in de hoop dat de muis dan vanzelf uit de broekspijp zou vallen. Maar de muis kwam niet te voorschijn. 'Ik zal hem vangen want ik heb geen zin om helemaal naar de Waddenzee te lopen met een muis in mijn broekspijp', zei Jan. 'We moeten een list verzinnen om de muis te verschalken', zei ik. 'Als jij mijn broekspijp bij de knie dichthoudt dan kan die muis niet verder omhoogklimmen en dan kan ik hem pakken', zei Jan. 'Au, die rotmuis bijt me', klonk het ineens. Toen Jan de muis had gevangen en in een roggeveld had losgelaten, liet hij mij de muizebeet in zijn hand zien. Het was maar een klein wondje. 'Maar hij heeft wel doorgebeten', mopperde Jan.

Nadat we de Waddenzee en de daar rondvliegende ganzen en grazende schapen bekeken hadden, liepen we over de zelfde weg terug naar ons dijkhuisje. We waren het voorval met de muis al bijna vergeten toen we opnieuw een veldmuisje met bruine kraalogen en een snorretje tegenkwamen. 'Het is de zelfde muis. Ik herken hem aan de veeg op zijn wang. Ik denk dat het een dolle muis is', zei Jan.

Dit keer maakten we ons snel uit de voeten. De muis rende ons even achterna maar kon ons niet inhalen. Toen we veilig in ons dijkhuisje zaten, belde ik de dorpsdokter op om te vragen of je ziek kan worden van de beet van een dolle muis. De dokter wist het niet en zei dat ik het aan de dierenarts moest vragen. 'Ik heb wel eens van hondsdolle vleermuizen gehoord dus waarom zouden er geen hondsdolle muizen zijn', zei de dierenarts. 'In Amerika heb je ook hondsdolle muizen maar in Nederland ben ik ze nog nooit tegengekomen. Maar misschien is de muis die gebeten heeft uit een Amerikaans schip ontsnapt. Jullie moeten teruggaan naar de plek waar de muis gesignaleerd is en hem vangen. Dan zal ik het dier op het laboratorium laten onderzoeken en als het een hondsdolle muis is, dan moet de patient ingeent worden want anders wordt hij na drie weken ziek en dan gaat hij dood', vervolgde de dierenarts.

Ik vertelde Jan wat de dierenarts gezegd had en dan we bliksemsnel op muizenjacht moesten. Maar Jan zei dat hij geen zin had om voor een muis twee keer per dag naar de Waddenzee te lopen. Die nacht kon ik niet in slaap komen omdat ik bang was dat Jan niet door een Friese veldmuis maar door een hondsdolle Amerikaanse muis gebeten was en dat hij dan dood zou gaan. We bleven nog drie weken in het huisje aan de dijk en toen vertrokken we weer uit Friesland. Jan was gelukkig niet ziek geworden.

Toen we thuis waren, vertelden we het verhaal aan een man die alles van muizen afweet. De muizenkenner luisterde zwijgend en zei toen tegen Jan: 'De muis die je gebeten heeft, is een spitsmuis.'

'Hoe weet je dat?' vroegen we nieuwsgierig. 'Spitsmuizen maken met iedereen ruzie, ze zijn dol op ruziemaken', legde de muizenkenner uit. 'Bovendien worden andere muizen die midden op de weg gaan zitten meteen door kraaien en andere roofvogels opgegeten.'

'Worden spitsmuizen dan niet opgegeten?' vroeg ik. 'De vogels gaan nog liever dood van de honger dan spitsmuis te eten. Spitsmuizen smaken namelijk heel vies', antwoordde de muizenkenner. En daarmee was het raadsel van de bijtende muis opgelost.